• blad nr 6
  • 1-6-2021
  • auteur A. Kersten 
  • Redactioneel

 

8,5 miljard goed uitgegeven is bijna onmogelijk

Het kabinet pompt de komende jaren eenmalig 8,5 miljard euro in het onderwijs om corona-achterstanden in te halen. Terwijl bijlesbureaus geld ruiken, staan veel scholen voor een zware opdracht. “Met tijdelijk geld zal het Nederlandse onderwijs niet structureel verbeteren.”

Ongekend in aard en omvang. Met die woorden presenteerden demissionair Onderwijsministers Arie Slob en Ingrid van Engelshoven half februari het eenmalige steunpakket van 8,5 miljard euro om de komende tweeënhalf jaar corona-achterstanden bij leerlingen en studenten weg te werken. 5,8 miljard voor het primair en voortgezet onderwijs, 2,7 miljard voor het mbo en hoger onderwijs. Daarnaast wordt er 645 miljoen per jaar structureel vrijgemaakt om de studentengroei in het hoger onderwijs op te vangen. Licht aan het einde van de tunnel, twitterde de fractievoorzitter van Slobs partij in de Tweede Kamer euforisch.
Maar al snel kwamen er over dat duizelingwekkende bedrag veel vragen. Over de verdeling, de uitvoering, de voorwaarden en het tijdpad. En niet lang daarna volgden de zorgen. Zo waarschuwde de Algemene Rekenkamer in maart dat de resultaten achteraf alleen zijn vast te stellen als er vooraf duidelijke doelen op tafel komen. En de Onderwijsinspectie deed een maand later een duit in het zakje: kijk verder dan alleen een reparatie van corona-achterstanden, het onderwijs is dringend aan een grondige renovatie toe.
En zo is de maatschappelijke opdracht aan scholen in een paar maanden tijd uitgegroeid tot een bijna onmogelijke missie. Niet alleen de cognitieve en sociaal-emotionele achterstanden bij leerlingen aanpakken, maar en passant ook zorgen dat het onderwijs structureel verbetert met eenmalig geld. Ondanks het moordende tijdpad en een nijpend tekort aan bevoegde docenten voor de klas, dat ook nog eens het grootst is in wijken waar de kansen voor kinderen toch al niet voor het oprapen liggen.

Rupsje-nooitgenoeg
Alleen al het momentum is opmerkelijk, vindt Simone Fomenko, leerkracht op de St. Bernardusschool in Epe en hoofdbestuurslid van de AOb. “Een demissionair kabinet dat vlak voor de verkiezingen een fiks bedrag over de schutting gooit, dat is ongekend. Het gevaar is dat mensen nu zullen denken: in het onderwijs hebben ze voorlopig niets meer te klagen. En doe je dat wel, dan krijg je al snel het stempel van rupsje-nooitgenoeg.”
Het risico is ook -met een schuin oog naar de formatie van een nieuw kabinet dat sommige politieke partijen het steunpakket zullen gebruiken als argument tegen nieuwe investeringen: laat het onderwijs eerst die miljarden goed besteden voordat we er nog meer geld bovenop leggen. Is de miljardenbijdrage een zegen, een vloek of misschien wel allebei? “Het voelt ook een beetje als een gifpil”, zegt waarnemend AOb-voorzitter Tamar van Gelder. “Jarenlang strijden we voor substantiële structurele investeringen om de crisis in het onderwijs aan te pakken: het lerarentekort, de werkdruk, de kansenongelijkheid, dalende prestaties. En dan komt het kabinet ineens met zo’n enorm miljardenbedrag. Grotendeels eenmalig geld. Moet je het dan maar afwijzen? Nee, we moeten blijven hameren op structurele investeringen en we moeten zorgen dat dit geld terechtkomt bij de mensen die weten wat je er het beste mee kan doen: de leraren.”
Nog voor de zomer moeten scholen de achterstanden in kaart brengen en plannen maken met geschikte interventies die goedgekeurd zijn door de medezeggenschapsraden. Maar ruim drie maanden na de lancering van het steunpakket is er nog altijd veel onduidelijk over de financiering. Hoeveel gaat er nou precies naar schoolbesturen en wanneer? Slob repte in februari over extra geld voor scholen met veel achterstandsleerlingen, maar details kennen we nog niet. Het ministerie verwijst half mei na vragen van het Onderwijsblad nog altijd naar de eerste Kamerbrief uit februari. ‘Midden juni komt er meer informatie over de precieze verdeling van de gelden. Dan komen we terug bij je met de volledige informatie’, zo mailt een woordvoerder.
“Ja, dat is natuurlijk wel een beetje raar”, reageert Martijn Meeter, hoogleraar onderwijskunde aan de Vrije Universiteit. “Je kan er cynisch over doen, maar ambtenaren op het ministerie werken zich ook helemaal te pletter. Dit is voor het ministerie net zo’n onmogelijke opdracht als dat het voor de scholen is. Wat ik begrepen heb, is dat alle scholen een flinke zak geld krijgen en scholen met veel achterstandsleerlingen iets meer. Een deel van het geld zal dus bij scholen terechtkomen waar weinig of niks te repareren is en dat is heel erg jammer. Je zou willen dat daar meer rekening mee wordt gehouden.”

