- blad nr 6
- 25-3-2000
- auteur R. Voorwinden
- Redactioneel
Goede leraren, goede methoden en goed management
Bestrijding van achterstanden is eigenlijk heel simpel
om zestien zwarte scholen intensief te begeleiden heeft een lawine aan aanvullende of vervangende ideeën opgeleverd. Van verlaging van de leerplicht tot het instellen van aparte taalklasjes voor allochtone kleuters. Het is echter al lang bekend welke maatregelen wel en niet werken bij de bestrijding van onderwijsachterstanden. Een overzicht en een conclusie.
Spreiding van allochtone leerlingen
Allochtone kinderen pikken veel op van hun witte klasgenootjes en dat is gunstig voor hun onderwijsprestaties. Dus moet je er als school, zo denken sommigen, voor zorgen dat er witte klasgenootjes zijn. En moet je het ontstaan van geheel zwarte scholen voorkomen. Daartoe moeten de allochtone leerlingen met zachte of harde hand worden gespreid over de witte basisscholen in de buurt.
Dit idee heeft de charme van de eenvoud. De ervaringen, onder andere in Gouda, laten echter zien dat een dergelijke spreiding uiteindelijk altijd spaak loopt. Want zolang het aantal allochtone leerlingen op een school onder de tien tot vijftien procent blijft, is die school best bereid om wat extra zwarte kinderen toe te laten. Maar als het percentage allochtonen te hoog wordt, dreigt de vlucht van witte leerlingen op gang te komen en gooien de scholen snel hun deuren dicht.
Voorschoolse opvang
Kinderen die thuis geen Nederlands spreken, moeten op peuterspeelzalen en crèches in onze taal worden bijgespijkerd, zo meldde staatssecretaris Adelmund. Een prima idee, want de eerste drie levensjaren van een kind vormen de basis voor de ontwikkeling van de taal. Komt het kind in die periode alleen in aanraking met de thuistaal, dan begint het aan de basisschool met een hopeloze achterstand.
Met voor- en vroegschoolse educatie kan die achterstand al van tevoren worden verminderd. Volgens de onderwijsinspectie zijn er van sommige programma1s, zoals Kaleidoskoop en Piramide, duidelijk positieve effecten vastgesteld. Ook het Amsterdamse Capabel-project meldt resultaten. Bij dat laatste project komen allochtone ouders regelmatig naar het buurtcentrum, waar zij gestimuleerd worden om educatieve spelletjes met hun kinderen te doen, zoals puzzelen, domino en Memory.
Deelname aan voor- en vroegschoolse educatie is echter altijd vrijwillig en dus afhankelijk van de inzet en goede wil van de ouders. Om die belemmering te omzeilen gaan er af en toe stemmen op voor:
Verlaging van de leerplicht
RVerlaag de leerplicht naar drie jaar1, opperde een geplaagde schooldirecteur. RDan krijg ik de kinderen een jaar eerder en dan kàn ik er nog wat mee.1
Ook hier heeft het idee de charme van de eenvoud, maar is het in de praktijk onwerkbaar. Vooral financieel: de overheid steekt zo1n 8,5 miljard in het basisonderwijs. Dat is - berekend op de achterkant van het bierviltje - ruim een miljard gulden per groep. Een algehele verlaging van de leerplicht betekent een extra groep in de basisschool (groep nul?) en dat kost een miljard gulden. Dat is veel geld.
Bovendien zouden àlle leerlingen profiteren van een algehele verlaging van de leerplicht en niet alleen de achterstandsleerlingen. Dat extra miljard zou zelfs voor 85 procent opgaan aan een extra jaar leerplicht voor witte kinderen die het helemaal niet nodig hebben.
Als alternatieve mogelijkheid wordt wel eens geopperd om de vervroeging van de leerplicht alleen voor allochtonen in te voeren. Het is echter niet sociaal wenselijk om aan allochtonen eisen op te leggen die niet gelden voor autochtone Nederlanders. Trouwens, discriminatie op grond van afkomst is in strijd met artikel 1 van de grondwet.
Aparte taalklasjes
Allochtone peuters die onvoldoende scoren op een taaltest, moeten volgens minister Van Boxtel van Grotesteden- en Minderhedenbeleid in aparte taalklasjes worden geplaatst. Ook in de Tweede Kamer werd gepleit voor extra aandacht voor Rtaal, taal, taal1. Kinderen zouden moeten worden ondergedompeld in het Nederlands.
