- blad nr 11
- 1-12-2019
- auteur L.. van Sadelhoff
- Redactioneel
Kleine klas is een verademing
Het was de eerste keer dat Vermeer lesgaf in een kleine klas, zeg maar gerust een mini-klas, met vijf kinderen. En het was ook meteen de eerste keer dat ze ervoer hoeveel rust dat haar gaf, als docent. “Ik kwam van een school met 2300 leerlingen”, vertelt ze. “Ik had het er naar mijn zin, maar de klassen waren overvol. Wiskunde A en B werden bij elkaar gezet, soms zaten er wel 32 kinderen in één lokaal.”
Terwijl ze dat vertelt, zit ze in een hoekje in de gang op de eerste verdieping. Haar les is bezig op de tweede verdieping. Drie leerlingen zitten er tussen verder lege tafeltjes en stoeltjes. Vlak voor ze wegliep, keek ze nog even over haar schouder. “Ik ben er zo weer, jullie redden je wel hè.” Geknik. Natuurlijk redden ze zich.
Verademing
Op het Haagse Conservatorium, waar ongeveer 140 leerlingen rondlopen, zijn de klassen sowieso klein. En dan vooral de wiskundeklassen, want niet iedereen in de bovenbouw kiest dit vak. “Het zijn toch vaak creatieve leerlingen”, weet Vermeer.
Ze noemt de kleine klassen een verademing. “Ik heb meer overzicht, kan elke leerling alle aandacht geven die hij of zij verdient.” Vroeger kon ze ’s nachts nog weleens wakker schrikken. Shit, ik heb niet aan die leerling gevraagd hoe het gaat. Of: ik had nog even iets bij een kind moeten checken. “Nu heb ik elk kind in de smiezen. En de ontwikkeling van elk kind.” Daar komt bij: het is gezellig. “Je hebt meer persoonlijk contact. Sterker, toen ik hier voor het eerst kwam, had ik de hele tijd het gevoel dat ik niet een lokaal binnenstapte, maar een huiskamer.”
Auditie
Ordeproblemen? Heeft ze niet. Kinderen eruit sturen? Strafwerk uitdelen? Hoeft niet. Maar, toegegeven: dat kun je niet alleen maar aan de klasgrootte koppelen. Vermeer denkt, uit ervaring, dat het er wel mee te maken heeft, want je kunt natuurlijk minder snel iets stiekems doen als kind, maar ook het type leerlingen op deze school is gemotiveerder dan gemiddeld. “Deze kinderen hebben auditie moeten doen. Ze willen maar één ding en dat is de muziek in of groot worden in de danswereld. Ze willen zo efficiënt mogelijk werken, zodat ze meer tijd hebben voor hun passie.”
Ook John Kleijn geeft wiskunde op het Haagse conservatorium. En ook hij komt van scholen waar de klassen groter waren. “Dit heeft veel voordelen”, vertelt hij terwijl hij voor de klas staat. Zestien koppen telt hij vandaag. “Dat is veel, voor deze school.” Ze zitten in het computerlokaal. Er zijn tafels vrij, de ruimte is eigenlijk te groot voor de klas. “Heerlijk is dat voor een docent”, zegt Kleijn. “Je hebt letterlijk bewegingsruimte. Mensen denken vaak bij grote klassen aan een gebrek aan aandacht, maar ook praktisch heeft het nadelen. Ik kan nu, met zo weinig leerlingen, langs iedereen lopen, over iedereens schouder meekijken.”
Zoals net, toen hij aanwees op een scherm waar de leerling de mist in ging bij het invullen van zijn excel-sheet. “Dat krijg je niet voor elkaar in een klas met dertig kinderen.”
Lerarentekort
In Nederland is op dit moment geen maximum klassengrootte vastgesteld. Volgens cijfers van het ministerie van Onderwijs daalde de gemiddelde groepsgrootte in het primair onderwijs van 23,3 leerlingen in 2015 naar 23,1 in 2017. Cijfers van de klassengrootte in het middelbaar onderwijs heeft Slob niet, maar uit een AOb-enquête van afgelopen zomer kwam een hogere gemiddelde klassengrootte naar voren van 24,2 in zowel primair als voortgezet onderwijs, wellicht als gevolg van het lerarentekort.
