• blad nr 2
  • 1-2-2021
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

 

‘Leraren en ministerie moeten in relatietherapie’

Het lukt leraren niet goed om zich als professionele beroepsgroep te organiseren. Daardoor lopen ze het risico dat hun vak door anderen wordt overgenomen. Dat zegt onderzoeker
Andrea Frankowski. Haar oplossing: relatietherapie.

Het ministerie wil leraren graag betrekken bij het beleid, want goed beleid wordt gedragen door de werkvloer. Dus proberen ambtenaren inspirerende leraren te ondersteunen. Dan gebeurt er volgens het ministerie te weinig en gaan ambtenaren zich dwingender opstellen. Waarop leraren de hakken in het zand zetten, het ministerie nog harder gaat duwen enzovoort, enzoverder.
Ziehier de neerwaartse spiraal waarin het ministerie en leraren keer op keer terechtkomen, stelt de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in haar rapport De leraar aan tafel. “Het ministerie probeert al meer dan tien jaar lang om leraren bij het beleid te betrekken”, concludeert onderzoeker Andrea Frankowski. Zonder succes.
De belangrijkste oorzaak daarvan is, volgens het rapport, dat het ministerie steeds weer op zoek gaat naar één partij die alle leraren vertegenwoordigt. Eén beroepsorganisatie waarmee de overheid afspraken kan maken, met een handtekening eronder. Waarna die organisatie ervoor zorgt dat die afspraken binnen de eigen beroepsgroep worden nagekomen. Een organisatie, kortom, die doodnormaal is in het Nederlandse poldermodel. Er zijn bijvoorbeeld beroepsorganisaties voor verpleegkundigen, artsen of advocaten.
Alleen: zo’n organisatie is er niet in het onderwijs. Want leraren zijn een heel versnipperde beroepsgroep. “Dé leraar bestaat niet”, zegt Frankowski, verbonden aan de Universiteit van Tilburg. “Leraren kunnen heel verschillende opvattingen hebben over hun vak. In de gezondheidszorg is dat bijvoorbeeld heel anders. Over hoe je een gebroken been behandelt of hoe je een patiënt met longontsteking verpleegt, is iedereen het wel eens. Maar het onderwijs spreekt niet met één mond.”
Er zijn wel diverse kleine initiatieven waarin leraren zich verenigen, zoals in de Beroepsvereniging Opleiders mbo. En het ministerie heeft zelf leraar-ambtenaren aangesteld die, naast hun werk in de klas, op het ministerie meedenken over het beleid. Maar zodra clubjes geacht worden voor alle leraren te spreken, loopt het mis.
Het belangrijkste voorbeeld van dat laatste is de Onderwijscoöperatie. Deze vereniging van leraren werd in 2011 opgericht, maar na zeven jaar strubbelen weer opgeheven. “De coöperatie was een poging om tot beroepsvertegenwoordiging te komen”, zegt Frankowski. “Helaas mislukte dat.”
Onder leraren werd geen consensus bereikt over wat nu eigenlijk goed is voor ‘de leraar’. Het grootste struikelblok was het lerarenregister. De één zag het als middel tot professionalisering en tot verankering van de autonomie van het beroep, zoals het ook bedoeld was, de ander zag het als onnodige administratie. En zo ging een initiatief tot beroepsvorming van leraren ten onder aan gekibbel.
Sinds vorig jaar is er in het onderwijs ook het Lerarencollectief, dat de brede beroepsgroep van leraren wil gaan vertegenwoordigen.
“Ik ben benieuwd of het ze gaat lukken”, zegt Frankowski. “De financiering lijkt me een probleem. Want het ministerie wil graag dat zo’n organisatie financieel op eigen benen staat, alleen zo zijn ze immers echte onafhankelijke vertegenwoordigers van de beroepsgroep. Maar de meeste leraren hebben geen tijd om een paar dagdelen per week gratis voor een beroepsorganisatie te werken. Als het om geld gaat, hebben vakbonden betere kansen om de beroepsgroep te vertegenwoordigen. Alleen is dat tot nu toe dus niet echt gelukt.”

Verdeel en heers
De vraag dringt zich op waarom het eigenlijk nodig is, zo’n partij die de beroepsgroep vertegenwoordigt. Wat gaat er mis als die er niet is? Dan wordt het vak van leraar door anderen ingevuld, zegt Frankowski. Zo krijgen de educatieve uitgeverijen de laatste jaren al steeds meer invloed in de klas. “De lesmethoden zijn op dit moment zo ver doorontwikkeld dat die methodes leidend worden, in plaats van dienend.”
Ook krijgen grote bedrijven als Google (met de chromebooks) en Microsoft een steeds grotere plek in de klas. En neemt de invloed toe van professionals in de leerlingenzorg, die door passend onderwijs steeds vaker de klas in komen. “Straks ben je als leraar alleen nog maar een uitvoerder van dingen die anderen bedacht hebben”, waarschuwt Frankowski.
De beste kans om een brede beroepsgroep te laten ontstaan is volgens de onderzoekers het sturingsmodel van societal resilience. Daarbij praat het ministerie niet met één groep die namens alle leraren spreekt, maar met een variëteit aan organisaties en groepjes. Waaruit op termijn, vanuit de groep zelf, wellicht uniforme opvattingen over het beroep en het vak kunnen ontstaan. Maar dan wel van onderaf.
Dat is een lastig model. Ook voor het ministerie, dat maar moet zien hoe het omgaat met de opvattingen van al die verschillende partijen.
Daarnaast bestaat het gevaar dat het ministerie zo’n model gebruikt voor een verdeel-en-heerspolitiek. Die werkt niet in het onderwijs, zegt Frankowski, omdat leraren in Nederland veel vrijheid hebben om beleid uit te voeren of naast zich neer te leggen. “Succesvol onderwijsbeleid moet gedragen worden in de praktijk. Anders komt het echt de klas niet in.”
Eigenlijk moeten het ministerie en de leraren in relatietherapie. “Als leraren uitspreken dat ze willen professionaliseren, maar dit lastig vinden, is dat het begin van een gesprek. Als het ministerie graag meer autonome leraren wil, maar niet weet wat het daarvoor moet doen of laten, is dat ook het begin van een gesprek.”
“Tussen het ministerie en de leraren bestaan over en weer een heleboel irritaties”, zegt Frankowski. “Start nu eens een wederzijdse dialoog van twee partijen die allebei beseffen dat ze vastlopen en elkaar nodig hebben. Ga uit van wat je gezamenlijk wilt: goed onderwijs voor elke leerling. Het is absoluut niet zeker dat dit uiteindelijk leidt tot één beroepsorganisatie, maar aan de andere kant: op de manier waarop het de afgelopen tien jaar is geprobeerd, lukt het ook niet.”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.