Verpieteren
Op de school van geschiedenisdocent John Arts, het Over Betuwe College in Elst, is er al een globaal beeld van de achterstanden. “De teamleider en leerlingcoördinator hebben veel tijd gestoken in het in kaart brengen van de achterstanden, vooral ook om leraren te ontzien. 20 Procent van de leerlingen heeft echt last van de coronasituatie, 60 procent heeft wel achterstand, maar daar gaat het toch best redelijk mee. En met 20 procent is het juist beter gegaan, die leerlingen verpieteren een beetje in grote groepen en floreerden bij afstandsonderwijs. Wat je verder ziet, is dat zaken als plannen en vooruitkijken behoorlijk zijn versloft, ook omdat leraren op afstand leerlingen natuurlijk minder achter de vodden konden zitten. Maar dat zie ik best wel goed komen.”
Wat Arts meer zorgen baart, is dat al die miljarden het onderwijs zelf weinig zullen opleveren. Want met eenmalig geld kun je geen beleid voor de toekomst uitstippelen. “Weet je waar ik nou zo bang voor ben? Straks zijn we dik twee jaar en 8,5 miljard euro verder en staan we eind 2023 met het hele onderwijs weer op het niveau van begin 2020, toen corona de kop opstak. Met dezelfde achterstanden en problemen die er toen al waren. Het kost me best veel moeite om daar niet super cynisch van te worden.”
“Met tijdelijk geld zal het Nederlandse onderwijs niet structureel verbeteren”, aldus hoogleraar Meeter. “Ik heb begrip voor de inspectie, want ze zien het onderwijs nu al een decennium afglijden. Ik heb ook begrip voor het ministerie, want ze hebben een bak met geld en ze zien dat er haast geboden is. En ik heb begrip voor scholen, want ze moeten te veel met te weinig leraren en te weinig tijd. Zo houden ze elkaar allemaal gevangen. Het zal aan scholen zijn om die renovatie uit te voeren. Dat is een hele zware opdracht, waar ze ook nog eens heel weinig tijd voor krijgen. Heel veel scholen zullen het geld op een manier inzetten die het onderwijs niet duurzaam verbetert.”

