• blad nr 9
  • 1-10-2019
  • auteur W. de Lange, de 
  • Column

 

Zijn moeder is een held

We gaan op kennismakingskamp met de nieuwe eersteklassertjes. Gekwebbel in een bus vol twaalf- tot dertienjarigen. Zeventig maal gekwebbel is een pokkenherrie. Achter me zegt een blond schoonheidje tegen een meisje dat haar vriendin hoopt te worden: “Vind je hem leuk? Ik weet het niet hoor. Ik heb drie relaties gehad, echte relaties dan hè, relatierelaties zeg maar.” Ik durf niet om te kijken, maar ik denk dat het andere meisje probeert te kijken alsof ze haar eigen relatierelaties aan het natellen is. “Mijn moeder zegt dat je weet dat een jongen goed is, als die jongen goed is met zijn familie”, gaat Schoonheidje door. Het andere meisje probeert iets terug te zeggen, maar ze is niet te verstaan.
Naast me zit Noah. Hij heeft een chronische aandoening. Die maakt dat we hem op kamp goed in de gaten moeten houden. Zijn ogen geven geen emoties weer, ze staan blanco. Blanco is gelijk aan bedwongen angst.
Hij ziet een beetje tegen het uitje op, zegt hij. Voor zijn vorige schoolkamp ging hij met één klas op pad, bestaand uit kinderen die hij al jaren kende. Maar dit kamp, met zeventig vreemden: hij weet nog niet goed wat het moet worden. “Ik wil het graag proberen”, zegt hij beleefd.
De bus komt aan bij kampeerboerderij ‘Het Klompenhok’. Zeventig kinderen stormen schreeuwend naar de slaapzaal, een zaal met hoogslapers voor de jongens en een zaal voor de meisjes. Noah schokschoudert achter de meute aan. Een half uur later komt hij naar me toe. “Het is veel te druk, mevrouw. Ik zie erg tegen de nacht op.” Er is iets klagerigs in zijn stem geslopen dat er eerder niet was.
We gaan zwemmen in het meer. Noah moet ons waarschuwen als hij het water in gaat. Dat doet hij, op volwassen toon. Daarna zie ik hem meer dan een uur rustig dobberen aan de rand van groepjes spelende kinderen en zo nu en dan een bal opvangen. Als hij op zijn handdoekje gaat zitten, apart van de anderen, schuift Gianni even vriendelijk aan: “Dat lijkt me irritant, zeg, als je telkens iemand moet waarschuwen als je gaat zwemmen.” Noah heeft niet zo snel een leuk antwoord paraat. Gianni blijft nog even zitten en gaat weer spelen.
Na het eten, met zeventig lawaaikinderen in een klein zaaltje, moet Noah vreselijk huilen. Hij mag met zijn moeder bellen, op een docententelefoon. Dat doet hij, badend in tranen, een uur lang, zwervend van boom naar boom. Maar zijn moeder is een held. Noah blijft.
Hoe heb je geslapen, Noah? “Niet zo erg goed. Maar wel een beetje.” Wordt er gepest? “Nee, alleen gepraat.” De diepe wanhoop is weg. Voor een spelletje moet Noah een groepje geblinddoekte kinderen door het bos leiden. “Nee, naar rechts. Als ik rechts zeg, bedoel ik niet links”, zegt hij, nog altijd beleefd. De avond daarna belt hij zelf niet. Zijn mentor belt, dat alles goed is.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.