• blad nr 2
  • 1-2-2020
  • auteur W. de Lange, de 
  • Column

 

Tobben


“Geeft niks, Noor. Luister, komt ‘ie nog een keer: Het is in het Duits net als in het Nederlands: ‘zij heeft’, is niet hetzelfde als ‘zij hebben’. Het is allebei zij, maar bij ‘zij heeft’ gaat om één persoon en bij zij hebben om meer personen.” Ik doe mijn best het niet te lang en niet te kort uit te leggen. Ze kijkt me meegaand aan. Zachte blauwe ogen in een gaaf ovaal, een madonna. Maar zelfs lieve Noor weet op maandag om vijf voor acht ’s ochtends wel iets leukers te bedenken dan bijles Duits. Haar ouders willen het nu eenmaal graag. Voor mij is het leerzaam. Half uurtje geoefend, nu gaan we kijken of het beter gaat. “Zij hebben honger”, geef ik op. ‘Sie is honger’, schrijft Noor op. Kortsluiting niet verholpen. Volgende week is er weer een week. Noors klasgenote Jinka is geen madonna. Een verwend pestkoppie is het. Wat dyslectische Noor niet kan, rijtjes en woordjes stampen, dat kan Jinka goed. Zij hoeft geen bijles. Maar nu heeft de klas een toets van het soort waar Jinka niet van houdt. De klas moet begrijpend lezen in het Duits. Woordenboek toegestaan. Ik kan het ze niet besparen. Dit is wat ze over ruim een jaar voor het eindexamen moeten kunnen. Ze krijgen een krantenstuk over een mislukte inbraak. ‘In der Nähe’, zoekt Jinka op. Ze vindt het, maar ze snapt de vertaling niet. “Juf was is nou nabijheid?” roept ze verontwaardigd door de klas, die doodstil zou moeten zijn, want toets. Als iets niet vanzelf gaat, mag Jinka van Jinka roepen. Even later klinkt het “Wat is verdomme profiteren?” Er volgen nog meer uitbarstingen. “Wat the fuck is buit?” Ik werk nu vijftien jaar op deze school. Maar nog steeds denk ik, bij het vooraf uitzoeken van een tekst, dingen als: ‘Beute is buit, dat kunnen ze alvast zo raden.’ Maar buit zegt ze niks. Soms weet ik niet hoe (en waarom?) ze een tweede vreemde taal moeten leren als hun Nederlandse woordenschat zo… overzichtelijk is. Het enige wat zou helpen, is veel lezen. Veel lezen doe je alleen als je voor je plezier leest. Dat geldt voor gemiddeld een halve eenzame ziel per klas. Kevin is geen groot lezer, maar wel van goede wil. Hij zit in de les pal tegenover me en ziet me tobben met tablet, leesbril en beamer. Op zo’n moment moet en zal hij tegen me praten. “Juf, hoe zit het ook al weer met die dichter, hoe heet ie ook al weer, Mozart? Nee, iemand anders, die man die een appel op zijn hoofd krijgt.” Bedoel je Wilhelm Tell? Da’s geen dichter. “Nee, Shakespeare, nou weet ik het.” Wat bedoel je nou? Geen tijd meer, de beamer reageert eindelijk. “De beschaving gaat ten onder!” roep ik tegen Kevin, terwijl ik de film start. Vindt ‘ie leuk, als ik rare dingen zeg.


Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.