Als kinderen met een taalachterstand in een apart klasje worden gezet, zit op een zwarte school echter honderd procent van de kinderen in zo1n klasje. En dan is het niet apart meer. De echte discussie is de vraag of je stukjes van vakken mag of moet opofferen om allochtone leerlingen extra Nederlandse les te geven. En dat antwoord is Rliever niet1, want het is maar zeer de vraag of die extra Nederlandse les wat zou opleveren. Volgens F. Mertens, inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie, moeten scholen niet alleen aandacht besteden aan het onderwijs in taal maar ook aan taal in het onderwijs. Want bij andere vakken, zoals wereldoriëntatie, pikken de kinderen ook veel talenkennis op.
Dat het in de Nederlands taal onderdompelen van allochtone kinderen niet per definitie een goed resultaat oplevert, blijkt ook uit de ervaringen met het:
OALT
REr is lange tijd gedacht dat je kinderen die onze taal moeten leren, de hele week Nederlands zou moeten geven1, verklaarde Karin Westerbeek van het Rotterdamse Centrum voor educatieve dienstverlening vorig jaar in Het Onderwijsblad. RDat klinkt misschien logisch, maar is het niet: je kunt ze beter eerst vaardigheden in hun eigen taal bijbrengen.1
Want onderzoek van het centrum toont aan dat Turkse kleuters die af en toe les krijgen in hun eigen taal, beter scoren op toetsen voor Nederlandse taalvaardigheid. Dat effect vergt wel een nauwe afstemming tussen de lessen Turks en Nederlands. Zo krijgen de kleuters tijdens de les in hun eigen taal een thema voorgeschoteld dat een week later terugkomt in de Nederlandse les. Een extra tip: Om een nauwe afstemming tussen de eigen taal en het Nederlands te garanderen, kunnen de oalt-lessen volgens Westerbeek het beste onder schooltijd worden gegeven.
Goede lesmethoden
Bij het bestrijden van onderwijsachterstanden wordt vaak geschermd met grote en dure maatregelen, terwijl achterstandsbestrijding in de praktijk eigenlijk heel eenvoudig is. Want goed onderwijs staat of valt met goede methoden, goede leerkrachten en goed management.
Ten eerste: de methoden. De Volkskrant, die rapporten van de onderwijsinspectie naploos, meldde onlangs dat drie van de tien zwarte scholen slecht taalles geven omdat ze met verouderde lesmethoden werken. Er zijn echter wel goede methoden op de markt en een aantal scholen gebruikt ze ook. Voor de rest van de instellingen geldt: Trek de beurs en schaf nieuwe methoden aan.
Een goed leerlingvolgsysteem
RBij een goede zwarte school moet het systeem van leerlingzorg natuurlijk de sterren van de hemel schieten1, zo verklaarde een onderwijsinspecteur in Het Onderwijsblad. REen school moet de leerlingen volgen in hun ontwikkeling, ingrijpen wanneer het misgaat, handelingsplannen opstellen, de leerstof aanpassen, de vorderingen afstemmen en evalueren. Dat is nogal wat, maar de praktijk laat zien dat het kan.1
Die ervaring is onder andere opgedaan bij het Rotterdamse Kea-project (Kleinschalig experiment achterstandsbestrijding). Om onderwijsachterstanden snel op het spoor te komen wordt elke nieuwe kleuter die in de combinatiegroep 1/2 instroomt, vier weken lang in een minigroepje geplaatst. Met behulp van een observatielijst brengt de leraar in kaart wat elk kind zelfstandig kan en wat de mogelijke problemen zijn.
Na vier weken wordt elke kleuter besproken en volgt eventueel extra individuele hulp. RAls je problemen meteen aanpakt, is er vaak al veel gewonnen1, verklaarde Gloria Erwich, directeur van de Rotterdamse Agnesschool.
Verder worden de vorderingen van de kleuters twee keer per jaar getoetst, waardoor er - alweer - snel actie kan worden ondernomen als leerlingen achterblijven. En voor de hogere groepen zijn tussendoelen geformuleerd, die precies aangeven wat een leerling per periode van twee weken moet kennen en kunnen. Het systeem werkt, want Kea is een succes.
