- blad nr 9
- 4-5-2002
- auteur T. Snel
- Redactioneel
Vernieuwd vmbo vraagt veel geduld
Af en toe moet je wel tot tien tellen
Tineke Snel beschrijft op de volgende pagina's hoe docenten in de open leercentra en praktijksimulaties van het vmbo ook steeds meer hun weg vinden. Volgens een docent kost het minimaal drie jaar voordat je grip hebt op de andere manier van lesgeven. "Je bent als docent geneigd steeds antwoord te geven, maar je moet de leerlingen activeren om zelf na te denken."
Klassikaal lesgeven maakt in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs plaats voor een heel andere manier van werken. De kantoortuinen, open leercentra en praktijksimulaties groeien als paddestoelen uit de grond. Hoe houd je orde in een ruimte waar zeventig leerlingen met verschillende vakken en opdrachten bezig zijn? Hoe is het voor docenten om met collega's samen te werken in dezelfde ruimte terwijl ze jaren hun eigen toko hebben gerund? Invoering van de werkplekkenstructuur vraagt van de docent veel meer om bezig te zijn met begeleiden dan met kennisoverdracht.
Terwijl Wieke Dzobo met het interview bezig is in de kantoortuin, gaat de telefoon. Als ze opneemt, is er niemand aan de andere kant van de lijn. Ze kijkt er niet van op. "Ja, dit soort geintjes maak je mee als je op deze manier met de leerlingen aan de slag gaat", zegt ze. De vmbo-afdeling van scholengemeenschap Arcus in Lelystad werkt sinds dit schooljaar met de nieuwe werkplekkenstructuur waar het intrasectoraal programma handel en administratie wordt uitgevoerd. Vier lokalen zijn doorgebroken, waardoor er een grote ruimte is ontstaan waar 66 leerlingen zelfstandig aan het werk gaan. In de praktijkruimte zijn altijd vier docenten aanwezig die waar nodig de leerlingen begeleiden. De docenten zijn van diverse pluimage. Dzobo komt uit het speciaal basisonderwijs, een docent maatschappij en godsdienst en een docent scheikunde hebben samen de kantoorpraktijk opgericht, iemand uit het bedrijfsleven geeft handel en verkoop. "Met zijn vieren voor een grote groep betekent dat je met elkaar door een deur moet", zegt Dzobo, die vakgroepleider is van de sectie economie. "En natuurlijk, je moet af en toe tot tien tellen ten aanzien van een collega, maar we hebben de afspraak gemaakt dat we elkaar nooit afvallen waar een leerling bij is."
Om de orde te handhaven zijn regels opgesteld. Deels zijn dat de overal in het gebouw geldende schoolregels, aangevuld met extra regels. "Een pet dragen is hier absoluut verboden. Het is hier een werksituatie en daar ga je ook niet met je pet op zitten", zegt Dzobo. Verder wordt er een werkhouding verwacht die hoort bij zelfstandig werken. Ze moeten altijd een rode pen bij zich hebben, tippex en een potlood. Het is verboden om te chatten en onnodig het internet op te gaan. "Natuurlijk gaan ze af en toe toch internetten", zegt Dzobo. "Maar de pakkans is groot, dat weten ze. We lopen hier met vier docenten en je weet niet altijd waar die docent vandaan komt. Die kan zomaar ineens aan je tafeltje staan."
Bedrijfskleding
"Het is een heel andere manier van lesgeven, je staat niet meer frontaal voor de klas. De leerlingen kijken hun eigen werk na en toetsen zichzelf", zegt Dzobo. De leerlingen gaan vaak met een opdracht de stad in. Kijken hoe etalages zijn ingericht, of er in winkels bedrijfskleding wordt gedragen en uitzoeken wat de reden daarvan is. Om te controleren of de leerlingen de opdrachten daadwerkelijk uitvoert, kijkt de docent af en toe een werkboek van de leerling helemaal na.
De leerlingen krijgen in aaneengesloten blok van vijf uur les in de praktijkruimte. Elke leerkracht neemt zo'n blok voor zijn rekening om dat voor te bereiden. Die leerkracht is tijdens dat blok ook het aanspreekpunt voor de leerlingen. De overige leerkrachten lopen rond en springen bij waar dat nodig is. Elke donderdagmiddag na de lessen komen de docenten bij elkaar voor overleg. "Dat is belangrijk om zaken op elkaar af te stemmen." Voor het uur overleg zijn de docenten vrijgeroosterd.
