• blad nr 7
  • 1-9-2023
  • auteur B. Ros 
  • Redactioneel

 

Neerwaartse spiraal bedreigt talenvakken

De talenstudies trekken steeds minder studenten. Dat geldt niet alleen voor Frans en Duits, maar ook voor het kernvak Nederlands. Als niemand meer een taal studeert droogt de aanwas van nieuwe leraren op. “Het is echt crisis nu.”

Zomaar drie signalen. In 2019 schafte de Vrije Universiteit haar opleiding Nederlands af. In 2020 besloot het Lorentz Lyceum in Arnhem op vwo niet langer Duits aan te bieden als eindexamenvak. En voorjaar 2023 nam minister Robbert Dijkgraaf het advies van de Nationale Commissie Sectorplannen over om toe te werken naar een ‘gezamenlijk landelijk (bachelor)programma per taal voor de tekortvakken Frans en Duits’. Eenzelfde advies voor de tanende opleidingen Nederlands legde hij vooralsnog naast zich neer.
Deze talen zijn inderdaad notoire tekortvakken. Volgens de laatste trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren van het ministerie van Onderwijs zal het lerarentekort voor Frans in 2032 verdubbeld zijn, voor Duits groeit het tekort met 50 procent en voor Nederlands lijkt het tekort na 2027 iets te slinken, maar omdat dit vak verplicht is voor alle leerlingen zal dit volgens de onderzoekers in absolute aantallen toch een groot probleem blijven.

Noodverbandjes
Nu zijn er meer schoolvakken met tekorten. Wat de situatie bij de talen penibel maakt, is de sterk slinkende aandacht voor een talenstudie. En als niemand meer een taal gaat studeren, droogt de aanwas van nieuwe leraren op. “We zijn wederzijds afhankelijk”, zegt Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en Academische communicatie aan de Radboud Universiteit. “Het is echt crisis nu. Ik sprak een lerares Nederlands uit Rotterdam die twee vwo-klassen bij elkaar had gezet en in het lokaal ernaast ook nog een havo-klas draaiende moest houden. Dat is niet te doen.”
Robert Chamalaun, leraar Nederlands op gymnasium Bernrode in Heeswijk-Dinther en voorzitter van de sectie Nederlands van Levende Talen, beaamt dat. “Er is een schrijnend tekort aan leraren Nederlands. Begin juli waren er ruim 350 vacatures. Terwijl scholen normaliter rond die tijd hun formatie rond hebben.”
Die tekorten zijn allang voorspeld, maar Chamalaun heeft de overheid nog niet weten te betrappen op krachtig beleid. “Het hangt van noodverbandjes aan elkaar. We dringen in gesprekken met het ministerie keer op keer aan op constructief en coherent beleid.”
Het samenvoegen van vijf universitaire opleidingen tot één landelijke, zoals nu bij Frans en Duits gebeurt, valt niet onder constructief beleid, vindt Van Oostendorp. “Daarmee geef je juist het signaal af dat de talen kennelijk onbelangrijk zijn. En dat trekt het prestige van het leraarschap in die vakken verder naar beneden.”
Kees van Eunen, gepensioneerd leraar Duits en lid van de sectie Duits van Levende Talen spreekt van een veeg teken: “Als je opleidingen samenvoegt, weet je zeker dat er nog minder studenten en dus minder leraren komen dan nu. Dit is een neerwaartse spiraal.”
Charlotte Goulmy, leraar Frans op de Vavo Deventer, stelt bij de overheid totale desinteresse in de talen vast. “Ik heb ooit al eens tegen de Tweede Kamercommissie voor Onderwijs gezegd: Schaf die vakken gewoon af als jullie ze niet serieus nemen. Dat heb ik liever dan dat doorrommelen en dat schijnheilige gepraat over het belang van onze talen spreken.”

Contacturen
Levende Talen heeft dit voorjaar bij de overheid aangedrongen op een soortgelijke promotiecampagne als ‘Kies Exact in de jaren tachtig. Nu onder de noemer ‘Kies een Taal’. Van Eunen en mede-sectielid Stijn Heusschen, adjunct-directeur vwo bij het Merlet College in Cuijk, spitsen dit graag nog wat verder toe: Kies een Buurtaal.
Eind april stuurden ze, naar aanleiding van de samenvoeging van de opleidingen Duits en Frans, vanuit de Visiegroep Buurtalen een brandbrief naar het ministerie van Onderwijs met aanbevelingen om de positie van Duits en Frans op scholen te verbeteren. Zo vragen ze om een garantie dat alle leerlingen op vmbo, havo en vwo Frans en Duits kunnen kiezen, ongeacht hun profielkeuze. Veel vertrouwen dat dit gehonoreerd wordt, hebben ze niet. “De focus van de politiek is daar niet op gericht”, stelt ook Heusschen vast. Van Eunen kan zich daar behoorlijk kwaad over maken: “Duitsland is de grootste handelspartner van Nederland. Het is echt van de gekke dat je de taal van de directe buren niet spreekt. Het is economisch uiterst onverstandig om onze buurtalen te laten verkommeren.” Van Eunen weet te vertellen dat de ambassadeurs van Frankrijk en Duitsland half juli hun zorgen hierover hebben geuit in een gesprek met Dijkgraaf. “Die luistert serieus, maar legt zich natuurlijk niet vast. Toch hoop ik dat zo steeds meer doorsijpelt dat er iets niet goed gaat.”
Een andere aanbeveling is dat de overheid scholen verplicht om voldoende contacturen voor beide talen aan te bieden. Op dit moment ligt daarover niets vast en dat betekent in de praktijk dat de talen er vaak bekaaid vanaf komen. “Het is echt verschrikkelijk”, zegt Goulmy. “Soms staat er maar één lesuur op het rooster. Dat is te weinig om het vak leuk en interessant te maken voor leerlingen. Soms hoor ik over leerlingen die een heel jaar geen les kregen, maar wel examen moeten doen. Zelfstudie; dan kun je er net zo goed mee ophouden.”
Zelfs voor Nederlands geldt geen verplicht aantal basisuren. “Je zou als overheid ook kunnen zeggen: Nederlands is onze landstaal en op alle schoolniveaus een kernvak, laten we dat borgen door een minimumaantal uren op de lessentabel te zetten”, zegt Chamalaun. “Dat zal op korte termijn leiden tot een groter lerarentekort, maar op lange termijn tot vermindering daarvan. Want zo wordt het vak interessanter voor leerlingen.” De reactie van het ministerie is altijd hetzelfde: jullie vinden je vak belangrijk, maar dat vinden andere vakken ook. Een non-argument, vindt Chamalaun. “Het is een politieke keuze.”

