• blad nr 2
  • 1-2-2021
  • auteur . Overige 
  • Opinie

 

Wees niet bang, leer leerlingen debatteren

Tekst Roland van Loosbroek
De vrijheid van meningsuiting mag niet gebruikt worden om minderheden de mond te snoeren. Voer het debat over het debat in de klas, adviseert filosofiedocent Roland van Loosbroek. Het is noodzakelijk.

‘Let je een beetje op wat je zegt vandaag?’ Het mailtje van mijn leidinggevende was humoristisch bedoeld. Hij attendeerde mij op een incident op een hogeschool. Scholieren hadden een filmpje gemaakt van een gedachte-experiment van een les filosofie. Toch schrok ik even. Had ik iets verkeerd gezegd? Ik lees fragmenten uit mijn lessen regelmatig terug in de schoolkrant. Filosofen zoeken nu eenmaal vaak de grenzen van het denken op, dus dat zorgt nog wel eens voor scherpe formuleringen of hele duidelijke voorbeelden. En dat komt dan ook terug in de klas. De afgelopen tijd heeft het debat over de vrijheid van meningsuiting in de klas een scherpte gekregen die, denk ik, niemand wenst. Tegelijkertijd maakt deze actualiteit het noodzakelijk dit ‘debat over het debat’ in de klas te voeren.
De vraag die menig docent zichzelf stelde, is of je bepaalde spotprenten moet laten zien om de vrijheid van meningsuiting uit te leggen. Achter deze vraag schuilt echter een veel belangrijkere vraag. In plaats van dat leerlingen geleerd moet worden wat de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn, moeten leerlingen met elkaar leren praten over wat die grenzen behoren te zijn. Tenslotte moeten leerlingen vooral leren dat in een democratie wetten en regels na gesprek tot stand komen. Een groot voordeel van deze nadruk op gesprek in plaats van een uitleg, is dat leerlingen daarmee leren dat je moet proberen met redenen en argumenten wetten en regels te veranderen. De grens van het debat wordt dan gevormd door de voorwaarden van het debat. Bepaalde uitingen zijn namelijk helemaal niet argumentatief: ze zijn niet gericht op uitleg van het standpunt aan de ander. Met de beste wil van de wereld geldt voor sommige uitspraken dat deze geen bijdrage aan het debat nastreven, maar eerder gericht zijn op het vernederen van anderen. Een zinvol debat is alleen mogelijk binnen bepaalde regels.

Context, context, context
Niemand heeft het recht een enkeling de mond te snoeren. Filosoof John Stuart Mill stelt met deze belangrijke regel dat ook een onpopulaire mening gehoord moet kunnen worden. Nu geldt dat welke mening populair is en welke niet, kan veranderen, afhankelijk van de (maatschappelijke) context. In de jaren vijftig was kritiek op de christelijke meerderheid misschien dapper, maar de voortgaande secularisering maakt dat bepaalde kritiek nu misschien vooral gemakkelijk en laf is geworden. Ridders van het vrije woord die pas ten tonele verschijnen als de overwinning allang behaald is, tooien zich met de verkeerde eretitel. De vrijheid van meningsuiting mag niet gebruikt worden om minderheden de mond te snoeren. Juist het afwijkende geluid draagt immers bij aan waarheidsvinding. Niet alleen de maatschappelijke context verandert, maar zeker ook de context in de klas. In de ene klas is het bekritiseren van bijvoorbeeld de islam dapper en nodig. In een andere klas is het laf en misschien wel een poging tot vernedering. Een ongepaste opmerking moet bediscussieerd worden, maar hoeft niet direct afgestraft te worden.
Veel collega’s weigeren leerlingen te vertellen wat hun politieke voorkeur is. Dat is hun goed recht. Ik denk alleen niet dat dit altijd verstandig is. Dat je een bepaalde overtuiging hebt, hoeft namelijk niet te betekenen dat je geen gesprek daarover wil voeren. Sterker nog, als we werkelijk leerlingen willen begeleiden in het ontwikkelen van subjectiviteit, dan is het denk ik ook belangrijk dat een leraar laat zien dat het hebben van overtuigingen niet betekent dat je daar het gesprek niet over kunt aangaan op een open manier. Bovendien staat een school vaak bol van de overtuigingen van de meerderheid. Menig docent heeft niet in de gaten dat op het eerste gezicht onschuldige opmerkingen tot spanning kunnen leiden. Zo spreek ik mijn klas vol met meiden regelmatig aan met ‘jongens’. En mijn vak geeft weinig ruimte aan vrouwelijke denkers. En dan vermoed ik dat een vak als filosofie tot de meer open vakken behoort.
Dus in antwoord op mijn leidinggevende: ik schuw geen enkel onderwerp, maar ik probeer wel een werkelijk gesprek mogelijk te maken.

Roland van Loosbroek is docent filosofie op een school voor havo en vwo

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.