• blad nr 3
  • 1-3-2022
  • auteur Y. van de Meent 
  • Redactioneel

 

Onderadvisering: ‘De leerkracht wordt ten onterechte verdacht’

Kinderen van laagopgeleide ouders krijgen in groep 8 een lager schooladvies dan kinderen uit bevoorrechte milieus. Zelfs als ze dezelfde score halen op de eindtoets. De leerkracht zit daardoor in de beklaagdenbank. Onterecht, stelt onderwijseconoom Thomas van Huizen.

De Staat van het onderwijs, het jaarverslag van de Onderwijsinspectie, sloeg in 2016 in als een bom. Dat kinderen van laagopgeleide ouders een veel grotere kans hebben om op het vmbo terecht te komen dan kinderen van hoogopgeleiden, was al veel langer bekend. Maar dat kansarme leerlingen zelfs een lager schooladvies krijgen als ze op de eindtoets in groep 8 dezelfde score hebben als bevoorrechte kinderen, schokte Nederland. Met die constatering zette de inspectie het bestrijden van kansenongelijkheid in één klap hoog op de politieke agenda, maar bracht onbedoeld ook het schooladvies en de leraar die het advies uitbrengt, in diskrediet.
“De leerkracht zit ernaast. Die laat zich leiden door vooroordelen en onderschat de capaciteiten van leerlingen uit de lagere sociaaleconomische klassen. Dat verhaal zie je continu terug in de media”, stelt Thomas van Huizen, universitair hoofddocent onderwijseconomie bij de Universiteit Utrecht. “Het uitgangspunt is dat de eindtoets altijd de waarheid spreekt. Dat is ook de aanname van de Onderwijsinspectie. Als een leerling in het voortgezet onderwijs op een lager niveau terecht komt dan je op grond van de eindtoets zou verwachten, heeft de school iets niet goed gedaan. Als het schooladvies lager is dan de score op de eindtoets aangeeft, is er sprake van onderadvisering. Maar dat klopt niet. De leraar zit er niet per definitie naast, de eindtoets heeft het vaker bij het verkeerde eind.”
Dat blijkt uit de data-analyse die Van Huizen heeft uitgevoerd. Zijn publicatie verscheen in november vorig jaar en heeft al aandacht getrokken: de Onderwijsinspectie en het ministerie van Onderwijs hebben de onderwijseconoom gevraagd een toelichting te komen geven.
Van Huizen paste een methodiek toe die econometristen veel gebruiken om de effecten van overheidsbeleid in kaart te brengen. De Nederlandse Amerikaan Guido Imbens die vorig jaar de Nobelprijs voor economie won, liet zien dat je deze statistische methode ook kunt gebruiken om meetfouten op te sporen. Van Huizen toont met de Imbens-aanpak aan dat de vergroting van de sociale ongelijkheid die wordt toegeschreven aan de vooringenomenheid van leerkrachten grotendeels te wijten is aan toevallige meetfouten in de eindtoets. “Het lijkt alsof het schooladvies de kansenongelijk vergroot, maar dat is een kunstmatig verschijnsel, een statistisch artefact”, aldus de onderwijseconoom.

Uitschieters
Meetfouten in de eindtoets? Dat klinkt alarmerend, maar in elke toets zitten meetfouten, zegt Van Huizen geruststellend. “Bij het maken van een toets kan het mee- en tegenzitten. Je kan je dag niet hebben, de toetsvragen kunnen je net wat minder liggen, je kunt bij meerkeuzevragen wat vaker fout gokken.” Die toevallige factoren zorgen voor eenmalige uitschieters in de scores van individuele kinderen. “Als je kinderen een week later een andere versie van de eindtoets zou laten maken, zullen ze niet precies dezelfde score halen. Door het gemiddelde van meerdere toetsen te gebruiken, neemt de invloed van die toevallige uitschieters af. Zo’n gemiddelde ligt daarom dichter bij de werkelijke capaciteiten van een kind dan de uitslag van een eenmalige toets”, legt de onderwijseconoom uit.
Omdat je kinderen in groep 8 natuurlijk niet meerdere toetsen achter elkaar kunt laten maken en Van Huizen toch wilde uitzoeken hoe die uitschieters doorwerken, heeft hij een simulatie met eerder verzamelde schoolloopbaangegevens uitgevoerd. Hij gebruikte de resultaten van de leerlingvolgsysteem-toetsen begrijpend lezen en rekenen uit groep 8 om de toevallige meetfouten in de eindtoets te corrigeren.
Daarna bleek het met de onderadvisering van kinderen van laagopgeleide ouders reuze mee te vallen. “De verschillen tussen schooladvies en score op de eindtoets blijken voor het grootste deel toe te schrijven aan meetfouten. Bij hoge scores die leiden tot een havo- of vwo-advies zijn de verschillen zelfs nagenoeg verdwenen. Kinderen van laagopgeleide ouders met een hoge score hebben dus evenveel kans op doorstroming naar het hoger onderwijs”, stelt Van Huizen. “Daarmee pleit ik leerkrachten niet helemaal vrij van vooroordelen, maar de rol daarvan wordt heel erg overschat.”