Interessanter vak
De overheid moet voorwaarden scheppen, maar de leraren hebben, zo stellen alle geïnterviewden, zelf ook een verantwoordelijkheid, namelijk om hun vak interessanter te maken. Zowel bij Nederlands als Frans en Duits draait het te veel om losse vaardigheden en is de vakinhoud ver uit zicht geraakt. “Bij Frans en Duits wordt er nogal eens vrij ouderwets lesgegeven”, signaleert Van Eunen. “Bij Duits bijvoorbeeld altijd maar weer die naamvallen. Dat is helemaal niet nodig.” Heusschen vult aan: “Dat komt mede door de lesmethodes. Die blijven in de grammatica hangen en besteden nauwelijks aandacht aan cultuur en spreekvaardigheid.” Terwijl het zoveel leuker kan, weten beiden. Live contact met leeftijdgenoten uit het buitenland bijvoorbeeld. Literatuur- en cultuurlessen, inhaken op de actualiteit. “Een taal is zoveel meer dan rijtjes stampen”, zegt Goulmy. “Kijk films, laat ze Franse liedjes zingen, schrijf knallende brieven, betrek ze bij de actualiteit van het land. Er kan zo veel.”
“Leerlingen vinden Nederlands saai”, zegt Van Oostendorp. “Ze hebben het idee dat ze alleen maar trucjes aangeleerd krijgen. Dat is geen vak dat je wilt gaan studeren.” Chamalaun zucht. Dat hardnekkige beeld van saaiheid en trucjes zou hij graag eens van tafel vegen. “Hoe leuk ons vak is, staat of valt met de persoon voor de klas.” En ja, hij weet dat veel van zijn collega’s hun oren laten hangen naar het centraal schriftelijk en dus voornamelijk aandacht besteden aan tekstverklaren. “Maar dan maak je als leraar de verkeerde keuze. Leraren die zes jaar bezig zijn met signaalwoorden drillen, die verpesten het vak en hun eigen werkplezier.”
Er gloort wel hoop aan de horizon. Enige jaren geleden bepleitten de Meesterschapsteams Nederlands en moderne vreemde talen al dat de band tussen de academische talenstudie en het schoolvak steviger moet worden en dat vakinhoud weer centraal zou moeten komen te staan. Dan ook krijgen leerlingen een reëel beeld van wat het vak inhoudt. De vakvernieuwingscommissies van leraren en vakexperts die onder aanvoering van de Stichting Leerplanontwikkeling werken aan nieuwe kerndoelen en eindtermen lijken daar goed naar te luisteren. Er zou meer aandacht komen voor literatuur en taalbeschouwing, en voor vaardigheden in samenhang. “Dat biedt volop kansen om leraren weer te inspireren”, denkt Chamalaun. “We moeten weer de ambassadeurs van ons vak worden.”

Meer geld
Leraren zijn zelf dus ook aan zet om de crisis in de talenvakken te bezweren. Maar alleen kunnen ze dat niet. “Ze moeten meer tijd krijgen om hun lessen voor te bereiden”, stelt Van Oostendorp. “Alleen zo kun je je vak aantrekkelijker maken en leerlingen meetrekken.” Dus overheid, graag meer geld voor leraren.
Daarnaast mogen ook schoolbesturen aan de bak. Van Oostendorp wijst op een onderzoekje door lerarenopleiders van Fontys naar personeelsadvertenties voor leraren. “Daaruit blijkt dat scholen weinig tot niets doen om een functie aantrekkelijk te maken. Ze steken steevast in op de laagste schaal in en zeggen niets over mogelijkheden voor bijscholing.”
Chamalaun weet er alles van. “We zien nog te vaak een concurrentiestrijd, waarbij eerstegraders naar een andere school vertrekken omdat ze daar wel salarisschaal lc of ld krijgen. Dus schoolbesturen, betaal je leraren naar behoren.”
Als iedere partij de handschoen oppakt, valt er wellicht een positieve slinger te geven aan deze talencrisis. Een overheid die talen serieus neemt en er geld en uren voor uit wil trekken, schoolbesturen die hun talenleraren koesteren en leraren die enthousiasmerend lesgeven. Zodat er weer interesse ontstaat voor een talenstudie en de volgende generatie talenleraren in de startblokken staan.

Dit bericht delen:

© 2024 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.