• blad nr 9
  • 1-10-2019
  • auteur L.. van Sadelhoff 
  • Redactioneel

 

De inspectie op bezoek

Een onbekend gezicht achter in je klas. Wie zijn die mensen van de Onderwijsinspectie? Inspecteurs vertellen over hun baan. “Vaak voel je al als je binnenkomt: hier zit het goed.”
‘Je hoopt dat je oordeel een school verder helpt’
Frans Jozef Becx (50) was jarenlang mbo-docent en is nu onderwijsinspecteur op mbo-scholen.

“Ik doe dit werk al een paar jaar, maar ik blijf gespannen voor een schoolbezoek en slaap de nacht van tevoren slechter. Want weet je? Je wil het als onderwijsinspecteur meteen goed zien. Je wil een eerlijk, genuanceerd en gebalanceerd beeld neerzetten van een school. Je hoopt dat je oordeel een school ook weer verder helpt. Als ik ben geweest, moeten de studenten daar uiteindelijk iets van merken. Op een goede manier.
Ik heb weleens een school gehad die slecht uit de verf kwam. Zeer zwak. Een week na mijn bezoek bezocht ik die school nog eens omdat ik wilde weten hoe het nu ging. ‘Ik voel me er echt slecht onder’, zei de directeur. Ik knikte en zei: ‘Ik ook.’ Want ik wil niet constateren dat een school onvoldoende presteert.
Toen ik zelf als docent werkte op het Koning Willem I College in Den Bosch, had ik klamme handjes als er een inspecteur in mijn klas was. Ik denk dat dat in mijn voordeel werkt bij mijn baan nu. Want ik snap die zenuwen, ik weet hoe het is als iemand over je schouder meekijkt. We beoordelen de docent niet dat kan ook niet in een halfuurtje maar zo voelt het natuurlijk wel als jij voor de klas staat. En uitgerekend dan doen je studenten niet wat je vraagt, faalt een powerpointpresentatie of gebeurt er iets onverwachts in de klas. Ik weet hoe dat is en hoe dat voelt.
Aan de andere kant houd ik altijd een zekere afstand. Ik moet een eerlijk beeld van de school krijgen en ben me ervan bewust dat ik soms naar een toneelvoorstelling zit te kijken. Dat bedoel ik niet onaardig, maar je weet als inspecteur dat het personeel en de studenten die met je in gesprek gaan, gebrieft worden en misschien ook wel getraind. Soms creëer ik, om dat te doorbreken, onverwachte momenten. Ik loop bijvoorbeeld onaangekondigd een rondje in de school of ga in de lerarenkamer zitten.
Met het mbo is niets mis. Het enige dat er niet aan klopt, is het imago. Er worden veel negatieve dingen over het mbo gezegd. Maar ik heb dit type onderwijs de laatste jaren erg zien ontwikkelen en professionaliseren. En tuurlijk, op elke school zitten studenten met de pet op, jas aan, kijkend op hun telefoontje terwijl ze luidruchtig op hun kauwgom kauwen. Maar er zijn zo veel docenten die weten hoe ze daar korte metten moeten maken. Bovendien zie je dit net zo vaak bij andere soorten onderwijs. En er zijn zo veel mbo-studenten die het goed doen. Zij zijn mijn drijfveer.”

‘ Het gaat ons niet om die ene les’
Karin Plantinga (54) en Roelien Jonker (47) bezoeken beiden -soms als duo - middelbare scholen.