Intuïtie
Dat toevallige meetfouten de belangrijkste bron zijn van de door de inspectie waargenomen onderadvisering, gaat tegen de intuïtie in. Daarom is er tot nu toe ook geen aandacht besteed aan de doorwerking van meetfouten, vermoedt Van Huizen. Maar je ziet het effect als je de resultaten van de voortgangstoetsen en de eindtoets naast elkaar legt. “Bij een gelijke, hoge score op de eindtoets hebben kinderen van laagopgeleide ouders lagere scores op de toetsen uit het leerlingvolgsysteem.”
Dat is logisch, want kansarme kinderen scoren als groep lager op de eindtoets. Daardoor is de kans groot dat een hoge score bij een van hen een eenmalige uitschieter is, legt de onderwijseconoom uit. Leerkrachten zijn natuurlijk geen statistici, maar ze zien die uitschieters ook omdat ze beschikken over de resultaten van voortgangstoetsen. “De eindtoets is een foto, leerkrachten zien de hele film. In het schooladvies corrigeren zij die eenmalige uitschieters.”
Van Huizen heeft data gebruikt uit de periode voordat de volgorde van eindtoets en schooladvies werd omgedraaid. Sinds het schooljaar 2014-2015 wordt de eindtoets na het schooladvies afgenomen. Daardoor is de vertekening alleen maar groter geworden, stelt de onderzoeker. Schooladviezen kunnen naar boven bijgesteld worden als de score op de eindtoets hoger is dan verwacht, maar niet naar beneden als het resultaat tegenvalt. “Dat betekent dat een kind dat al een vwo-advies heeft zich niet meer hoeft in te spannen, terwijl een kind met advies voor vmbo-t waarschijnlijk alles op alles zet om er nog een havo-advies uit te slepen.” Dat gedragseffect zorgt voor een extra vertekeningen. “Er is een systematische meetfout bij gekomen. Dezelfde score op de eindtoets betekent nu nog minder dat leerlingen ook dezelfde capaciteiten hebben.”
Vanaf volgend schooljaar wordt de eindtoets weer in februari afgenomen, maar het schooladvies komt niet net als vroeger na de toets. Jammer, vindt Van Huizen vindt het. “De leerkracht heeft nu geen compleet beeld bij het uitbrengen van het schooladvies. De slotscène van de film ontbreekt.”

Overdreven
Maar de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs levert maar een heel kleine bijdrage aan de kansenkloof, benadrukt de onderwijseconoom. De focus op eindtoets en schooladvies is daarom overdreven. “Je zou de beleidsdiscussie moeten verleggen naar de voorschoolse periode. De schoolprestaties van kinderen uit verschillende sociale klassen lopen in groep 8 enorm uiteen, maar die verschillen zijn er al op tweejarige leeftijd en worden tijdens de basisschoolperiode niet kleiner. Om kansenongelijkheid te bestrijden, kan je dus beter extra investeren in kansarme peuters dan in het verbeteren van het schooladvies”, stelt de onderwijseconoom die ook onderzoek doet naar het effect van voorschoolse educatie. Kinderen van laagopgeleide ouders hebben daar baat bij, blijkt uit internationaal onderzoek, maar in Nederland hebben lang niet alle kinderen die het risico lopen met een achterstand aan de basisschool te beginnen, toegang tot voorschoolse voorzieningen.
Daarom is het jammer dat het nieuwe kabinet ervoor kiest om kinderopvang alleen voor werkende ouders gratis te maken, vindt hij. “De arbeidsmarkteffecten van dit soort beleid zijn beperkt en het draagt niet bij aan het verkleinen van de kansenkloof. Terwijl het wel onder dat kopje wordt gepresenteerd in het coalitieakkoord. Onderwijseconomen zoals ik vinden dat je middelen moet inzetten waar ze het meeste opleveren. Kinderen van ouders met een lage opleiding en een laag inkomen hebben het meeste baat bij voorschoolse voorzieningen, terwijl ze er juist het minste aan deelnemen. Van gratis kinderopvang profiteren vooral de hogere inkomens.”
Met het verbeteren van het schooladvies is geen grote slag te maken, benadrukt Van Huizen nog een keer. “Het is natuurlijk goed dat er aandacht is voor het effect van lage verwachtingen en onbewuste vooroordelen. Maar ik kan me goed voorstellen dat leerkrachten het zat zijn om te horen dat zij kinderen van laagopgeleide ouders onderschatten. We moeten ophouden met doen alsof leraren de oorzaak zijn van de kansenongelijkheid.”

Dit bericht delen:

© 2022 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.