Volgens Dzobo is het een voordeel dat alle docenten mentor zijn van de leerlingen. "Je kunt een collega erbij halen om hem te begeleiden. Dat is voor de leerling ook plezierig. We hoeven iemand ook niet zo snel uit de les te zetten. Het lost zich meestal ter plekke op."
De lesmethode die de school gebruikt blijkt niet goed aan te sluiten bij de leerlingen van het leerwegondersteunend onderwijs. "Deze leerlingen halen het niet om in vijf uur hun werk af te krijgen. Dat heeft te maken met hun leesvaardigheid." Als je het blok niet af hebt, moet je de volgende keer toch met een nieuwe beginnen is de regel, anders hebben de docenten geen overzicht meer. De leerlingen die het blok niet af hebben, komen extra naar school om het af te maken. De Tilburgse uitgeverij Pat die de methode heeft gemaakt wil die zo snel mogelijk aanpassen voor deze groep leerlingen.
Het lukt niet om het klassikale helemaal uit te bannen bij de werkplekkenstructuur. Boekhouden blijkt zo moeilijk voor de leerlingen dat ze zich dan toch een aantal uren met de docent boekhouden terugtrekken in een klaslokaal dat grenst aan de praktijkruimte. Dzobo: "Er wordt wel met opdrachtjes gewerkt, maar er is ook klassikale instructie."
De leerlingen leren zelfstandig te werken. "Wij proberen ze meer praktische dingen bij te brengen in de richting waarin ze later willen gaan werken. We merken dat ze toleranter naar elkaar zijn. Het wordt heel gewoon voor ze om een interview, een presentatie of een rollenspel samen te doen. En ze gaan anders de stage in, want we brengen ze beroepsattitude bij. De persoonlijke ontwikkeling van de leerlingen loopt anders doordat we op een heel andere manier met ze werken."
Dipmomenten
Op het Anna van Rijncollege in Nieuwegein wordt al elf jaar gewerkt met praktijksimulatie. Docent kantoorpraktijk Louïs Dalenberg is vanaf het begin al de bedrijfsleider van Avier, het bedrijf van de school. "Ik geef leerlingen probleemsituaties waarmee ze aan de slag moeten. Eigenlijk pas je probleemgestuurd onderwijs wat meer toe in een praktijksetting." Het is volgens Dalenberg niet gemakkelijk om in zo'n simulatiebedrijf te werken. "Aan het begin van het schooljaar zijn de leerlingen onervaren werknemers. En je begint in feite met alle hoofdstukken van het boek tegelijk." De leerlingen leren te werken volgens bepaalde procedures en doen aan zelfcontrole. Ze moeten aantekenen wat ze gedaan hebben. Daarnaast neemt samenwerken een belangrijke plaats in. En een oordeel geven over het werk van de ander. "Het is een proces van vertrouwen", zegt Dalenberg. "Maar deze manier van les krijgen is voor de leerlingen veel leuker dan klassikaal. Bovendien leren ze zelfstandiger te werken."
Sommige leerlingen ziet hij helemaal opbloeien als ze bij Avier binnenkomen. "Anderen hebben er echt moeite mee, die moet je sturen. Er eerst niet te veel druk op leggen, maar die langzaam opvoeren." Avier is opgezet voor achttien leerlingen, maar als het moet kunnen er 24 aan de slag. "Bij 24 wordt veel extra administratie gecreëerd, dat komt het zinvolle werken van de leerling niet ten goede. Vooral het overzicht is voor de docent beduidend minder. De vmbo-leerlingen moeten flink gestimuleerd worden, die moet je veel positieve aandacht geven. Ik geef ze de verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces. Maar je moet gezag en overwicht hebben. Als je met veertig leerlingen en twee docenten in zo'n ruimte werkt, kan dat problemen opleveren, zeker als de communicatie tussen de collega's niet zo goed is."
Hij ziet dat de leerlingen heel gemotiveerd zijn, omdat ze praktisch aan het werk zijn. "Maar ze hebben natuurlijk ook hun 'dipmomenten' en dan moet je ze weer op de rails helpen." Leerlingen moesten laatst veertig klantenkaarten controleren en de gegevens verwerken. "Sommigen hebben er na een uur de balen van. Ik leer ze om werk af te wisselen. Ga even wat anders doen en pak deze taak later weer op."
De leerlingen die het zelfstandig werken niet zien zitten, moeten volgens Dalenberg sterk worden aangestuurd. "Dat is heel confronterend. Terug naar de basis. Het werk controleerbaar maken. Een streep trekken en zeggen: vanaf hier ga je verder."