In onderzoek blijkt de invloed van kleine klassen lastig te isoleren van andere factoren die onderwijsresultaten beïnvloeden, schrijft het Centraal Plan Bureau in het rapport ‘Onderwijsbeleid in Nederland, de kwantificering van effecten’.
Onomstotelijk bewijs dat leerlingen profijt hebben van kleine klassen, is er dus niet. “Maar ik merk wel dat ik meer rust heb op mijn werk”, zegt wiskundedocent Kleijn. Een rondvraag op een facebookpagina voor wiskundedocenten, wijst ook in die richting. ‘Natuurlijk is een kleinere klas lekkerder werken’, schrijft Frank van den Eijkhof, docent op het Driestar College in Gouda. ‘Alleen is het meer een kwestie van leerlingkeuze, geluk en schoolbeleid. Hoe kleiner de klas, hoe duurder wij zijn.’ Docent Paul Meulemans weet het goed samen te vatten: ‘Ik zeg altijd maar, hoe minder zielen hoe meer vreugd.’
Hugo Bronkhorst schrijft dat het harder werken is in een klas met 32 leerlingen, maar op het centraal examen ziet hij weinig verschil in de cijfers met leerlingen in een kleinere klas.
Kizzy van der Gaag van het Carmelcollege in Emmen vertelt over haar klas met veertien leerlingen: “De kinderen krijgen persoonlijke aandacht en ik kan ze goed in de gaten houden.” Haar havo-3-klas bestaat uit meer dan het dubbele aantal leerlingen, 32, en daar merkt ze dat ze langer over haar uitleg doet. “Tijdens de uitleg komen er al een hoop vragen. En tijdens het zelfstandig werken ren ik van de ene leerling naar de andere. Als het lesuur voorbij is, heb ik vaak nog niet alle vragen beantwoord en ik heb ook geen idee hoe mijn leerlingen er precies voor staan.” Ze mist tijd om rustig door te klas te lopen en bij te sturen. Daarom doet ze het soms na lestijd, of in haar vrije tijd. Extra druk, extra werk dus.
Nadelen
Toch zijn er ook nadelen aan de kleinere klassen, ondervindt Vermeer op het conservatorium. “Je zou het niet zeggen, maar het is niet altijd relaxed voor de leerlingen”, zegt ze. “Ik zie alles. Ik heb geen ogen in mijn rug nodig bij zo’n klein aantal. Een leerling kan zich nooit aan mijn zicht onttrekken. En dat is soms best wel eens lekker, als je puber bent en gewoon ook eens een keer geen zin hebt.” Haar collega Kleijn denkt dat het voor de kinderen in sociale zin beter is om meer keuze te hebben in klasgenoten. “Als je met die ene leerling niets hebt, kun je in een grotere klas makkelijker naar andere klasgenoten zoeken met wie je wel een klik hebt.”
Marco ten Hoff, docent op het OSG Piter Jelles in Leeuwarden, schrijft op Facebook dat hij zijn klas met drie leerlingen te klein vindt. ‘Je krijgt weinig terug’, zegt hij, waarmee hij doelt op problemen waar ze tegenaan lopen. Het kan ook te gezellig worden met zo weinig, schrijft een andere docent. ‘Dan kun je thee met koekjes serveren.’
Ook de CPB-onderzoekers schrijven over mogelijke voordelen van grotere klassen. ‘Zo heeft een leerling in een grotere klas een grotere kans een medeleerling te treffen waarvan hij/zij veel kan leren.’ Daarnaast is het mogelijk dat docenten hun manier van lesgeven niet aan het kleinere leerlingenaantal aanpassen en ook dat kan een negatief effect hebben op de leskwaliteit.
Tenslotte, met de nijpende lerarentekorten, zeker bij de exacte vakken, is de keerzijde van kleinere klassen dat er meer onervaren of zelfs onbevoegde leraren voor de klas staan, dat er meer lesuitval is. En ook dat kan de onderwijskwaliteit negatief beïnvloeden, zo schrijven de CPB-onderzoekers.
“Het is een lastige tweestrijd”, erkent Vermeer. “Maar ik denk wel dat klassen van dertig te groot zijn. Is het niet voor de leerlingen, dan wel voor de docent.” Vier of vijf leerlingen is erg weinig, maar vijftien tot twintig? Dat zou ze perfect vinden. “Dan kunnen ze soms dingen stiekem doen, ze kunnen van elkaar leren, maar ook zelfstandig werken. Ik teken ervoor.”