- blad nr 9
- 1-10-2021
- auteur M. Lange
- Redactioneel
Docenten verdeeld over pulp in de klas
Met een fel opiniestuk in de Volkskrant gooiden docent Marie-José Klaver en hoogleraar moderne Nederlandse Letterkunde Yra van Dijk voor de zomer de knuppel in het hoenderhok. Ze rekenden af met de boeken die de Jonge Jury promoot en die te vinden zijn op de meeste scholen en in schoolbibliotheken. ‘Verhalen die seksistisch en racistisch denken bevestigen, de lezer van kick naar kick jagen en die stilistisch, inhoudelijk, cultureel en moreel armoedig en zelfs schadelijk zijn’, schrijven Klaver en Van Dijk.
De Jonge Jury is een door de overheid betaald leesbevorderingsproject van Stichting Lezen waarbij jongeren van 12 tot 16 jaar een winnend boek kiezen uit een voorselectie. De afgelopen jaren won Mel Wallis de Vries met haar thrillers zeven keer. Andere schrijvers kopiëren nu het genre, constateren Klaver en Van Dijk, waardoor op de shortlist voor 2021 alleen nog maar thrillers staan. Klaver en Van Dijk vragen zich af waarom het geld, afkomstig van Stichting Lezen en het Letterenfonds, niet besteed wordt aan de promotie van echte jeugdliteratuur in de klas. Verhalen kunnen je leren hoe je betekenis geeft aan de wereld, schrijven zij. En verhalen bieden de sleutel tot een volwassen, ethische houding.
Elitair
Het betoog leverde kritische reacties op, vooral in kranten en op blogs. Het standpunt van Klaver en Van Dijk werd weggezet als elitair. Leraren konden de boeken van de Jonge Jury toch gebruiken voor een goed klassengesprek. De discussie over wat jongeren zouden moeten lezen, laaide op. Hoe is de situatie nu, een paar maanden later net na de zomervakantie? Voelen secties Nederlands zich uitgedaagd om (opnieuw) na te denken over jeugdliteratuur? Waar hoort leesbevordering eigenlijk thuis, alleen in de les Nederlands of is het de taak van de hele school? En wat ligt er in de schoolbibliotheek?
Marie-José Klaver vertelt dat ze veel e-mails heeft ontvangen van docenten en ouders. “Docenten schrijven dat ze zelf ook al jaren vinden dat er slechte boeken gelezen worden, maar dat durven ze niet goed tegen collega’s binnen de sectie te zeggen.” Andere docenten zeggen eerlijk dat ze nooit over deze kwestie hebben nagedacht, meestal omdat ze de genomineerde boeken niet gelezen hebben.
Klaver is docent Duits en net afgestudeerd als docent Nederlands. Toen zij enkele jaren geleden begon met haar nieuwe opleiding is ze met leerlingen gaan meelezen. Boeken van de Jonge Jury zijn op de meeste scholen makkelijk te vinden. Klaver las alle winnaars en was geschokt. “Alles wordt verteld vanuit een wit perspectief en er komen alleen maar meisjes in voor met blonde haren die verkracht of mishandeld worden en slechts over jongens en hun uiterlijk praten.”
Armoedig
Onderbouwdocent Nederland Joke Brasser, eigenaar van de website Klassiekersindeklas.nl is ervan onder de indruk dat Klaver en Van Dijk alle boeken van de Jonge Jury hebben gelezen. “Ik heb nooit iets van Wallis de Vries gelezen, maar ik ken een aantal van
de andere genomineerden wel. Hoewel ik de boeken stilistisch armoedig vindt, heb ik de keuze ervoor toch aan de leerlingen overgelaten.”
Brasser ging ervan uit dat de Jonge Jury een kwaliteitsgarantie bood, maar ze vermoedde al dat deze boeken weinig
zouden bijdragen aan taalontwikkeling of culturele bagage. Voor een klassikaal boek koos zij liever literaire jeugdboeken, Tonke Dragt bijvoorbeeld. “Aan Tonke Dragt kan ik zes lessen besteden. Carry
Slee of Wallis de Vries bieden minder aanknopingspunten voor een klassikaal boekgesprek over wat leerlingen opvallend vinden, mooi, of moeilijk te begrijpen. Er zijn boeken waar je niet over uitgepraat raakt met een klas, en die zelfs zwakke lezers motiveren om ook mee te lezen.”
In haar sectie van elf verschillen docenten nogal van opvatting. Mede naar aanleiding van het opiniestuk zijn ze gaan kijken welke doelen er gehaald kunnen worden met fictie in de onderbouw. “Sommige docenten zijn geschokt over wat we de leerlingen, zonder dat
we het echt doorhadden, jarenlang hebben laten lezen. We hoorden steeds: áls ze maar lezen, en dat alles wát ze lazen ze een stapje verder zou brengen.”
Anderen in de sectie houden nog vast aan het standpunt dat leerlingen alles mogen lezen. Maar Brasser vindt dat je veel meer mag verwachten van je leerlingen. Anna Woltz is net zo toegankelijk, zegt ze, maar dan wel met mooie taal en een boodschap van positiviteit en hoop.
“De onderbouwdocenten vormen een diverse groep, sommigen leggen meer de nadruk op taalbeheersing. Fictie is voor hen niet een onderdeel waarmee je kennis of cultuur overdraagt. Dat merk je ook aan de opdrachten. Tijdens het lezen van een boek moeten leerlingen bijvoorbeeld de betekenis van tien moeilijke woorden opzoeken. Ik ben zelf geen voorstander van een technisch leesdoel bij fictie, daarmee haal je leerlingen uit hun leeservaring.”