Bovendien vraagt verkoop om een andere didactiek dan administratie. "Verkoop is meer op het uitvoerende vlak, hoe voer je een verkoopgesprek. Terwijl bij administratie meer de nadruk ligt op verslagleggen." De leerlingen gaan ook veel meer zelf dingen uitzoeken. Ze krijgen bijvoorbeeld de opdracht tien kassabonnen te verzamelen en op een rij te zetten wat er allemaal op voorkomt.
Dalenberg signaleert dat een leerling op praktijkniveau lager zit dan het aankan, omdat hij theoretisch niet sterk is. "Die leerlingen moeten om die reden de basisberoepsgerichte opleiding volgen, maar ze zijn geschikt voor de kaderberoeps."
Als docent alleen heeft hij het redelijk in de hand, meent Dalenberg. "Toch zijn er dingen die door je handen glippen. Dat komt ook door de controle achteraf. Pas later merk je dat er fouten gemaakt worden, dat leerlingen onderdelen hebben overgeslagen. Leerlingen leggen ook gewoon stapeltjes werk weg. En als er een paar leerlingen zijn die de boel verstieren, loopt het hele proces veel moeizamer."
Zijn ervaring is dat het drie, vier jaar kost voordat je grip hebt op de andere manier van lesgeven. "Je bent als docent geneigd steeds antwoord te geven, maar je moet de leerlingen activeren om zelf na te denken."
Rustiger
"Het is eigenlijk veel rustiger dan het klassikaal lesgeven", zegt wiskundedocent Elly de Satin van de locatie Kerkebosch van het christelijk college Zeist. Het open leercentrum economie waar zij werkzaam is, is sinds november in gebruik. De leerlingen van het derde leerjaar volgen er het intrasectoraal programma handel en administratie. "Er zijn nogal wat leerlingen die braaf werken. Maar er zijn ook leerlingen die heel erg geholpen moeten worden met zelfstandig werken. Die moet je vooral individueel instrueren, dat breekt me wel eens op. En je moet toch per kind in de gaten houden hoe ver ze zijn. Sommige kinderen blijf ik achter de broek zitten." De kadergroep is niet moeilijk te motiveren, meent ze. De basisgroep wel. "Die zitten toch vooral te plakken en te knippen op internet." Het orde houden valt haar nog wel mee. "Ik moet er wel eens twee uit elkaar halen als er te veel gekletst wordt, maar over het algemeen houden de leerlingen zich met hun werk bezig."
In Kerkebosch zijn zeventig werkplekken waar constant drie docenten aanwezig zijn voor de begeleiding. De een is vooral thuis in computers, de ander in praktijksimulatie en De Satin is helemaal op de hoogte van het nieuwe programma. "Ik zag erg tegen het samenwerken op", zegt ze, "maar het is leuk."
De leerlingen zijn enthousiast over deze manier van les krijgen. "Ik vind het veel beter dan in de klas zitten", zegt Ruben Homan van de verkoopafdeling. "Het is overzichtelijker." Ongevraagd en enthousiast geeft hij uitleg over de programma's op zijn computer. Nedja El Ajjouri vindt het 'hartstikke leuk' om op deze manier op school bezig te zijn. "Je kunt goed kijken hoe het gaat in een echt bedrijf en eraan wennen. Nee, stiekem chatten doe ik niet hoor, ik maak gewoon mijn opdrachten." Houda Lamribet vindt het ook leuker dan gewoon in de klas. "Op de pc leer je beter. Wat wij hier doen, leer je niet in de klas." Of ze wel eens de neiging heeft om andere leuke dingen te doen, zoals chatten, dan het maken van opdrachten? "Nee. Chatten mag niet."
Begeleiding
Ruim de helft van de scholieren meent dat leerkrachten die met het studiehuis te maken hebben niet weten hoe ze zelfstandig leren het beste kunnen begeleiden. Tweederde van de leerlingen vindt de studiebelasting in het studiehuis te hoog. Vooral leerlingen uit 4-havo vinden dat ze te veel moeten doen.
Dit blijkt uit een onderzoek van de katholieke universiteit Brabant in opdracht van KRO's OntbijtTV onder tweeduizend scholieren. Meisjes zijn positiever over het studiehuis dan jongens. Als cijfer krijgt het studiehuis van de leerlingen gemiddeld een 5,5. Tachtig procent van de scholieren vindt dat de leerlingen de vrijheid moeten krijgen bij het samenstellen van de vakken.