• blad nr 1
  • 1-1-2022
  • auteur A. Kersten 
  • Redactioneel

 

Flex-verslaving zet onderwijskwaliteit onder druk


Terwijl het lerarentekort het onderwijs lam dreigt te leggen, zitten veel docenten nog steeds vast in de ‘flexibele schil’. Met stress en burn-out als gevolg. Het aandeel tijdelijke contracten baart politiek Den Haag zorgen.



Signalen over leraren die gevangen zitten in tijdelijke contracten stemmen niet bepaald vrolijk. Ook niet in de Tweede Kamer, zo bleek dit najaar weer eens tijdens een debat waarbij verschillende partijen het onderwerp aan de orde stelden. Maar hoorden de Kamerleden het nou goed? Hoorden ze onderwijsminister Arie Slob zeggen dat vaste contracten onder leraren al jaren aan een flinke opmars bezig zijn?



Ja, dus. “We hebben gezien dat het aantal docenten dat een vast contract krijgt, de afgelopen jaren gestegen is”, verklaarde de minister. “Tussen 2015 en 2019 is er in het voortgezet onderwijs een stijging geweest in het aantal vaste contracten van 74 naar 79 procent. In het primair onderwijs is het helemaal spectaculair geweest. Daar zaten we op een veel lager aantal. Uiteindelijk is het gestegen naar 83 procent. Daar zit dus een stijgende lijn in.”



GroenLinks-Kamerlid Lisa Westerveld krabde zich achter de oren, zichtbaar in verwarring. “Ik was verrast omdat dit een trendbreuk zou betekenen”, appt ze er later over. Ook SP-Kamerlid Peter Kwint kon de cijfers niet plaatsen, vertelt hij aan de telefoon. “Ik vond het vreemd om te horen, omdat we juist een heel ander beeld hadden.”



Opmars



Dat andere beeld is eenvoudig terug te vinden in het jaarlijkse rapport over de onderwijsarbeidsmarkt dat de minister zelf naar de Kamer stuurt. Daaruit blijkt dat het percentage docenten met een vaste aanstelling in het voortgezet onderwijs tussen 2012 en 2020 afnam van 83 naar 81 procent. Het primair onderwijs zag het aandeel vaste aanstellingen onder leraren tussen 2012 en 2018 sterk afnemen van 94 naar 88 procent. Reden waarom het Onderwijsblad destijds concludeerde dat juist het tijdelijke contract flink in opmars was. Sindsdien is er een licht knikje in de lijn te zien, maar niks spectaculairs.



Dat knikje zag het primair onderwijs ook bij de ondersteuners: de onderwijsassistenten en lerarenondersteuners die in voorgaande jaren mede dankzij werkdrukmiddelen volop door scholen werden aangetrokken. In deze functiecategorie kelderde het aandeel vaste contracten van bijna 90 naar zo’n 75 procent in 2018, om daarna te stabiliseren. De instroom van nieuwe medewerkers in samenhang met de vertraagde pensioengolf is volgens de opstellers van de trendrapportage -de ambtenaren van de minister een verklaring voor de ontwikkeling in het primair en voortgezet onderwijs. Nieuwe medewerkers beginnen doorgaans met een tijdelijke aanstelling.



Toch is er geen reden om gerust te zijn. Een op de vijf docenten in het voortgezet onderwijs heeft een tijdelijke aanstelling. En dat is een gemiddelde over de hele sector, bij sommige schoolbesturen ligt dat percentage duidelijk hoger. Niet zo verwonderlijk dat het gros van de voorbeelden die de op een meldpunt afgelopen najaar ontving uit deze sector afkomstig is. Genoemde effecten: dalende onderwijskwaliteit door het grote verloop binnen teams, stress en burn-outs door aanhoudende onzekerheid en leraren die zonder vaste aanstelling geen hypotheek kunnen krijgen. “Gevolg is dat een deel van de leraren het onderwijs verlaat en dat is doodzonde”, vertelt Kwint. “Helemaal in tijden van groeiende lerarentekorten. Bovendien zie je dat het vaste team meer belast wordt omdat ze steeds nieuwe collega’s moeten inwerken.”