Leeslijsten
Jeroen Dera van de Radboud Universiteit deed onderzoek naar de samenstelling van leeslijsten op middelbare scholen. Hij vindt dat boeken als van Wallis de Vries wel degelijk een rol kunnen spelen in het fictieonderwijs, maar dat het dan wel de taak is van de docent om leerlingen onder woorden te laten brengen wat ze er mooi aan vinden en wat ze raakt.
Vervolgens is het de taak van de docent om de leerling te leren kritisch te lezen. Volgens Dera is het probleem dat veel docenten in de onderbouw niet voldoende zijn toegerust om met een kritische bril naar teksten te kijken, zoals Klaver en Van Dijk hebben gedaan. Dat is deels overmacht. Uit zijn onderzoek blijkt dat 1616 bovenbouwleerlingen 1646 unieke titels op de leeslijst zetten. “Het is niet realistisch te verwachten dat een docent die titels allemaal kan lezen en er goede vragen bij kan stellen, naast alle andere tijdrovende onderdelen van het vak Nederlands.”
Uit Dera’s onderzoek blijkt dat het soms jaren geleden is dat docenten de teksten hebben gelezen die leerlingen voor hun vak lezen. Recente teksten, zoals de nominaties van de Jonge Jury, kennen sommigen überhaupt niet. “Om de literaire competentie van leerlingen gericht te verbeteren, moet je heel goed in het materiaal zitten. Sleep niks de klas in waar je zelf niets van weet.”
Dera vindt ontlezing niet alleen de verantwoordelijkheid van docenten Nederlands. “Elke schooldag zou kunnen beginnen met een leesuur. Een kwartiertje tijdens de les Nederlands is veel te kort om in een tekst te raken. In zo’n leesuur zouden ze alles mogen lezen, vind ik, ook de Donald Duck. Maar dan zou je bij het vak Nederlands goede jeugdliteratuur moeten aanreiken.”
Eisen
Feit is dat in de onderbouw weinig landelijke eisen en doelen gesteld worden wat betreft fictie. De focus van de overheid ligt op het maken van leeskilometers. De overgang naar de bovenbouw waar je dan Harry Mulisch moet gaan analyseren is groot. “Leerlingen vinden het heel moeilijk om een titel te kiezen”, zegt Dera. “Ze zouden best geholpen zijn met een deels vaste leeslijst. Leerlingen die graag lezen kunnen bijvoorbeeld een voorstel doen voor de klas. Zijn ideaalbeeld is dat minimaal de helft van de verplichte titels klassikaal behandeld wordt, gekoppeld aan andere domeinen, zoals spreekvaardigheid. Zo kan een roman de basis zijn voor een debat over het klimaat.
Emmy van Ruijven, medewerker mediatheek op het Piersoncollege in Den Bosch, een school met 1650 leerlingen waarvan iedereen meteen een bibliotheekpas krijgt, schrok dat er zo lelijk werd geschreven over de boeken van Mel Wallis de Vries en andere schrijvers van de Jonge Jury. “Ik denk dat het schadelijk is om boeken af te schrijven als pulp, want lang niet alle jongeren zijn meteen in staat om jeugdliteratuur te lezen. Bij ons op school krijgen leerlingen jeugdliteratuur aangereikt, maar als ze zelf mogen kiezen, vragen ze wel naar Mel Wallis de Vries. Ze komen naar de bibliotheek met ‘Puh, lezen is stom.’ Maar deze boeken lezen ze met plezier.”
‘Mevrouw, heb je nog zoiets?’, vragen leerlingen. Van Ruijven probeert ze dan iets anders te bieden. Als een school veel aanbod heeft, dan kunnen tieners veel uitproberen, zegt ze. “Leerlingen durven tegen mij wel te zeggen dat ze iets stom vinden, tegen een docent durven ze dat minder. Mijn rol is om te laten zien wat er allemaal is. Veel docenten en ouders kennen de nieuwe boeken niet. Ik ga met een hele stapel rond langs alle brugklassen. Ook met een mooie grafic novel over een transgender, bijvoorbeeld. De overstap van een boek met plaatjes naar alleen tekst wordt dan kleiner.”
Op Van Ruijvens school is steeds meer overleg tussen de mediatheek en de secties Nederlands en andere talen. Met meer samenwerking proberen ze het leesniveau omhoog te brengen. “Op onze school mogen ze ook pulp lezen. Wel met een grens: Eén keer Carry Slee. Het heeft geen zin om in de mediatheek leerlingen binnen te krijgen die simpelweg op zoek zijn naar het dunst mogelijke boek. Je moet ze juist die drempel over helpen om eens een boek van honderd pagina’s te lezen. Al is dat dan Wallis de Vries. Ze hebben dan wel een overwinningsgevoel en raken gemotiveerd voor iets anders.”
{streamers}
‘Sommige docenten zijn geschokt over wat we de leerlingen, jarenlang hebben laten lezen
‘Leerlingen zouden geholpen zijn met een deels vaste leeslijst’
‘Op onze school mogen ze ook pulp lezen. Wel met een grens’
Docententip van Emmy van Ruijven:
Lees niet de achterflap voor, maar zoek een spannend stuk uit de tekst, waardoor leerlingen nieuwsgierig worden.
Docententip van Jeroen Dera:
Zet een boek van Mel Wallis de Vries naast een ander boek met hetzelfde thema van dader-fictie, maar met een andere stijl en benadering.