Rommel
Bijvoorbeeld door alle bijspijkeractiviteiten uit te besteden aan externe bureaus. Want ja, het team loopt op z’n laatste benen, snakt naar de zomervakantie om bij te tanken en vanaf september moet het lopende lesprogramma natuurlijk ook weer door. Veel scholen mogen al in hun handen knijpen als ze de reguliere lesuren kunnen bemensen met bevoegde docenten.
“Het is verleidelijk om te kiezen voor de snelle oplossing, pleisters plakken”, reageert hoogleraar Inge de Wolf, verbonden aan de Universiteit Maastricht. Als directeur van onderzoeksnetwerk Educationlab en mede-oprichter van het Onderwijs OMT legt ze zich toe op het delen van wetenschappelijke kennis (zie kader). “Ik hoor uit het onderwijs dat de mailboxen volstromen met aanbiedingen van bureaus die beloven achterstanden weg te werken zonder dat dat het schoolteam veel extra tijd kost. Daar zullen de champagneflessen zijn opengegaan in februari. Er zitten prima bureaus tussen waar scholen al langer mee samenwerken en die er belang bij hebben om de relatie goed te houden. Maar er zit ook veel rommel tussen. Ook die bureaus beloven mooie resultaten, dus het is zaak dat je er als school niet klakkeloos op ingaat.”
Het grote gevaar is natuurlijk dat gehaaide bijlescowboys gretig de kassa vullen met matige of ondermaatse ondersteuning en het onderwijs zelf na tweeënhalf jaar met lege handen achterblijft. Een zorg die door de AOb wordt gedeeld. Ook de Tweede Kamer ziet de bui al hangen en nam onlangs een motie van SP en GroenLinks aan die het kabinet oproept te waarborgen dat er geen onderwijsgeld ‘weglekt’. De branche van private onderwijsbureaus heeft de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen, aldus cijfers die de Kamer van Koophandel desgevraagd verstrekte. Het aantal ondernemingen specifiek gericht op studiebegeleiding, examentraining en bijles verdubbelde sinds 2014 naar 3466 begin april dit jaar, met bijna 3600 vestigingen. Wat ook blijkt: de grootste groei zit in de Randstad. Het nieuws over de miljarden aan coronasteun is ook aan hen niet voorbijgegaan. Google maar eens op ‘Nationaal Programma Onderwijs’ (NPO) en de gerichte advertenties vliegen je om de oren. ‘Voor het Nationaal Programma Onderwijs hebben wij interventieprogramma’s samengesteld.’ Of: ‘Hoe boek je als team snel en effectief resultaat en lees wat wél werkt. Pak onderwijs achterstanden (sic.) aan met interventies die bewezen werken.’
Basisschoolleraar Fomenko belde een poos geleden incognito een van die bijlesbedrijven op. “Ik kreeg een vriendelijke, commercieel geslepen verkoper aan de lijn, die me pushte om snel te beslissen. Terwijl de kosten voor het hele traject nog vaag waren. Eerst boden ze alleen bevoegde docenten aan, maar toen ik doorvroeg werden dat vierdejaars pabo-studenten en vervolgens minimaal derdejaars. Dan denk ik: dan kun je als school ook zelf contact zoeken met de pabo’s. Gelijk een bureau inhuren is wel de weg van de minste weerstand.”
“Er wordt te snel gezegd: We hebben de mensen niet, dus we besteden de extra lessen uit”, vindt ook AOb-voorzitter Van Gelder. “Kijk eerst naar de mogelijkheden binnen de school, het eigen team. Die leraren kennen de leerlingen al door en door. En zo houd je kennis en ervaring binnen de school. Je kan bijvoorbeeld parttimers tijdelijk urenuitbreiding geven, uiteraard op vrijwillige basis.”
Geschiedenisdocent Arts -ook parttimer heeft z’n hand al opgestoken. Hij wil best een uur extra lesgeven en met hem meer collega’s. “We hebben geen lerarentekort, maar een tekort aan leraren die voor de klas staan. Sommige besturen zeggen ‘We hebben de menskracht niet’ terwijl ze net weer een paar starters met tijdelijke aanstellingen de deur hebben gewezen.”

