• blad nr 8
  • 1-9-2022
  • auteur M. Lucassen 
  • Redactioneel

 

Groeifonds geeft techbedrijven vrij spel

Met bijna 600 miljoen euro uit het Groeifonds wil de overheid digitaal onderwijs stimuleren. Strikte eisen aan de grote techbedrijven blijven achterwege. Naast Apple, Google en Microsoft sluipt ook Amazon de scholen binnen.

Rianne Letschert, rector magnificus van de Universiteit Maastricht, laat zich niet snel op het verkeerde been zetten. Als bestuurslid van de landelijke Commissie Groeifonds zet ze innovatiegeld in voor onderwijs en ‘een leven lang ontwikkelen’.
Bij de toegekende onderwijsbudgetten signaleert team-Letschert het risico van versnippering, onduidelijkheid en een wildgroei aan organisaties en projecten. Dat bij zelfregulering niet iedereen mee hoeft te doen is ook een gevaar. Er klinkt dan ook twijfel in de toekenning aan het project ‘Digitaal onderwijs goed geregeld’ voor primair en voortgezet onderwijs. Het kabinet krijgt het advies ‘dat de mogelijkheid van overheidsregulering op dit terrein wordt onderzocht om de te maken afspraken op termijn dwingend vast te kunnen leggen’. Ofwel: kabinet, houd een stok achter de deur als sommige techbedrijven hun eigen weg gaan, buiten de gezamenlijke afspraken om.

Versleuteld
Nu al beschermt de privacywetgeving persoonsgegevens van leerlingen en personeel. Data uit de school mogen in geen geval buiten de Europese Unie worden opgeslagen. De werkelijkheid is weerbarstiger. Opslag buiten Europa was jarenlang standaard en bij sommige toepassingen kan het nog steeds. Erger: Apple, Google en Microsoft kunnen altijd door de Amerikaanse opsporingsautoriteiten worden gedwongen om gegevens van Europese gebruikers af te geven. En als die gegevens onvoldoende zijn versleuteld, liggen het personeelsdossier van leraar Achmed of de medische informatie over leerling Fleur op een plek waar ze niet horen.
In Denemarken dreigen inmiddels boetes als scholen Google Workspace for Education blijven gebruiken, omdat het datalek in deze software niet volledig te dichten valt. De Nederlandse overheid en de toezichthouder Autoriteit Persoonsgegevens houden het op dringend advies en ondersteuning.
Om de diensten van Big Tech zo veilig mogelijk te gebruiken, moet elke school de eigen ict-omgeving strikter inrichten dan de basisconfiguratie. Voor Microsoft Office zijn volgens de uitleg bij het laatste Data Protection Impact Assessment (DPIA) achttien maatregelen nodig, waaronder ‘Stel een beleid op om te voorkomen dat bestandsnamen en bestandspaden persoonsgegevens bevatten’. Een bestandsnaam als ResultatenHarryJansen1b.xlsx is dus niet toegestaan.
De educatieve omgeving van Google temmen is al net zo ingewikkeld, met bijzondere gevolgen: zo is inloggen op YouTube niet mogelijk met een onderwijsaccount, aangezien eigenaar Google met die video’s alleen geld kan verdienen met advertenties die gericht zijn op persoonlijke kenmerken van de gebruikers. Het is een privacylek waar de gemiddelde kijker zich bij neerlegt, maar dat scholen niet mogen activeren in de klas. En Apple? Naar het educatieve platform voor iPads en MacBooks is in Nederland geen DPIA uitgevoerd.
Naast deze reuzen opereren tientallen kleinere bedrijven in het Nederlands onderwijs. Zij moeten op eigen kracht voldoen aan de privacy en veiligheidsvoorschriften, ook als ze voor hun technologie leunen op de internationale grootmachten. Belangrijk wapenfeit van de sector is het collectieve identificatiemiddel ECK iD. Dat is een soort burgerservicenummer voor de ‘educatieve contentketen’ met minimale uitwisseling van persoonsgegevens van de leerling. Uitgevers, distributeurs en digitale dienstverleners doen mee, Big Tech niet.

Hippe tools
De zorgen over de greep van buitenlandse technologiebedrijven op het Nederlands onderwijs houden aan. Wat gaat het groeifondsproject ‘Digitaal onderwijs goed geregeld’ verbeteren met de aangevraagde 34 miljoen euro? Is het hoger onderwijs goed op weg met het eigen project ‘Digitaliseringsimpuls NL’ waar de komende jaren 560 miljoen in gaat zitten? Wat merken leraren en leerlingen van deze projecten? En waarom is het mbo onderdeel van beide projecten? Op deze logische vragen blijkt het antwoord lastig te vinden. De betrokken organisaties weten het nog niet, hebben nog van alles in onderzoek, of verwijzen naar anderen.
Intussen gaan veel scholen hun eigen weg. “We hebben te vaak gezien dat de vraag naar privacy pas aan de orde kwam als de nieuwe hippe tools zoals Prezi al in gebruik waren genomen”, zegt Ramon Moorlag, voorzitter van de vereniging van informaticadocenten I&I. “Maar als je eenmaal gegevens hebt afgestaan, kun je dat niet meer terugdraaien, gedeeld is gedeeld. De ambitie van de groeifondsprojecten is duidelijk een inhaalslag te maken en dat is hard nodig.”

