• blad nr 9
  • 1-10-2021
  • auteur M. van Nieuwstadt 
  • Redactioneel

 

Kinderboekenschrijvers zijn swingende leraren

Voor sommige kinderboekenschrijvers is het leraarschap een voedingsbodem. Andersom draagt het schrijverschap bij aan het werk voor de klas.

Een krokodil in de klas maakt corona grappig

Marte Jongbloed stond in het afgelopen jaar twee dagen in de week voor groep 5 op De Bijenkorf in Gouda. Haar jongste boek, De bouwbaas, is het derde deel in de serie Wies en oma Wisse, bedoeld voor kinderen vanaf zes jaar.

Het is best handig dat je als juf-kinderboekenschrijver een figuur of karakter kunt verzinnen, dat zomaar in je klas verschijnt. Als kinderen anderhalve meter afstand moeten houden tot volwassenen, blijkt er een krokodil te leven achter het bureau van juf Marte: “Hij bijt kinderen die ongevraagd te dicht bij de juf komen in hun bil.”
Zo maakt een verhaal vervelende dingen grappig. “Mijn duo ging er helemaal in mee”, vertelt Jongbloed. En de fictieve krokodil is in alle groepen van een basisschool bruikbaar. “In groep 7 maak je er een eng en sappig verhaal van. In de onderbouw moet je daarmee oppassen, maar dan kun je er een bange krokodil van maken.”
Ook buiten coronatijd komt haar schrijverschap en theaterachtergrond Marte Jongbloed van pas. “Als ik zie dat kinderen moeite hebben met een som over oppervlakten, dan haal ik liever de lengte en breedte van de paleistuin van de koning erbij dan een voorbeeld uit de methode.”
Jongbloed gebruikt haar eigen boeken in de klas, maar niet wekelijks. “Het is een beetje raar om de hele tijd uit je eigen boeken voor te lezen. Dan gebruik ik liever een hertaling van Shakespeare, kinderen in de bovenbouw worden meegesleept door die verhalen. Of Madelief van Guus Kuijer in mijn eigen groep 5. De kinderen lagen dubbel van het lachen.”
In Herre, een boekenreeks van Jongbloed voor de bovenbouw, is de vader van de hoofdpersoon naar de Noordpool gegaan en spoorloos verdwenen. Zijn moeder wordt daarna verliefd op een hele enge man. “Kinderen herkennen dat”, vertelt Jongbloed. “Niet het verdwijnen van een vader, maar wel de afwezigheid van een ouder en de reactie daarop van de andere ouder.”
Herre mag van zijn moeder alleen nog maar kleien en kleuren aan de keukentafel. Niet op sport, niet meedoen aan gymles, niet mee op schoolreisje. Zijn moeder is veel te bang dat er met hem ook iets gebeurt.
“Als ik de klas vraag of kinderen dit herkennen, gaan bijna alle vingers omhoog”, vertelt Jongbloed. “Door iets uit te vergroten heb je een aanknopingspunt voor een gesprek. Misschien helpt het kinderen ook om zich te verplaatsen in ouders en hun strenge gedrag. Om te begrijpen dat het voortkomt uit bezorgdheid of liefde.”
De ouders van Wies, uit de serie ‘Wies en oma Wisse’ werken in het buitenland. Wisse heef bijna geen toegang tot ze, alleen in extreme nood. Dat is spannend, maar gelukkig heeft Wies een excentrieke oma: Wisse. Zij vindt dat je in de dierentuin meer leert dan in de klas, terwijl Wies zelf eigenlijk best naar school wil. “Door een volwassene kindergedrag mee te geven en het kind volwassene te laten zijn, leg je bepaalde dingen bloot”, zegt Jongbloed. “Ook dat is een basis voor leuke gesprekken.”
Toen ze klein waren vroeg Jongbloed haar eigen kinderen om haar manuscripten te lezen, want die konden helder uitleggen wat ze leuk vonden of wanneer het saai werd. Feedback van leerlingen gebruikt Jongbloed nog steeds, maar indirect. “Als ik een verhaal vertel, dan voel ik al snel wat goed valt. Laatst kwam in een taalles het onderwerp spionage voorbij. Leuk, maar het sloeg past echt aan toen ik naast die spion een hulpspion verzon die alles verpest. Door hard te praten bijvoorbeeld, wanneer ze door een gebouw moesten sluipen. Dat maakte het onderwerp tegelijkertijd spannender en grappiger. Misschien komt dat hulpje nog wel eens terug in een boek.”
{fotobijschrift}
Marte Jongbloed gebruikt haar eigen boeken in de klas, maar niet wekelijks. “Het is een beetje raar om de hele tijd uit je eigen boeken voor te lezen.”