Een verklaring die steeds terugkwam, is de angst bij werkgevers voor dalende leerlingaantallen en de behoefte aan een zogenoemde flexibele schil, zodat ze bij tegenvallende inkomsten snel kunnen snijden in de personeelsformatie. “De minister zegt: Het is aan de cao-partners. En de werkgevers leggen de verantwoordelijkheid terug bij onzekere inkomsten vanuit het ministerie. Zo lossen we het lerarentekort nooit op”, vindt Westerveld.



“Ik vind dat het wel erg snel als excuus gebruikt wordt”, aldus Kwint. “Zo grillig is die krimp helemaal niet en waarschijnlijk kun je die voor een groot deel opvangen met natuurlijk verloop nu veel docenten met pensioen gaan. Het is breder dan het onderwijs, op de hele arbeidsmarkt is een gigantische flex-verslaving ontstaan. Ik snap best dat een schoolbestuur enige flexibele schil nodig heeft, maar ik zie echt niet in waarom dat meer dan 10 procent zou moeten zijn.”



Marktpartijen



De aanstellingen in de personeelsformatie zijn maar een deel van het verhaal. Er is natuurlijk ook nog tijdelijk personeel dat helemaal niet op de loonlijst van het schoolbestuur staat, maar dat wordt ingehuurd via commerciële marktpartijen zoals uitzendbureaus en detacheerders. Bijvoorbeeld voor kort-tijdelijke vervanging bij een ziekmelding; de vervangingspools van onderwijsinstellingen zelf zijn door het lerarentekort helemaal opgedroogd. Maar ook om onvervulde vacatures te kunnen bemensen of om te anticiperen op de demografische krimp.



Die ‘externe flexibele schil’, zoals het in hrm-kringen ook wel heet, is een stuk minder zichtbaar. Hoeveel docenten zich laten uitlenen via bedrijven als Maandag, Ditiswijs of Roler Personeelsdiensten is onbekend. Dat er grote bedragen in omgaan, is duidelijk. Een blik op aanbestedingsberichten leert dat sommige onderwijsinstellingen -met name in het voortgezet onderwijs- bereid zijn om tonnen tot miljoenen euro’s uit te geven aan jarenlange contracten.



Dit soort uitgaven, inclusief bijkomende kosten als bureau-fees en btw, moeten schoolbesturen in hun jaarverslagen opnemen onder de noemer ‘personeel niet in loondienst’. Tussen 2012 en 2019 is die uitgavenpost gegroeid in het voortgezet onderwijs en tot 2018 ook in het primair onderwijs. In 2020 betaalden schoolbesturen en samenwerkingsverbanden in beide sectoren samen zo’n 633 miljoen euro aan extern ingehuurd personeel, op een totaal van 17 miljard aan personeelsuitgaven. In hoeverre het gaat om managers, ondersteuners of leraren valt uit deze cijfers niet te herleiden.



Ook daar wil de Tweede Kamer al lange tijd meer zicht op. Daarom voert het ministerie van Onderwijs sinds 2020 een proef uit waarbij schoolbesturen op vrijwillige basis extra informatie kunnen aanleveren. “Daarbij wordt bijvoorbeeld gevraagd naar de functiecategorie, het soort externe inhuur en het doel”, zo laat een woordvoerder van uitvoeringsorganisatie DUO weten. Volgens hem doet ongeveer een derde van de po- en vo-instellingen mee. Uit de eerste resultaten blijkt in beide sectoren het onderwijsgevend personeel hierbij de grootste uitgavenpost. Vanaf dit jaar is het de bedoeling dat alle besturen over de brug komen.



Ander tabelletje



Terug naar het debat in de Tweede Kamer. Want hoe zat het nou met die cijfers die minister Slob afgelopen najaar voorschotelde? De minister haalde de cijfers uit een ander tabelletje in het rapport, blijkt bij navraag aan het ministerie. Die cijfers gaan niet over alle docenten, maar alleen over pas afgestudeerde leraren. Waarbij de minister verder ook niet vermeldde dat tijdelijke contracten met uitzicht op een vaste aanstelling werden meegeteld als vast. Een maand later kreeg de Tweede Kamer die uitleg alsnog aangereikt bij de behandeling van de onderwijsbegroting, in de antwoorden op de 406 schriftelijke vragen die partijen hadden gesteld. Maar toen viel het niemand meer op.


Dit bericht delen:

© 2022 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.