• blad nr 3
  • 1-3-2021
  • auteur M. van Nieuwstadt 
  • Verkiezingen 2021

 

AOb-leden: politiek moet werk maken van kleine klas


Kleinere klassen zijn volgens AOb-leden veruit de belangrijkste maatregel die het nieuwe kabinet moet nemen om de onderwijskwaliteit te verbeteren. D66 is zijn gevestigde positie bij het onderwijspersoneel kwijt. De Partij van de Arbeid en bovenal GroenLinks zijn onder AOb-leden de populairste partijen, zo blijkt uit een enquête onder AOb-leden die onderzoeksbureau Regioplan heeft afgenomen in januari, twee maanden voor de Tweede Kamerverkiezingen. D66 lijdt in vergelijking met eerdere landelijke peilingen een stevig verlies en raakt zijn positie als onderwijspartij kwijt. Van de bijna 4500 leden die hun keuze bepaald hebben, stemt 23 procent op GroenLinks; 22 procent wil PvdA gaan stemmen. ‘Bij de vorige verkiezingen was ik erg teleurgesteld in het gevoerde PvdA-beleid’, schrijft een AOb-lid. ‘Nu ga ik het weer proberen.’ Een ander merkt op: ‘Jesse Klaver heeft nu een duidelijk beeld over wat er nodig is in het onderwijs, zoals kleinere groepen.’ Nog maar 16 procent wil gaan stemmen op D66. Bij de vorige landelijke verkiezingen kwam D66 onder AOb-leden met bijna een kwart van de stemmen nog als grootste uit de bus, al is de precieze verschuiving lastig te meten. In antwoord op een aparte vraag geeft slechts 20 procent van de leden aan dat zij zich herinneren in 2017 gestemd te hebben voor D66 en ook dat percentage ligt lager dan in eerdere enquêtes. Vergeten Voor een derde van de leden was het onderwijsbeleid de aanleiding om van partij te wisselen. ‘Ik stem al 44 jaar op D66 en ben eigenlijk tot de conclusie gekomen dat deze partij alle mogelijkheden die ze gehad hebben om daadwerkelijk iets te veranderen zeker niet aangepakt hebben.’ Het lid verwijst naar de onderhandelingen voor de onderwijsbegroting in 2019, toen door een vergissing geen van de partijen - ook D66 niet - vroeg om extra geld voor onderwijs, hoewel veel partijen dat wel wilden: ‘Klap op de vuurpijl vond ik zo’n twee jaar geleden het feit dat de partij even vergeten was aandacht te besteden aan het onderwijs bij het nieuwe regeringsjaar.’ Rapportcijfers Ministers Arie Slob (primair en voortgezet onderwijs) en Ingrid van Engelshoven (mbo en hoger onderwijs) scoren voor hun beleid in de afgelopen vier jaar allebei een dikke onvoldoende. Van Engelshoven krijgt van de AOb-leden een 4,9; Slob zakt met een 4,1 nog verder door het ijs. De minister voor basis- en voortgezet onderwijs is met zijn beleidsscore precies beland op het niveau van zijn voorganger Sander Dekker. ‘Zo slap als Slob’, luidt een reactie. ‘Geen sturing en geen actie.’ Van Engelshoven doet het een fractie beter dan haar voorganger, Jet Bussemaker in de vorige kabinetsperiode. Toch schrijft een lid: ‘Het beleid van minister Van Engelshoven is in alle opzichten teleurstellend geweest - ze heeft de crises die zich voordeden en het begrip dat er echt wel bestond in de publieke opinie, kunnen gebruiken om meer geld voor onderwijs en onderzoek te genereren. Ik spreek haar daar niet persoonlijk op aan, maar haar partij.’ Negatief AOb-leden oordelen negatief over het onderwijsbeleid van het huidige kabinet. Op een rapportcijfer dat varieert van 1 tot 10 scoort Rutte III hier een 4,5. Daarmee blijft het kabinet iets achter bij Rutte II, dat op het einde van zijn reageerperiode onder AOb-leden nog een 4,8 haalde. In vergelijking met het cijfer van 3,7 dat AOb-leden het kabinet gaven, kort voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2018, is er wel enige vooruitgang. Het volledige kabinetsbeleid komt er onder de AOb-leden met een score van 5,9 aanzienlijk beter vanaf dan het onderwijs. Het kabinetsbeleid over de volle breedte is voor AOb-leden nog net iets vaker aanleiding om van partij te veranderen dan het onderwijsbeleid op zichzelf. Eén van respondenten vat samen: ‘Dit kabinet en de Tweede Kamer hebben de toeslagenaffaire laten plaatsvinden, de Groningse aardbevingsschade laten voortbestaan, veel te weinig gedaan om de salarissen in onderwijs, politie en zorg te verbeteren en de voortdurende erosie van het onderwijssysteem een halt toe te roepen.’ Rechts De positie van rechtse partijen als VVD en CDA verandert nauwelijks onder AOb-leden, in vergelijking met vier jaar eerder. ‘Ik vind dat Rutte het heel goed gedaan heeft in deze periode’, schrijft een lid. ‘Hij is voor de VVD een redelijk ‘linkse’ premier. Dat maakt dat ik vertrouwen in hem heb.’ Van de landelijke opmars in de peilingen van de VVD is onder AOb-leden geen sprake. Wel verdubbelt de PVV naar 2 procent. Een kwart van de AOb-leden heeft nog niet bepaald wat te stemmen. De onzekerheid over de keuze ligt daarmee lager dan in voorgaande jaren toen het aandeel twijfelaars soms opliep tot boven een derde. Mogelijk speelt daarbij een rol dat de verkiezingsdatum bij peilingen in eerdere jaren nog iets verder weg lag dan bij de huidige enquête. Prioriteiten Regioplan vroeg AOb-leden naar de onderwijsmaatregelen die naar hun inschatting prioriteit hebben met het oog op de verbetering van de onderwijskwaliteit, de positie van onderwijspersoneel als professional, de school waar zij werken en de onderwijssector als geheel. Kleinere klassen scoren in deze prioriteitenlijsten bijna overal bovenaan. Voor de kwaliteit van het onderwijs aan eigen leerlingen noemt 85 procent van de leden klassenverkleining een topprioriteit. Betere faciliteiten voor leerlingen met leerproblemen of achterstanden (38 procent) en minder toetsdruk (37 procent) volgen op ruime afstand, met het aanstellen van een klassenassistent niet ver daarachter (31 procent). Nieuwe lesmethoden of een nieuw curriculum zijn volgens de AOb-leden van ondergeschikt belang. Ook wanneer leden wordt gevraagd naar de hoogste prioriteiten voor henzelf als onderwijsprofessional en voor de onderwijssector als geheel, scoren de kleinere klassen veruit het hoogst, op de voet gevolgd door het belang van een lagere werkdruk en structureel meer investeringen in het onderwijs. Alleen wanneer leden wordt gevraagd naar de hoogste prioriteit voor de eigen school, scoort het aanpakken van de werkdruk (67 procent) een fractie hoger dan het verkleinen van de klassen (66 procent). Coronacrisis Het ter beschikking stellen van de werkdrukgelden is volgens AOb-leden dan ook veruit de beste maatregel die het kabinet Rutte III op onderwijsterrein heeft genomen. Van hen kruist 38 procent deze ingreep aan op een keuzelijst. Het schrappen van de eindexamens wegens de coronacrisis en de aanpak van de coronacrisis in het algemeen, behoort tot de topmaatregelen van het kabinet volgens een vijfde tot een kwart van de leden, 18 procent streept hier de scholensluiting aan. Er zijn ook leden die elementen van de corona-aanpak classificeren als één van de slechtste kabinetsmaatregelen, maar zij zijn in de minderheid met scores van 17 procent (voor de aanpak van de coronacrisis), 11 procent (schrappen van de eindexamens) en 7 procent (scholenopening na de zomervakantie). Afkeuring Wel is de afkeuring onder AOb—leden enorm groot over het uitblijven van structurele onderwijsinvesteringen tijdens Rutte III (69 procent), het uitblijven van de aanpak van het lerarentekort (66 procent) en het uitblijven van structurele salarisverhoging (58 procent). In de antwoorden op open vragen geven AOb-leden een volgend kabinet tal van opdrachten mee: ‘Zet onderwijs en zorg nu eens op één. Investeer structureel. Maak klassen kleiner, zorg voor gratis voor- en naschoolse opvang, zorg voor één salarishuis primair en voortgezet onderwijs. Niet praten, maar vooral uitvoeren dus.’ Ook hier komt het belang van de klassenomvang veelvuldig terug: ‘Ga voor kwaliteit: kleine klassen.’ {kader} Deelnemers Voor dit verhaal is gebruikgemaakt van een vragenlijst die onderzoeksbureau Regioplan medio januari in opdracht van het Onderwijsblad per e-mail heeft gestuurd aan 71863 van de 85 duizend AOb-leden. Van hen vulden er 6205 de enquête in, een respons van circa 9 procent. Van de geënquêteerden werkt 87 procent in het onderwijs, bijna de helft van hen al meer dan twintig jaar. Van de respondenten werkt 9 procent als onderwijsondersteuner, 4 procent heeft een directiefunctie en 85 procent geeft les. Van de leden die de enquête hebben ingevuld werkt 44 procent in het primair onderwijs, 40 procent in het voortgezet onderwijs, 9 procent in het mbo, 5 procent in het hbo en 2 procent in het wetenschappelijk onderwijs.


Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.