Met verhalen verras je de klas

Peter-Paul Rauwerda is docent wiskunde op het Bonhoeffer College in Castricum. Zijn roman De negen kamers, doet het goed bij de doelgroep Young adult. Rauwerda illustreerde tientallen kinderboeken, waaronder onlangs Wie ben ik.

In de grote tekeningen die Peter-Paul Rauwerda in zijn klas wekelijks op het digibord zet, leeft hij zich uit als illustrator en docent. De tekeningen zijn meestal puzzels die leerlingen proberen op te lossen. “Ze rekenen erop”, zegt Rauwerda. “Als ik het een keer niet doe, vragen ze: Mijnheer waar is het puzzeltje?.”
Een van de “gaafste” puzzels, aldus Rauwerda, is vernoemd naar een Duitse wiskundige: Hilberts Hotel. Het gaat over oneindigheid en het grootste getal dat er bestaat. Hilberts Hotel heeft een oneindig aantal kamers. Gasten die er aankomen zitten in een oneindig lange bus. In een hotel met ontelbaar veel kamers passen oneindig veel mensen. Maar dan komt er nog een bus aan met een ontelbaar aantal mensen. Past dat nog?
“Bij zo’n logische puzzel kan je leuk tekenen. Een enorm hotel met allemaal raampjes die in de verte verdwijnen. En een oneindig lange bus. ‘Wat is dat mijnheer’, vragen ze dan. Als ik ze vertel over het raadsel zitten ze op het puntje van hun stoel.”
Het programma “dendert door” en dus sluiten de tekeningen niet altijd aan bij de lessen. “Het moet vooral een gaaf puzzeltje zijn waar ze lekker over kunnen nadenken”, zegt Rauwerda. “En het biedt kans om aandacht te besteden aan logica, een onderwerp dat normaal gesproken alleen aan bod komt bij wiskunde C. Dat vak kiezen maar weinig leerlingen.”
Soms gebruikt Rauwerda verhalen die aansluiten bij de lesstof. Zo introduceert hij de Fibonacci-reeks, een rij waarin het volgende getal steeds een optelling is van de twee voorgaande, met een verhaal uit het boek De telduivel van Hans Magnus Enzensberger over konijntjes die zich vermenigvuldigen. “Daarin zit een regelmaat die je kunt beschrijven met de rij van Fibonacci. Deze Italiaanse wiskundige was zelf konijnenfokker. Met zo’n verhaal verras je kinderen en wek je hun interesse.”
Van zijn schrijverschap heeft Rauwerda profijt in de begeleiding van leerlingen die meewerken aan de schoolkrant of aan scripts voor theaters op school, dat zijn belangrijke events op het Bonhoeffer. Heel soms leest hij de klas voor uit eigen werk, in de laatste les voor de vakantie. De negen kamers, zijn eerste roman, is bedoeld voor volwassenen, maar sloeg ook aan bij een jongere doelgroep: “Het is geschikt voor alle leeftijden. Mijn zoontje van negen had het in een dag uit. Na zijn spreekbeurt in groep 6 lazen vijf of zes klasgenoten het en die vonden het ook allemaal prachtig. Hier op school is het boek ook populair en ik geniet ervan dat mijn leerlingen het boek waarderen.”
De negen kamers gaat over een geheimzinnig huis dat plots in een straat verschijnt. Als de hoofdpersoon de ‘badkamer’ betreedt, loopt die vol water, waardoor hij bijna verdrinkt. De eetkamer is een stadion vol gladiatoren en zo gaat het fantasievol verder. “Ik denk dat die fantasie jongvolwassenen aanspreekt”, zegt Rauwerda. “Het is geen zware kost. Schreef ik alleen op een zolderkamertje, dan zou het hele verhaal misschien helemaal voortkomen uit mijn eigen fantasie. De hoofdpersoon is nu gebaseerd op mijzelf, maar misschien is het inderdaad geen toeval dat hij zeventien is. Dat is de leeftijd van veel bovenbouwleerlingen en ik zie in de klas dagelijks wat hen bezighoudt.”