Cijfers overtikken
In po, vo en mbo belooft het groeifondsproject privacy, betrouwbaarheid, een gelijk speelveld en continuïteit, of het nu gaat om platforms voor lesmateriaal of leerlingvolgsystemen. Denk voor het basisidee aan Eduroam, de internationale netwerktoegang voor het hoger onderwijs waarbij het niet uitmaakt of een student inlogt in Rotterdam, Buenos Aires, Shanghai of Bangalore. Fantaseer voor de uitwerking over een moeiteloze samenwerking tussen alle digitale leermiddelen en leerlingvolgsystemen, zodat het nooit meer nodig is cijfers over te tikken of te kopiëren van de ene toepassing naar de andere.
“Maar wij gaan zulke zaken niet bouwen”, tempert projectleider Mariane ter Veen direct de verwachtingen. “We werken aan een zachte infrastructuur; afspraken zodat digitale leermiddelen die altijd functioneren en probleemloos te gebruiken zijn. Het schoolteam moet bijvoorbeeld eenvoudiger nieuwe leermiddelen kunnen aanschaffen, de leraar zal minder tijd nodig hebben om leerlingen te helpen met inloggen. Wat het aanbod precies wordt, hangt af van de vraag van de scholen en wat de markt daarmee gaat doen.”
Ter Veen werkt voor Edu-V, dat het groeifondsproject voor po, vo en mbo de komende negen jaar tot wasdom moet brengen. “We willen doen waar het onderwijs op zit te wachten. Dus iedereen in het onderwijs met een meer dan gemiddelde belangstelling voor dit onderwerp kan zich aanmelden voor onze klankbordgroepen.”
De leerlingen en leerkrachten van nu zullen nog even geduld moeten hebben. Op basis van de bevindingen van de klankbordgroepen komen er pilots, kleinschalige proefprojecten op scholen. Het samenwerkingsverband Edu-K en de scholenkoepels doen mee, maar waar zijn de grote Amerikaanse techbedrijven? Alleen Microsoft is indirect vertegenwoordigd als lid van de bedrijvenvereniging VDOD. Vooralsnog is van Google en Apple geen spoor te bekennen, terwijl hun toepassingen en producten dagelijks worden gebruikt in de lokalen. Komt nog wel, denkt Ter Veen: “Bij het open stelsel kan straks iedereen zich aansluiten en dat maakt het aantrekkelijk. Vergelijk het maar met iDeal voor online betalingen. Geen enkele bank wil zoiets op eigen houtje opzetten, het is voordeliger om het samen te doen.”

Scheurtje
De nieuwe projecten borduren voort op bestaande afspraken en structuren rond digitaal lesmateriaal, leerlingvolgsystemen, digiborden en dergelijke. Bekende partijen als Surf en Kennisnet doen mee aan de ontwikkeling, waarbij het ministerie van OCW erop rekent dat schoolbesturen zich aansluiten bij ict-coöperatie Sivon voor po en vo. En daar doemt het eerste scheurtje in het fundament al op: Sivon is geen deelnemer in het groeifondsproject en wil er voor dit artikel niet over spreken. Kennisnet laat de woordvoering over aan Edu-V. Surf was niet in staat voor de afronding van dit nummer uitleg te geven over hun inzet.
Wat de beoogde digitale infrastructuur in het hoger onderwijs verandert voor studenten, docenten en hoogleraren blijft daardoor gissen op basis van de projectbeschrijving. Die vermeldt de inrichting van ‘transformatiehubs’ en Centers for Teaching and Learning bij 113 instellingen. De bal ligt daarmee bij het onderwijzend personeel, dat advies en training zal krijgen over het gebruik van digitale voorzieningen en de inrichting van leeromgevingen zonder zorgen voor de eigen privacy en die van studenten.
Dat kan slimmer, schrijven wetenschappers José van Dijck en Niels Kerssens in het wetenschappelijke tijdschrift Harvard Educational Review. Zij wijzen erop dat de opmars van slimme platforms als Snappet en Gynzy grote invloed heeft op de werkwijze in de klas: de kleuren en cijfers op het dashboard sturen zowel de leraar als de leerling, maar wie controleert het algoritme? Daar zou een Pedagogisch Impact Assessment voor moeten komen, suggereren Van Dijck en Kerssens, zodat scholen beter weten waar ze aan beginnen. Al even belangrijk is wetgeving: in de volledig geprivatiseerde digitale omgeving van Big Tech hebben scholen, leraren en leerlingen te weinig bescherming tegen zakelijke belangen. Van Dijck heeft het in het Onderwijsblad al vaker gezegd: zie onderwijs niet alleen als een markt, het is een publieke voorziening.

{kader}
Ook Amazon harkt data binnen
Naast de grootmachten Apple, Google en Microsoft is ook het Amerikaanse Amazon al jaren actief in de Nederlandse onderwijsmarkt. Dat is niet meteen zichtbaar voor leraren en leerlingen, want Amazon beperkt zich tot dienstverlening op de achtergrond, waarin het bedrijf wereldwijd marktleider is. Goedkope en slimme opslagcapaciteit is van groot belang voor leerlingvolgsystemen en digitaal lesmateriaal, zeker als daar video aan te pas komt.
In de kleine lettertjes bij digitale educatieve producten moet terug te vinden zijn met welke cloudaanbieders wordt gewerkt. Snappet bijvoorbeeld gebruikt Amazon Web Services, de vestiging in Luxemburg. Concurrent Gynzy slaat gegevens op in het Google-datacentrum in de Eemshaven. De gezamenlijke educatieve uitgevers kozen bij Momento en Basispoort voor de Azure cloud van Microsoft, waarvan de computers in Middenmeer staan.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.