Goede leraren
Goed onderwijs vergt goede leraren. Dat lijkt een dooddoener van de eerste orde maar is het niet. Want lesgeven op een zwarte school vraagt om extra kennis en vaardigheden die niet iedereen van nature in huis heeft, of van zijn opleiding heeft meegekregen. De leerkrachten van het Kea-project worden daarom intensief begeleid en krijgen dertig klassenconsultaties van een deskundige van de schoolbegeleidingsdienst. Deze let onder andere op de doelmatigheid van de instructie, het effectief gebruik van de leertijd en het klassenmanagement.
Verder wordt er de laatste tijd in de pers nogal wat gesomberd dat leraren te lage verwachtingen van hun allochtone leerlingen zouden hebben. Dat kan voor individuele leraren kloppen en is hen ook niet echt aan te rekenen: als je 95 procent van je kinderen aan het vbo aflevert, reken je er niet meer zo heel erg op dat er ook wel eens een vwo-klantje tussen kan zitten. Daar moeten die leraren zich weer van bewust worden. RLeraren moeten erin geloven dat ook kinderen uit deze buurt goede resultaten kunnen behalen. En er is nog een groep docenten die daarvan overtuigd moet worden1, verklaarde de projectleider van het voorschoolse project Capabel destijds.
Goed onderwijskundig management
RWelke factoren bepalen of een zwarte school goed of slecht is? Allereerst precies dezelfde factoren die bepalen of een witte school goed of slecht is1, zo stelde inspecteur Janssens van de onderwijsinspectie. RGewoon goed management - niets om van je stoel van te vallen.1
En inderdaad: goede leraren die nascholing volgen, de aanschaf van goede lesmethoden en het binnenhalen van kennis die buiten de school is ontwikkeld, staan of vallen met de inzet van een goede directeur. RJe moet zorgen dat het team scherp blijft, dat ze inspelen op veranderingen in de samenleving. En zorgen voor deskundigheidsbevordering1, verklaarde S. Hentzepeter, directeur van een goede zwarte school.
Het geheim van het bestrijden van onderwijsachterstanden is dus eigenlijk heel simpel: goede leraren, goede lesmethoden en goed management. Maar waarom bestaan er dan toch nog slechte zwarte scholen? Waarom zijn er scholen die bestaande kennis buiten de deur houden? Daar zou staatssecretaris Adelmund achter willen komen door zestien scholen intensief te laten begeleiden door een legertje deskundigen.
Dat experiment is echter helemaal niet nodig, want al lang is bekend waarom scholen vernieuwingen of verbeteringen tegenhouden. Dat komt door het not invented here-syndroom: de nieuwe inzichten komen van buiten, of nog erger: van boven, en kunnen dus niks wezen.
Op scholen waar het invoeren van vernieuwingen wèl lukt speelt de directeur of bovenschoolse manager een cruciale rol. Om het onderwijs op zwarte scholen te verbeteren zou het ondersteunen van de directies dan ook veel meer resultaat kunnen opleveren dan een beperkt experiment met zestien scholen.
Maar dan moeten die directies die ondersteuning wel willen, en daar zit hem de crux. Want de noodzaak tot verbeteringen was er tot voor kort niet, omdat de kwaliteitsverschillen tussen scholen toegedekt bleven. Een directeur kon met droge ogen volhouden - en desgewenst met heel zijn hart geloven - dat zijn school het helemaal niet zo slecht deed en het maximale haalde uit een groep moeilijke leerlingen.
Nu de resultaten van scholen steeds meer in de openbaarheid komen, onder andere doordat de inspectie met het integraal schooltoezicht alle instellingen binnenstebuiten aan het keren is, zullen de verschillen tussen scholen steeds duidelijker worden. En zal de behoefte aan ondersteuning bij directies steeds groter worden, want niemand wil onder aan de lijstjes in kranten en keuzegidsen bungelen.
En dus zou er een instantie moeten zijn waar die directies terechtkunnen met hun vragen. Ook dat wiel is al eens een keer uitgevonden, want opperde de onderwijsinspectie vorig jaar niet het idee om een soort RMckinsey1 voor zwarte scholen in te stellen? Een bureau waar directeuren kunnen aankloppen met al hun vragen over het verbeteren van onderwijs aan achterstandskinderen. Dat heeft veel meer effect dan een experimentje met zestien scholen.