• blad nr 10
  • 1-12-2023
  • auteur L. Douma 
  • Redactioneel

 

Voor wiens rekening komen ‘lullige taakjes’?

Kom jij 10 minuten eerder op je werk? De rechter heeft bepaald dat een telecombedrijf die tijd moet uitbetalen. Hoe is dat in het onderwijs geregeld? Alle ‘sprokkeltijd’ moet zijn vastgelegd in het werkverdelingsplan. Dit gebeurt nauwelijks. Pauzes verdampen.

Een voormalig werknemer van het callcenter Teleperformance was jarenlang 10 minuten voor zijn dienst aanwezig. Die tijd moest hij gebruiken om systemen op te starten zodat hij kon beginnen met bellen zodra de lijnen opengingen. Vorig jaar wilde de werknemer die dagelijkse 10 minuten uitbetaald krijgen. Hij was sinds 2016 in dienst en had uitgerekend dat het om ongeveer 1600 euro ging. Teleperformance weigerde uit te keren, waarop de werknemer naar de kantonrechter stapte. Die gaf hem gelijk. De geclaimde 1600 euro werd 2900 euro, omdat de rechter ook vakantiegeld, wettelijke verhoging en incassokosten meerekende. Teleperformance ging in hoger beroep, maar ook de rechtbank Den Haag gaf de callcentermedewerker gelijk. Teleperformance legt zich daar niet bij neer en is daarom in cassatie gegaan bij de Hoge Raad een rechtsgang die heel lang kan duren. Als de hoogste rechter de werknemer ook in het gelijk stelt, kunnen ook andere werknemers hun voorbereidingstijd terugvorderen. De oud-werknemer wordt financieel en juridisch bijgestaan door de FNV.

Urenregistratie
Een parallel met het onderwijs lijkt snel getrokken. Geen enkele basisschoolleerkracht zal pas om 08.30 uur als de lessen beginnen het lokaal in komen snellen. “Helaas is deze zaak niet een-op-een naar het onderwijs te vertalen”, vertelt AOb-advocaat Geert Wind. “Het grote verschil tussen dat callcenter en het onderwijs is dat je op het moment dat je inlogt, registreert dat je aan het werk bent. Terwijl in het onderwijs geen sprake is van urenregistratie, daar hebben we het werkverdelingsplan, een black box waar alle taken in gegooid worden.”
“Op veel scholen moet het personeel vanaf 08.15 uur aanwezig zijn voor pleinwacht of inloop”, weet AOb-consulent Esther van Es, die workshops geeft over het werkverdelingsplan. “Dit is geen lestijd, dus moet het ergens anders worden afgeschreven. Dat moet het team doen in het werkverdelingsplan. Maar er zijn directeuren die de inloop of pleinwacht niet als werktijd rekenen. Terwijl je dat ene kwartiertje niet even naar de Hema kunt lopen.”
Als je niet even naar de Hema kunt lopen, is het werktijd. “Hoewel het geen lestijd is, is het wel heel functionele werktijd”, specificeert Van Es. “Dat kwartiertje bij de deur om je leerlingen te groeten, maakt dat je de lesdag rustig kunt beginnen, omdat je elke leerling even gezien hebt.”

Lunch
Het hete hangijzer is de pauze. Na 5,5 uur werken heb je volgens de Arbeidstijdenwet recht op minimaal een half uur pauze of twee keer een kwartier pauze. En als de werkdag al om 08.15 uur is begonnen, komen scholen daarmee in de knel zeker als er een continurooster is.
Dus moffelen werkgevers dat ene kwartiertje graag weg. Bij een fulltimebaan gaat het om vijf kwartier per week. Dat tikt wel aan. “Daarom is het van belang dat de voorbereidingstijd wordt meegenomen in de opslagfactor”, vindt Van Es. In de opslagfactor, de tijd die in het werkverdelingsplan wordt toegeschreven aan bijkomende werkzaamheden die je nodig hebt om les te kunnen geven, wordt ‘sprokkeltijd’ vrijwel nooit opgenomen. “Er zijn basisscholen met een opslagfactor van maar 35 procent. Is dat op jouw school zo? Dan is alle voorbereidingstijd vrijwel zeker op jouw conto”, vertelt Van Es.
Wat kun je daar aan doen? “Je moet dat als team goed afspreken in het werkverdelingsplan. Gooi het gesprek open.” Dat dit ingewikkeld is, erkent ze meteen. Dat veel leerkrachten niet binnen 5,5 uur pauze hebben, wordt vaak schouderophalend geaccepteerd. Hoe los je het anders op met een continurooster? “Sommige schooldirecteuren denken dat ze precies binnen de Arbeidstijdenwet blijven met een continurooster van 08.30 tot 14.00 uur zonder tussentijdse pauzes”, zegt van Es. “Maar dat is niet het geval, want leerkrachten staan dat kwartier eerder dus al bij de deur.” Wie dat aankaart bij de directeur of in de mr is al snel de risee van het team. “Er wordt dan gedaan van ‘zij doet moeilijk omdat ze haar recht opeist’. Dat vind ik niet oké.”
Van Es ziet een oplossing in een continurooster van 08.15 tot 13.15 uur, met twee fruitmomenten. Kinderen kunnen dan thuis lunchen. En dan nog steeds blijven er andere taken over die geen plek hebben in de opslagfactor. Van Es somt op: “De schoonmaak is duur, dus wordt vaker een taak van de leerkracht. In groep 8 kun je je leerlingen ook inschakelen, maar in de kleutergroep lukt dat echt niet. Of elke dag de stoelen op tafel zetten: geen grote klus, maar het kost wel tijd. Heel plat gezegd: lullige taakjes, die toch echt gedaan moeten worden, komen vaak voor rekening van de leerkracht.”
De AOb heeft in het verleden wel geprocedeerd voor een leerkracht die structureel meer uren werkte dan de opslagfactor, maar dat liep op niets uit. “Het is heel moeilijk om alle uren die je extra werkt te kwalificeren en met name te kwantificeren én daar een claim uit te halen”, zegt advocaat Geert Wind. “Dan moet je een fiks dossier opbouwen waarin je lange tijd al je taken zo concreet en waarheidsgetrouw mogelijk bijhoudt en de uren die je daaraan besteedt. Dat gebeurt eigenlijk niet.” Een zaak á la het callcenter aan het begin van dit stuk zit nu niet in de pijplijn. Kom je er niet uit met je werkgever? “Probeer vooral medestanders in je team te vinden, vlieg het collectief breed aan, bijvoorbeeld via de mr”, tipt Wind. En uren-registeren dus, als je wel een claim overweegt.

Werkverdelingsplan, opslagfactor, normjaartaak? Check jouw cao op aob.nl

Lees ook het bericht ‘Mag mijn werkgever de pauzetijden aanpassen?’ elders in dit nummer.

{kader}
Opslagfactor
De niet-lesgebonden uren worden in het werkverdelingsplan (po) of jouw normjaartaak (vo) uitgedrukt in een opslagfactor. De opslagfactor wordt in het primair onderwijs vastgesteld tussen 35 en 45 procent van de lesuren. In het voortgezet onderwijs is de opslagfactor vaak 60 tot 70 procent. Wat wel en niet onder een opslagfactor valt, wordt bepaald door het team en verschilt per bestuur en soms zelfs per school. Hierover worden afspraken gemaakt met de personeelsgeleding in de (g)mr.

Dit bericht delen:

© 2024 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.