• blad nr 7
  • 1-7-2021
  • auteur J. Graus 
  • Opinie

 

Reorganisatieplan lerarenopleidingen is rampzalig

De lerarenopleidingen staan aan de vooravond van de grootste reorganisatie in decennia. Het is een schoolvoorbeeld van een onderwijsvernieuwing die gedoemd is te mislukken, schrijft lerarenopleider Johan Graus.

In oktober 2020 sloten de Vereniging Hogescholen en de VSNU een bestuursakkoord met het ministerie van Onderwijs over flexibilisering van de lerarenopleiding. Op de werkvloer wist niemand dat dit eraan zat te komen. De ondertekening van het akkoord leek dan ook onbeduidend - de zoveelste poging van de overheid om het lerarentekort aan te pakken. Maar nu de implementatie ervan op gang komt, wordt pas duidelijk hoe veelomvattend de consequenties van dit akkoord zijn. De lerarenopleidingen staan aan de vooravond van de grootste reorganisatie in decennia. Uit naam van het lerarentekort worden kwaliteit en continuïteit geofferd op het altaar van de flexibilisering.

Maatwerk
Wat houdt het Bestuursakkoord Flexibilisering Lerarenopleidingen precies in? De werkgeversorganisaties hebben met het ministerie afgesproken dat lerarenopleidingen hun zorgvuldig ontwikkelde curricula opgeven, zodat studenten in het vervolg een gepersonaliseerd traject kunnen volgen. Het vertrekpunt is niet langer meer de te behalen eindkwalificatie van de opleiding, maar de leerbehoefte van de individuele student - maatwerk als nieuwe standaard dus.
Bij het begin van de studie kiest de student zijn persoonlijke leerroute, waarbij samenhangende leerlijnen niet meer leidend zijn. In plaats daarvan krijgt zij ‘eenheden van leeruitkomsten’ voorgeschoteld. Vervolgens mag de student zelf bepalen hoe zij die leeruitkomsten gaat verwerven: leren op de stageplek, zelfstandig literatuur raadplegen, uit eigen ervaring putten, aan een cursus deelnemen, het is allemaal mogelijk. Ten slotte moeten de leeruitkomsten nog ‘leerwegonafhankelijk’ getoetst worden. Aangezien onderwijs volgen niet meer standaard tot de opleiding mag behoren, moeten docenten toetsen ontwerpen die niet gekoppeld zijn aan hun onderwijs of aan voorgeschreven literatuur. Wat overblijft, is een bonte verzameling aan portfolio’s, stageopdrachten en reflecties.

Perspectief
Een dergelijke benadering kan misschien enig perspectief bieden voor de meest basale beroepsvaardigheden, maar een lerarenopleiding behelst veel meer dan dat. Zelf werk ik als docent op een masteropleiding tot eerstegraadsleraar Engels aan een hogeschool. Van onze opleiding richt 70 procent zich op het aanbrengen van kennis en (taal)vaardigheden op masterniveau. Dit type kennis en vaardigheden en het bijbehorende onderwijs passen niet bij de werkwijze van het bestuursakkoord. Kennis over en inzicht in bijvoorbeeld de chomskyaanse grammatica, de victoriaanse roman of het Oudengelse naamvalsysteem verwerf je niet op de werkplek, toets je niet met een beroepsproduct of portfolio en zijn niet een-op-een gekoppeld met beroepsvaardigheden. De relatie tussen de beroepsuitoefening van een (bovenbouw)docent en de onderliggende kennis die hiervoor nodig is, is vele malen ingewikkelder en vereist veel meer diepgang dan waarin flinterdunne leeruitkomsten en wankele toetsconstructies kunnen voorzien.
Brede en parate vakkennis, inzicht in evidence based-didactiek en relevant onderzoek en de vaardigheid om deze te vertalen naar de lessituatie zijn onontbeerlijk voor een docent. Deze kennisvelden en vaardigheden zijn zo complex en verreikend dat het onmogelijk maar ook onwenselijk is om in enkele leeruitkomsten te beschrijven wat studenten moeten kennen en kunnen om vervolgens via een leerwegonafhankelijke toetsvorm als een portfolio of beroepsproduct te kunnen borgen dat zij de stof voldoende beheersen.

Dijsselbloem
Het bestuursakkoord is een schoolvoorbeeld van een onderwijsvernieuwing die gedoemd is te mislukken, maar die voor het zover is veel schade zal berokkenen. Nog maar dertien jaar geleden publiceerde de commissie-Dijsselbloem haar eindrapport over de onderwijsvernieuwingen uit de jaren negentig van de vorige eeuw. De commissie concludeerde dat de overheid haar kerntaak, het zeker stellen van de kwaliteit van het onderwijs, ernstig had verwaarloosd. De overheid had zich, soms tot in het klaslokaal, bemoeid met de didactiek, terwijl docenten buitenspel stonden. De bevindingen van de commissie waren snoeihard: de analyse van problemen schoot tekort, verantwoordelijke bewindslieden vertoonden tunnelvisie, het politieke draagvlak werd belangrijker gevonden dan het draagvlak in het onderwijs, docenten en leerlingen werden onvoldoende gehoord, didactische vernieuwingen werden als verplicht ervaren, en de wetenschappelijke onderbouwing ontbrak grotendeels.
Bij het doorlezen van dit lijstje vallen de vele overeenkomsten met het bestuursakkoord op. Ook hier is sprake van een gemankeerde en eenzijdige probleemanalyse, een top-downbenadering, een gebrek aan draagvlak en een one-size-fits-all-oplossing; curieus voor een plan dat flexibiliteit en maatwerk voorstaat. Het meest stuitende is wellicht dat er geen enkele wetenschappelijke onderbouwing is voor de voorgestelde maatregelen. Zowel in de Nederlandse als internationale wetenschappelijke literatuur is er een veelzeggende afwezigheid aan empirisch bewijs dat de grootscheepse stelselwijziging die het bestuursakkoord de facto inhoudt, effectief zal zijn, didactisch te verantwoorden is en dat het de opleidingskwaliteit en de leerresultaten niet negatief zal beïnvloeden.
Het Nederlandse onderwijs verkeert in een crisis. Het lerarentekort - kwantitatief maar zeker ook kwalitatief - maakt daar deel van uit. Deze nieuwe, blinde flexibiliseringsdrang zal hier echter geen verandering in brengen. In tegendeel, het akkoord zal de kwaliteit van de opleidingen nog verder onder druk zetten. Bovendien is het nog maar zeer de vraag of de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk meer leraren opleveren die opgewassen zijn tegen zware arbeidsomstandigheden met een matige waardering en toch in staat zijn hun kennis en liefde voor het vak over te brengen.
Als eerste stap in de goede richting zouden bestuurders en hun lobbyisten niet langer op de stoel van docenten en lerarenopleiders moeten plaatsnemen. De lerarenopleiding is nu vooral gebaat met meer professionele sturing vanuit de eigen beroepsgroep, die snakt naar de autonomie om de kwaliteit van toekomstige leraren - en daarmee die van het onderwijs - op een hoger plan te tillen.

Johan Graus is lerarenopleider Engels en hoofdredacteur van Levende Talen Magazine, een vakblad voor docenten Nederlands en moderne vreemde talen

{streamer}
Kwaliteit en continuïteit worden geofferd op het altaar van de flexibilisering

Dit bericht delen:

© 2024 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.