Roelien: “Een inspectiebezoek brengt spanning met zich mee, dat begrijp ik heel goed. Je probeert mensen op hun gemak te stellen, maar een inspecteur in de klas voelt voor veel docenten niet prettig. Soms voel je zo veel spanning bij een leraar en zie je dat diegene, zodra wij binnenkomen, volledig dichtklapt. Ik heb weleens tranen gezien.”
Karin: “Wij snappen dat één zo’n les niet alles zegt over de school, of over het functioneren van de docent. Het is niet zo zwart-wit. De insteek is: krijgen de leerlingen goed onderwijs? Soms zie je vanaf de zijlijn dingen anders dan wanneer je voor die klas staat.”
Roelien: “Onderwijsinspecteurs observeren lessen, we beoordelen geen docenten. Dat is onze taak niet, de directie is verantwoordelijk voor het personeel, wij kijken naar het totaalplaatje, dus ook naar het bestuur dat boven de school zit. Het gaat ons niet om die ene les.”
Karin: “En daar komt nog bij: op een school zien we ook nooit alleen maar slechte lessen.”
Roelien: “Sterker nog, we zien juist veel mooie dingen. We kijken vooral of er rust is in de klas en of we de afspraken die er binnen de school zijn, terugzien in de lessen.”
Karin: “Wat ik ook belangrijk vind: is er een veilige sfeer? Gaan de leraren en leerlingen hier respectvol met elkaar om?”
Roelien: “Je voelt het ook als je de school binnenkomt. Zo van: hier is het fijn. Of juist: dit voelt onprettig. Tuurlijk moet je dingen kunnen onderbouwen, we gaan nooit op ons gevoel af.”
Karin: “Leerlingen en docenten zijn bijna altijd trots op hun school. Ook op scholen waar niet alles soepel loopt. Ik vind dat mooi om te zien.”
Roelien: “We zijn ons ervan bewust dat mensen soms een iets te rooskleurig beeld schetsen, we proberen daar doorheen te kijken.”
Karin: “Daarom doen we het met z’n tweeën waarbij de één vaak het voortouw neemt, en de ander een meer observerende rol heeft. We kijken naar lessen en hoe leerlingen op hun docent reageren, maar ook naar toetsresultaten, documenten, het leerlingvolgsysteem, we praten met docenten, met de directie, met leerlingen en soms met ouders.”
Roelien: “Ik zit het liefst tussen de leerlingen. Laatst nog, kwam er een jongen naar me toe, of ik misschien ergens anders wilde gaan zitten. ‘U zit op mijn plek, mevrouw’. Ik moest zo lachen.”
Karin: “Aan het eind van de dag koppelen we alles wat we gezien en gehoord hebben, terug. Soms schrikken docenten of directieleden: gebeurt dit echt op mijn school?”
Roelien: “Ik hoorde ooit een uitspraak, en die houd ik altijd in mijn achterhoofd: laat een school altijd mooier achter dan je ’m aantrof.”

‘Dat wij zomaar bij een school naar binnen mogen stappen’
Mariët Förrer (59) en Samia Alloul (34) komen vooral op basisscholen voor onderzoek.

