- blad nr 3
- 1-3-2024
- auteur R. Wisman
- Idee
Focus op inhoud verbetert schrijfonderwijs
‘Leuk verhaal!’ Maar vervolgens zie je een papier vol doorhalingen en opmerkingen. Hoe leuk vond de juf of meester het verhaal dan echt? Petra de Lint denkt dat veel kinderen door dit soort ervaringen gedemotiveerd raken om te schrijven, en hun zelfvertrouwen verliezen, terwijl ze ervan overtuigd is dat vrijwel alle kinderen kunnen leren schrijven als de focus in de les op de inhoud ligt.
Ze licht dat toe met een voorbeeld uit een les verhalen schrijven die ze gaf aan een groep 7/8. Na tien minuten lichtte ze het begin van een van de verhalen uit op het digibord voor een klassikale bespreking. ‘Ik zie al wat er niet klopt aan deze tekst’, reageerde een leerling ad rem. “Hij doelde op de spelfouten die meteen in het oog sprongen”, zegt De Lint. Het illustreert waar het bij veel docenten mis gaat in het schrijfonderwijs: de nadruk ligt op de vorm en de grammatica, en niet op de inhoud. “Er stonden inderdaad fouten in de tekst, maar inhoudelijk was het spannend: de klas zat ademloos te luisteren.” De Lint geeft daarom soms twee cijfers bij schrijfopdrachten: een voor de inhoud en een voor de spelling en interpunctie.
Genrebewustzijn
Leerkrachten besteden vaak veel tijd aan de eisen die aan een schrijfopdracht worden gesteld. “De aandacht is dan vooral gericht op lengte, spelling en interpunctie en een opbouw van inleiding-kern-slot. Dat zijn criteria die los staan van de inhoud. Daarvan leren kinderen niet beter schrijven.” Hoe dan wel? “Ze moeten leren wat een tekst inhoudelijk goed maakt.”
De Lint studeerde communicatiewetenschappen en journalistiek en ging daarna naar de pabo. Tijdens haar stage op een internationale basisschool maakte ze kennis met de ‘genredidactiek’ en dat maakte indruk. “Ik zag hoe goed kinderen leerden schrijven en hoe gemotiveerd ze waren.”
De genredidactiek gaat uit van drie hoofdgenres: verhalende (zoals een vertelling of spannend verhaal), feitelijke (zoals een historisch verslag of procedure) en waarderende genres (zoals een betoog of beschouwing). “Een verhaal zit anders in elkaar en heeft andere kenmerken dan een historisch verslag”, legt ze uit.
Met voorbeeldteksten krijgen kinderen de verschillende tekstkenmerken aangeleerd. Zoals dat het taalgebruik bij feitelijke teksten objectief is: ‘In de negentiende eeuw werd de stoommachine uitgevonden.’ Bij een verhalende tekst is het taalgebruik beeldend: ‘Een ijzige wind sneed langs zijn gezicht, terwijl hij in gedachten verzonken naar school liep.’ Door voorbeeldteksten klassikaal te lezen en te bespreken, kun je ze ook gebruiken als instructievorm. “Focus daarbij op datgene wat je terug wil zien in de teksten van de kinderen.”
Denk hardop
“Schrijven is best een moeilijke vaardigheid, omdat je aan veel dingen tegelijk moet denken. Je moet dat stap voor stap opbouwen. Begin eerst met vertellen en schrijf dan op wat je hebt verteld. Dat kan in de vorm van een taalronde. Dat is een leuke en laagdrempelige werkvorm om tot schrijven te komen.”
De Lint raadt iedere leerkracht aan: “Voer de opdracht die je wilt geven eerst zelf uit. Zijn de criteria die je meegeeft behulpzaam of kan het duidelijker? Doe het schrijven ook voor. Laat zien hoe jij zou beginnen. Denk hardop na over wat je gaat schrijven, en geef aan welke afwegingen je maakt: ‘Ik vind dit beter, want…’. Laat kinderen merken dat jij ook zoekt naar wat het beste en duidelijkste klinkt. Nodig kinderen uit om met je mee te denken. Juist dat nadenken over wat je opschrijft, is wat kinderen moeten leren.”
Schrijven kan volgens De Lint niet zonder praten over teksten en voorbeelden. “Het is een misvatting te denken dat voorbeelden averechts werken, omdat kinderen ze overschrijven. Het geeft niet als kinderen zinnen uit een voorbeeld kopiëren. Het kan geblokkeerde schrijvers over een drempel helpen. Bedenk ook dat het doel niet het ‘af’ krijgen van een opdracht is. Het gaat om het ontwikkelen van schrijfvaardigheid.”
Ook over succescriteria bestaan misvattingen. “Een verhaal wordt niet spannender door het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden. Laat kinderen maar eens een tekst vol bijvoeglijke naamwoorden zetten, als oefening om ze het effect te laten ervaren. In plaats van spannend wordt het lachwekkend. Je creëert spanning door met detail te beschrijven wat er gebeurt. Om dat kwartje te laten vallen, is het nodig om meerdere voorbeelden samen te lezen en te bespreken.”
Petra de Lint schreef samen met Suzanne van Norden het boek ‘Wat een goede tekst! Gids voor schrijven van tien genres voor het basisonderwijs’