• blad nr 9
  • 4-5-2002
  • auteur . Lachesis 
  • Column

 

Strijd

Steven is veel groter dan de andere kinderen in deze klas. Hij is ook veel breder. Je kunt hem eigenlijk nooit over het hoofd zien. Al zou je het willen. Toch is zijn moeder doorlopend bang dat dat gebeurt. Daarom houdt ze de ontwikkelingen in de klas goed in de gaten. Is zijn rol bij de maandsluiting wel groot genoeg? Zit hij wel in het juiste groepje? Mag hij wel meespelen tijdens een partijtje voetbal in de ochtendpauze? Het is bepaald niet de bescheiden opstelling van Steven die haar noopt het telkens voor hem op te nemen. Steven is namelijk zelf heel goed in staat zijn onvrede omtrent het een of ander te etaleren: hij slaat zijn armen demonstratief over elkaar, trekt een gezicht als een oorwurm en zwijgt grimmig. Is er iets, vragen zijn klasgenootjes dan. Is er iets, vragen zijn juffen. Is er iets, vraagt de pleindienst. Steven zwijgt echter in alle talen. Soms, na heel lang aandringen komt er iets. Dan rolt er een levensgroot verwijt uit zijn mond. Een verwijt dat wordt gepresenteerd als een onontkoombaar feit. Er is een dader en er is een slachtoffer. Dat slachtoffer dat is hij. Het helpt niet als de ander iets ter verdediging aanvoert. Het helpt niet als getracht wordt een nuancering aan te brengen of zelfs een oplossing aan te dragen. Aan zijn eigen verantwoordelijkheid heeft hij nog nooit een gedachte vuil gemaakt. De wereld volgens Steven is simpel: er is een Vergrijp, er zijn Schuldigen en aanstonds volgt er een Straf. Die straf bestaat uit het sturen van zijn moeder. Het is een straf van formaat. Voor zijn klasgenootjes, voor zijn juffen en ook voor de pleindienst. Het valt niet mee om niet van kleur te verschieten als zij plotseling in de deuropening van het klaslokaal of van het kamertje opdoemt. Het is geen pretje om haar ineens op het plein aan te treffen terwijl zij vermeende schuldigen aan een stevige ondervraging onderwerpt. Het valt al helemaal niet mee om zelf de ondervraagde te zijn. Ook haar oordeel staat namelijk vast. Muurvast. "Er was... geloof ik... een akkefietje vanmorgen." Haar ogen weerspiegelen de terloopsheid van deze woorden geen tel.
"Vertel maar wat je weet", moedig ik dan al even onwelgemeend vriendelijk aan. "Ja het is weer zover hè?", stelt de moeder van Steven onlogisch vast. "Wat is weer zover?", dring ik aan. Het gesprek dreigt even in verwarring te eindigen. Dan verdwijnt de geacteerde achteloze ondertoon als sneeuw voor de zon. "Je weet er toch van? Hij wordt al jaren gepest. Ze moeten hem altijd hebben." Ik doe een manhaftige poging om het gesprek over 'het akkefietje' van die ochtend te laten gaan. Ze is echter geen moment van plan om mijn versie of wiens versie dan ook te accepteren als een legitiem verslag. Al snel vallen de woorden 'altijd hetzelfde', 'nooit wat aan gedaan' 'niemand zegt er ooit iets van'. Op de achtergrond luistert Steven mee. Wijdbeens, of onderuitgezakt op zijn stoel, de armen over elkaar, een grimmige, onwillige uitdrukking op zijn gezicht. Soms maakt hij een vreemd geluid waaruit afkeuring blijkt over het gesprokene. Dan draait zijn moeder zich meteen naar hem toe. "Zeg het maar knul. Ik ben hier voor jou." Steven mompelt iets onverstaanbaars. Hij kijkt ons niet aan. Zijn moeder vraagt of hij het nog eens wil herhalen. Steven mompelt nogmaals iets. Het blijkt om een aanvulling van de gebeurtenissen te gaan. Die en die waren er ook bij betrokken. Dit en dat was ook nog heel vervelend voor hem. De moeder van Steven zucht diep en kijkt de aangeklaagde nog bozer aan. Het is niet te geloven wat haar en haar gezinsleden allemaal aangedaan wordt. In waarheidsvinding is zij niet geïnteresseerd. Alleen in genoegdoening. Het gesprek eindigt altijd vruchteloos: Steven loopt nurks weg. Zijn moeder besluit het gesprek, na een eindeloze herhaling van zetten, met de woorden 'nou, ik ben benieuwd', 'ik denk niet dat het beter wordt', en 'we zullen wel zien waar het schip opnieuw strandt'. De aangeklaagden blijven achter met een gevoel van onmacht en frustratie.

Het is zijn klasgenootjes, zijn juffen en de pleindienst dan ook een lief ding waard om niet bij zo'n openbare terechtstelling betrokken te raken. Dat leidt tot de volgende taferelen: collega's zien dat een leerkracht in een moeizaam gesprek met de moeder van Steven is verwikkeld en melden een dringend telefoontje. Klasgenootjes vallen over elkaar in een poging om Steven gerust te stellen als hij bij het spelen van een wedstrijd tot de verliezende partij hoort. "Het lag niet aan jou hoor. Jij deed het heel goed. Het waren de anderen die..." De pleindienst haast zich naar de bel als ze in de verte de moeder van Steven het veld op ziet wandelen. Leerlingen die bij hem in het groepje zitten doen keer op keer pogingen hem bij het werk te betrekken. "Wat wil jij dan doen? Zeg het maar." Het mag echter niet baten. De akkefietjes, incidenten en voorvallen blijven met de regelmaat van de klok uit de lucht vallen. De moeder van Steven is in een strijd verwikkeld. Een strijd die zij haar hele leven waarschijnlijk zal voortzetten. Zij laat niet af. Zij geeft niet op.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.