• blad nr 11
  • 3-6-2000
  • auteur . Overige 
  • Column

 

Rabbae

In het laatste nummer van Het Onderwijsblad uitte Marleen Barth haar vrees over de klassieke valkuil van de linkse beweging: één en hetzelfde ideaal dragen en toch elkaar de hersens inslaan over de beste manier om dat te bereiken. De les die ze trekt uit deze negatieve kant van de geschiedenis van de linkse beweging, deel ik volledig met haar. Dit hoeft echter niet elk debat met elkaar in de weg te staan. Collega Barth weet uit ervaring dat als het moment daar is, de meeste fracties in de Kamer, en zeer zeker de PvdA en GroenLinks, elkaar vinden om de positie van het onderwijs te versterken. En juist op dit punt gaapt een grote kloof tussen nood in deze sector en de helpende hand van het kabinet.
Het probleem is niet dat er geen geld is. Het probleem is dat het beschikbare geld verkeerd wordt verdeeld. De door het kabinet en de dragende fracties van Paars gemaakte afspraak over de verdeling van de meevallers tussen investeringen, staatsschuld en lastenverlichting, was wellicht een paar jaar terug verdedigbaar. De verdeling verliest onder de huidige omstandigheden aanzienlijk aan legitimiteit. Het is aan niemand uit te leggen waarom in deze periode van publieke armoede (onderwijs en zorg) en particuliere rijkdom veel miljarden aan ongerichte lastenverlichting besteed moeten worden. Door deze politiek kon een ramkoers in de onderwijs-cao pas op het laatste nippertje vermeden worden. Maar wij zitten nog steeds wel opgescheept, zoals Melkert terecht constateerde, met magere budgetten voor het personeelsbeleid van de (kleine) scholen. En intussen moeten wij uit de voorjaarsnota afleiden dat er voor de financiering van de voorschoolse educatie niet meer dan vijftig miljoen beschikbaar is! Dit bedrag is absoluut onvoldoende om, zoals staatssecretaris Adelmund heeft beloofd, de voorschool van de grond te krijgen in alle achterstandsgebieden in Nederland. En zo dreigt deze nieuwe voorziening het slachtoffer te worden van een financiële miskraam van het kabinet. Ook hier mag ik hopen en verwachten dat de meeste fracties bereid zullen zijn om krachtiger te investeren in de voorschool. Daarvoor is minstens tweehonderd miljoen nodig.
De discussie over de beste organisatie van de voorschool is echter ook met een behoorlijke financiering nog niet af. Twee aspecten zijn hierbij van cruciaal belang: de toegankelijkheid en de positionering. Willen wij dat alle betrokken ouders hun kinderen naar de voorschool brengen, dan zal deze voorziening gratis toegankelijk moeten zijn. Immers, de voorschool is geen kinderopvang, bedoeld om de ouders in staat te stellen om te werken. Het is een voorziening gericht op het wegwerken van de onderwijsachterstand. Daarom dient ze onder het onderwijs te vallen en onderdeel te zijn van de school. Een ander argument is dat veel autochtone ouders de school serieuzer en belangrijker vinden dan de kinderopvang. Bij de volgende kabinetsformatie zal men er verstandig aan doen om jeugdbeleid en onderwijs te integreren. Voorlopig is het nog niet zover. Daarom is de meest haalbare oplossing op korte termijn de integratie van de peuterspeelzaal in de school.

Dit bericht delen:

© 2020 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.