• blad nr 2
  • 1-2-2021
  • auteur M. Lange 
  • Redactioneel

 

Adrenaline maakt plaats voor gelatenheid

Het onderwijs heeft veel geleerd van de eerste lockdown en plukt daar nu de vruchten van. Minder leerlingen zijn buiten beeld. Maar de achterstanden stapelen zich op en de energie om weer alles anders te doen, neemt af.

Bij de start van de tweede lockdown, vlak voor de kerstvakantie, haalde basisschooldirecteur Sandra Wielenga van het Galjoen in Den Hoorn stiekem opgelucht adem. Zeven docenten van de 34 zaten op dat moment thuis met corona. Alle zeilen moesten worden bijgezet om zo weinig mogelijk leerlingen naar huis te hoeven sturen. “Zodra de scholen dicht moesten, konden wij de draad oppakken van online lesgeven. Ik ben heel trots op alle leraren. We hadden een hoop geleerd van de eerste keer. En dat gold ook voor leerlingen en ouders. Het was allemaal minder vreemd. Alle leerlingen vanaf groep 3 kregen dit keer meteen een chromebook mee naar huis.”
Wielenga accepteert de omstandigheden zoals ze zijn. “Dat doe ik vooral voor de leerlingen. Ik wil dat zij, hoe dan ook, een veilig gevoel hebben.” Dat leerlingen achterstand oplopen door het afstandsonderwijs, vindt ze relatief. Kinderen leren nu andere dingen, ze leren zich op een andere manier verhouden tot ouders of broers en zussen en ze brengen hun thuissituatie mee in de les. “Overal is een oplossing voor, ook voor de toetsen. De toetsen kunnen op een later moment als de kinderen weer een poosje op school zijn worden afgenomen. Het verwijzen van achtstegroepers naar het voortgezet onderwijs kan eventueel ook zonder eindtoetsresultaten. De leerkrachten werken intensief met de kinderen en zij kennen de kinderen al hun hele schoolloopbaan.”
Ook voor ouders biedt de lockdown volgens Wielenga een kans. Ze kunnen meekijken naar hoe hun kind reageert op de leraar of op andere kinderen. “Dat is een meerwaarde. Het is niet onderwijs op afstand, maar juist onderwijs dichterbij, in je eigen huis.”