{fotobijschrift}
Wiskundedocent Peter-Paul Rauwerda, gebruikt zelfgemaakte tekeningen in de klas, zoals van Hilberts Hotel, een hotel met oneindig veel kamers.

‘Ik lijk op de juf in mijn boek’

Annejan Mieras staat sinds veertien jaar voor de klas, nu twee dagen per week voor een groep 4 van de Vrijeschool in Rotterdam-West. Haar jongste boek heet Homme en het noodgeval, voor kinderen van negen jaar en ouder.

De klas moest soms hard lachen als juf Annejan Mieras voorleest uit haar nieuwe boek: ‘Ha ha juf, dat ben je zelf.’ In het boek neemt juf Ada het op voor het meisje Pien dat bij hoofdpersoon Homme in huis is komen wonen. Hij mag het meisje niet en nu zit ze ook nog bij hem in de klas. “Pien krijgt van de juf complimentjes; een extra beurt. Die neiging, het opnemen voor de zwakkeren, hebben juffen natuurlijk snel. Precies als de juf in het boek zeg ik de dingen vaak heel overdreven: ‘Vandaag hebben we echt een superleuke begrijpend lezend les.’ En net als bij juf Annejan mogen de kinderen in de klas van juf Ada niet doorstrepen: Als er iets fout is moet het tussen haakjes. Ik lijk op de juf die ik in het boek beschreef en de klas herkende dat. Het cirkeltje is zo op een bijzondere manier rond.”
Mieras vindt een breed aanbod van boeken in haar klas heel belangrijk. “Je moet kinderen verleiden om te lezen. Welke boeken je daarvoor nodig hebt verschilt sterk per kind. Al geldt wel de algemene regel dat haast elk kind houdt van humor in verhalen.”
Haar werk voor de klas helpt Mieras om zich als schrijver in haar doelgroep te verplaatsen. “Ik geef graag les in de middenbouw en dat is ook de groep voor wie ik het liefst schrijf. Op die leeftijd beginnen kinderen kritische vragen te stellen. Ik houd ervan dat ze mij de maat nemen. Dat doen ze veelal vanuit verbinding, al ligt dat in de bovenbouw soms ingewikkelder. Het brengt mij nieuwe invalshoeken in de les.”
De favoriete boeken van Mieras voor in de klas komen uit de Boze Heks-serie van Hannah Kraan. “Ze zijn qua prachtig qua taal en zitten vol kleine boodschappen van acceptatie, tolerantie en medeleven. Kraan beschrijft een kleine samenleving in het bos vol ongemakken en oplossingen. Net een klas.”
Mieras voelt zich voor de klas vaak zelf de Boze Heks: “Die is eindeloos dingen aan het betoveren, of aan het verstieren. Zij brengt jeu in de boel en verrassing. Dat probeer ik als juf ook te doen.”

{fotobijschrift}
Haar werk voor de klas helpt Annejan Mieras om zich als schrijver in haar doelgroep te verplaatsen. “Ik houd ervan dat ze mij de maat nemen.”

Dit bericht delen:

© 2022 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.