Opjagen
Docent beeldende kunst op het Erasmus in Almelo Marzena Broniak werd vlak voor de meivakantie NPO-coördinator op haar school. Vorig jaar was ze al nauw betrokken bij de inzet van de convenantsmiddelen voor werkdrukverlichting. Toen ging het om 154,96 euro per leerling voor twee jaar, nu om zo’n 700 euro per leerling per jaar. Ook nu wordt het personeel meegenomen in de besluitvorming, vertelt Broniak. “Het bestuur kan ons bijstaan door informatie te verzamelen, maar belangrijk is dat we gewoon met het eigen team nadenken over wat het beste werkt op onze school.” Zo ziet ze ook de rolverdeling: het bestuur ondersteunt de teams op de scholen en niet andersom. De directie speelt daarbij trouwens een belangrijke rol, benadrukt ze. “Die geeft ons gelukkig de ruimte hiervoor.” Ondanks het krappe tijdpad voor het inventariseren van de achterstanden en het formuleren van een aanpak met interventies, probeert Broniak vooral de mogelijkheden te zien. “De tijdsdruk is erg hoog, maar daar moeten we ons niet door laten opjagen. We moeten ervoor zorgen dat het goed gebeurt, stap voor stap. Het is eenmalig geld voor een korte periode, ik begrijp die kritiek. Toch zie ik vooral mogelijkheden, ook om het onderwijs structureel te verbeteren.”
Broniak roept leraren op om zich niet afzijdig te houden. “Natuurlijk hebben docenten het hartstikke druk, helemaal in dit gekke coronajaar. Maar ik raad iedereen aan om zich erin te verdiepen en zich ermee te bemoeien op school. Het loont echt de moeite. Zorg dat je tijdig reageert en meepraat en niet als de besluiten al genomen zijn. Het komt van twee kanten: als het personeel zich stilhoudt, wordt het voor een bestuur wel heel makkelijk om de keuzes te maken.”
Zo staat Fomenko er ook in. “Je krijgt nu de kans om dingen te doen waar voorheen geen geld voor was. Maar er is geen tijd om af te wachten. Deze operatie is als een wervelwind die over je heen trekt als je niet zelf naar voren stapt en je professionele rol opeist.”

{kader}
Wat werkt (maar niet altijd)?
Begin mei zette het ministerie een overzicht online van wetenschappelijk bewezen interventies. Die zogenoemde ‘menukaart’ is een vertaling van de Teaching and Learning Toolkit van de Britse Education Endowment Foundation, met de bedoeling om hem gaandeweg verder uit te breiden. Een goede eerste stap, vindt hoogleraar Inge de Wolf, mede-oprichter van het Onderwijs OMT en directeur van onderzoeksnetwerk Educationlab. “Ik vind de menukaart wel erg gericht op het bijspijkeren van cognitieve vaardigheden, zoals taal en rekenen. Daarmee ligt de nadruk meer op repareren dan renoveren. Maar professionalisering van leraren staat er bijvoorbeeld ook tussen, daar heb je als team heel lang profijt van.”
Logisch dat er over de grens gekeken wordt naar buitenlandse studies, maar daar hoort wel een kanttekening bij. Niet alle interventies kun je een-op-een overzetten uit een (Angelsaksisch) onderwijssysteem dat op sommige fronten sterk afwijkt van het onze, waarschuwt de hoogleraar. Zelf hoopt ze, onder meer met haar onderzoeksnetwerk, naast kennis delen ook de ‘voedingsbodem’ voor een wetenschappelijke onderbouwde aanpak op scholen te vergroten. “Wereldwijd groeit de wetenschappelijke kennis over onderwijs snel, maar in Nederland doen we er nog veel te weinig mee. Nederlandse leraren varen meer op ervaringen en intuïtie.” De Wolf verzorgde, samen met schoolleider Eva Naaijkens, op 19 mei voor de AOb een webinar over kansrijke interventies (online terug te kijken). ‘Kansrijk’ is een belangrijke nuancering, want of een interventie succesvol zal zijn, hangt van veel factoren af en verschilt per situatie. “Dat is ook een gevaar van een menukaart. Het wekt de indruk alsof je in de apotheek staat en voor elke kwaal een potje met pilletjes kan kiezen. Dat wekt schijnzekerheid.”
Minstens zo belangrijk als de wetenschappelijk onderbouwde interventies zelf, is de tijd om ze uit te voeren en evalueren. Een tijdpad van tweeënhalf jaar is daarvoor veel te krap, aldus De Wolf. “Voor sommige leerlingen is een snelle reparatie nodig om achterstanden te beperken. Tegelijkertijd zou ik de termijn naar vier jaar verlengen, zodat teams de tijd en ruimte hebben om te beoordelen hoe de interventies uitpakken en zo nodig bij te sturen.”

Ook de AOb deelt kennis met handreikingen, webinars, faq’s en artikelen. Een goed startpunt is de NPO-pagina op de AOb-website: aob.nl/npo/

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.