Werkdruk
Omar Rupp, docent maatschappijleer en -wetenschappen van havo en vwo-school Alasca in Amsterdam, is tijdens deze tweede lockdown nog steeds twee à drie dagen per week op school. Deze middag krijgt hij de havisten van de eindexamenklas. “Soms ben ik bang om corona te krijgen, maar tegelijkertijd verslapt ook mijn aandacht en vergeet ik steeds vaker mijn handen te wassen.”
Rupp werkt op een nieuwe school waar al veel gebruik wordt gemaakt van online lesmethodes, waardoor de technische overgang naar online lesgeven vanaf de eerste lockdown soepel verliep. Maar de werkdruk, die in het onderwijs toch al hoog was, is met de lockdowns verder toegenomen, merkt Rupp. De leerlingadministratie is bewerkelijker en geplande lessen of projecten moeten telkens worden omgezet. Volgende week staat een projectweek maatschappijleer op het programma, maar veel opdrachten kunnen niet doorgaan. “Normaal stuur ik mijn leerlingen de straat op voor sociaal-maatschappelijk onderzoek, daar moeten we nu steeds iets anders voor verzinnen.”
Rupp vindt het ook lastiger om online een vinger aan de pols te houden bij zijn leerlingen. Hoe gaat het echt met ze? Zijn ze niet depressief? Snappen ze de stof? “Toch moet ik zeggen dat mijn leerlingen het goed doen. Het ligt misschien ook aan het type leerlingen op onze school, ze werken zelfstandig, ze redden zich best prima.”
Leerlingen die zich minder goed redden op school, hebben het tijdens de schoolsluiting soms extra zwaar. Saskia Mink is schoolondersteuner voor leerlingen met leer- en/of gedragsproblemen in het voortgezet onderwijs in Noordoost Brabant. Door de lockdown is het voor Mink moeilijker om contact te krijgen of te houden met leerlingen die begeleiding nodig hebben. “Normaal gesproken zou ik met sommige leerlingen, hun mentor en ouders al lang om de tafel hebben gezeten, maar dat lukt nu niet, leerlingen zijn niet op school en de docent treft ze ook niet fysiek.” In het online begeleiden van leerlingen lopen de schoolondersteuners tegen nieuwe dingen aan. Vaak zetten leerlingen hun camera bijvoorbeeld niet aan. Mink: “Sommigen willen niet laten zien hoe hun slaapkamer is, dat ze hun haar nog niet gedaan hebben of dat ze nog in bed liggen. Laatst liep een moeder de slaapkamer binnen van een jongen waarmee een collega al twintig minuten aan het praten was over een schoolplanning. De moeder riep: Zit jij de hele tijd te gamen? Hij had dus niet echt geluisterd naar mijn collega, alleen een paar keer ja gezegd.”
Toch is Mink niet pessimistisch. Een deel van de leerlingen heeft baat bij de online lessen omdat ze minder worden afgeleid. Bovendien vindt Mink dat we vertrouwen moeten hebben in de veerkracht van leerlingen. Als ze een dag in bed blijven liggen, vergaat daarmee de wereld nog niet. “Maar we moeten wel zorgen, leraren en schoolondersteuners, dat we in contact blijven met ze.”
Ze ziet dat er geleerd is van de eerste lockdown. Minder leerlingen raken totaal buiten beeld, is haar ervaring. Soms is de reden waarom een leerling onbereikbaar was achteraf heel eenvoudig. Een leerling was een paar weken niet online, omdat zijn laptop het niet deed. “Het lukte hem niet om om hulp te vragen. Dat vinden sommige kinderen heel moeilijk. Totdat we hem eindelijk bereikten en hij zijn laptop naar school bracht om ‘m te laten updaten. Vanaf dat moment was hij een heel andere jongen, blij dat hij weer mee kon doen.”

Spanning
De tweede lockdown zet veel studenten van mbo en hbo die stage moeten lopen op een achterstand. Op de HZ University of Applied Sciences (voorheen hogeschool Zeeland) merkt docent social work en pabo Jopke van der Borgt dat de spanning voor sommige studenten flink toeneemt. Haar studenten van de pabo kunnen hun stages niet afronden of leren nu vooral online lesgeven. “Ik heb studenten met een onvoldoende en zij moeten hun stage overdoen, maar zij kunnen op de basisschool niet hun normale stageopdrachten uitvoeren.” Ze vreest dat haar studenten minder toekomen aan bijvoorbeeld het leren over de groepsdynamiek van een klas. “Dat vak geldt niet als praktijkonderwijs, dus mogen we deze lessen niet geven.” Van der Borgt ervaart de tweede lockdown als zwaarder dan de eerste. “Tijdens de eerste lockdown zaten we vol adrenaline, maar nu stapelen de achterstanden van studenten zich op. Op 1 februari dacht ik weer een normaal blok te kunnen draaien, maar dat is dus niet gelukt, we moesten weer alles omzetten.”
Dit is herkenbaar voor professor en evolutionair ecoloog Bregje Wertheim van de Rijksuniversiteit Groningen. Zij uitte van meet af aan zorgen over alle wetenschappers op haar afdeling, vooral met tijdelijke contracten, die plotseling hun onderzoek moesten afbreken en opschorten. Zij ziet dat sommige problemen van de eerste lockdown weer zijn teruggekeerd bij deze tweede lockdown. Veel onderzoekers en docenten hebben thuis kleine kinderen en online lesgeven is dan lastig. Veel studenten vinden thuiswerken ook moeilijk, ze kunnen de concentratie vaak niet vinden en soms voelen ze zich geïsoleerd. Er zijn ook verschillen met de eerste lockdown, ziet Wertheim. De practicumzalen zijn deze keer enigszins toegankelijk, waardoor de voorbereidingen voor onderzoek door kunnen gaan. “Als we straks weer open mogen, zijn we daardoor beter voorbereid.”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.