Mariët: “Hoe bijzonder is het dat wij zomaar bij een school naar binnen mogen stappen en mogen kijken. Afgelopen donderdag was ik op een reformatorische basisschool, morgen heb ik een vrije school op de agenda staan en maandag mag ik naar een islamitische school.”
Samia: “Ik was laatst op een basisschool voor kinderen die net nieuw zijn in Nederland. Ze konden me zo goed vertellen hoe belangrijk school voor hun was. En dat ze ook wel nerveus waren: wat gaat er gebeuren als ze van deze school af kunnen? Dan leg ik ze uit hoe ons onderwijssysteem eruitziet. En dat er voor ieder kind een passend plekje is.”
Mariët: “De basisschool vormt je. Daarom is het aan ons om die basis te bewaken.”
Samia: “Toen ik nog in opleiding was, zei iemand tegen mij: Wij zijn ambassadeurs van de kinderen. Ik gebruik het nog steeds als kinderen vragen: Wat doet u hier?”
Mariët: “Tijdens een schoolbezoek zien we veel en spreken we veel mensen. Het mooiste is als uit alle informatie hetzelfde beeld komt.”
Samia: “Kinderen liegen niet zo snel, maar ze zijn wel loyaal. Ik vraag ze soms: Wat zou jij veranderen als jij directeur van de school was? Dan komen er wel eerlijke antwoorden. Kinderen geven bijvoorbeeld aan dat ze zich vaak vervelen omdat de les niet moeilijk genoeg is, of dat ze vaker willen gymmen. Laatst zei een leerling: Het is hier goed zoals het is. Zo mooi.”
Mariët: “We stuiten best vaak op scholen die dingen doen omdat ‘het van de inspectie moet’. Terwijl dat vaak niet zo is.”
Samia: “Het is niet altijd helemaal helder hoe de Onderwijsinspectie werkt. Wij focussen ons op besturen: die zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. En daarbij hanteren we de wet.”
Mariët: “We horen ook weleens dat wij het lerarentekort maar even moet oplossen. Wij constateren problemen zoals het lerarentekort, we agenderen het, maken het bespreekbaar op beleidsniveau, maar wij kunnen dingen niet oplossen.”
Samia: “Aan het eind van de dag, als we de school teruggeven wat we hebben gezien, geven we ook geen advies.”
Mariët: “Dat hebben scholen ook niet nodig. Vergeet niet dat er vakmensen werken. Als wij eerlijk terugkoppelen welke goede dingen en welke verbeterpunten we zien, weten docenten en bestuurders wel waar er werk aan de winkel is.”

‘Fraude heb ik zelf nog nooit geconstateerd’
Fahri Levent (32) is financieel inspecteur en bezoekt allerlei soorten scholen en hun instellingsaccountants.

“Cijfers zeggen veel over onderwijs, maar je moet ze wel in een context plaatsen. Als je bij een bestuur komt dat veel geld overhoudt, maar je ziet dat het personeel het zwaar heeft of de leerlingresultaten ondermaats zijn, dan gaat er iets niet helemaal lekker. In dure woorden: de onderwijskwaliteit en financiën zijn dan niet in balans. Dan kun je als bestuur bijvoorbeeld beter investeren in meer handen in de klas of nieuwe methodes.
Ik heb economie en bedrijfseconomie gestudeerd en werkte jarenlang bij een accountantskantoor, waar ik ook jaarrekeningen van schoolbesturen controleerde. Nu werk ik bij de toezichthouder: de andere kant van de munt. Ik beoordeel of een bestuur voldoende financiële middelen heeft om ook over een paar jaar nog te bestaan. We kijken dan niet per school, maar naar het bestuur waar de scholen onder vallen. Ik houd me met een belangrijke vraag bezig: worden de middelden die scholen hebben, efficiënt en effectief ingezet? Neem nou bijvoorbeeld de aanschaf van lesmethodes. Gebeurt dit centraal, op bestuursniveau, of doet iedere school dit zelf? Het bestuur moet er dan wel op toezien dat dit goed gebeurt.
Een financieel inspecteur komt niet in de klas, docenten zien mij niet, maar ze merken soms wel iets van ons bezoek. We kijken bijvoorbeeld of de regels op het gebied van Verklaring Omtrent het Gedrag bij het aannemen van personeel netjes worden nageleefd. Soms krijgen we signalen binnen, via ouders of docenten, dat geld niet op de juiste manier wordt besteed. Dat betekent niet automatisch dat er fraude is fraude heb ik zelf nog nooit geconstateerd.
Het is ook niet zo dat ik scholen vaak richting de financiële afgrond heb zien gaan. Besturen zijn niet gek: die hebben vaak zelf ook wel door dat het financieel minder gaat en hebben hun maatregelen al wel genomen. En als dat niet zo is, dan valt mij dat op. Zit een school bijvoorbeeld in een krimpregio, daalt het leerlingenaantal, maar is het personeelsbeleid niet aangepast, dan vraag ik me wel af: Hoe denkt het bestuur dat op te kunnen lossen? Zijn er al voldoende maatregelen genomen om die krimp op te vangen? Ik bespreek dit met de besturen en houd ze een spiegel voor.”


Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.