- blad nr 9
- 1-10-2019
- auteur Y. van de Meent
- Redactioneel
Hogescholen geven sociale stijgers warm onthaal
Marian van Dijk groeide op in de Amsterdamse Jordaan. Haar vader was beheerder van een fietsenstalling, haar moeder verpleegkundige. Aan het eind van de lagere school deed ze een toets en daar rolde een gymnasium-advies uit. Haar ouders twijfelden, gymnasium wat had een kind daaraan? Welk beroep kon je daarmee uitoefenen? Daarom werd het de hbs met een handelsafdeling. Daarmee kon je aan de slag op een kantoor.
Toen haar leraar economie over studeren begon, kreeg Marian het helemaal benauwd. Studeren leek haar leuk en spannend, maar ze kon zich er weinig bij voorstellen. Ze kende geen enkele student en had geen idee wat je kon worden als je economie had gestudeerd. Haar ouders vonden een talenstudie geschikter, daarmee kan je voor de klas. Maar Marian koos uiteindelijk voor sociologie. Omdat een schoolvriendin die studie een jaar eerder was gaan doen, wist ze een beetje wat ze daarvan moest verwachten.
Eenmaal aan de universiteit voelde ze zich onthand. Ze begreep niet altijd wat docenten wilden weten, durfde niks te vragen. Ze wist dat ze een stuk ontwikkeling miste en was altijd bang om door de mand te vallen. Dat zou blijken dat ze eigenlijk niets begreep, geen eigen visie had en dus niet aan de universiteit thuishoorde.
Marian van Dijk is één van de hoofdpersonen uit het proefschrift van Jan Brands uit 1992. De onderwijssocioloog noteerde de levensverhalen van zeven arbeiderskinderen die rond 1950 zijn geboren en in de jaren zestig en zeventig naar de universiteit gingen. Ze wisten op eigen kracht de kloof te overbruggen tussen thuiscultuur en het universitaire milieu en ze haalden -met flinke vertraging- hun diploma.
Opleidingsniveau
Hoewel het opleidingsniveau de afgelopen vijftig jaar flink is gestegen, zijn er nog steeds grote aantallen studenten met ouders die het hoger onderwijs niet van binnenuit kennen. Vooral in het hbo. Bijna 40 procent van de hbo’ers is eerstegeneratiestudent, tegen 20 procent van de universitaire studenten, blijkt uit de Monitor Beleidsmaatregelen 2017-2018 die ResearchNed in opdracht van het ministerie van Onderwijs samenstelde.
De sociale stijgers van nu hebben vaak een migratieachtergrond, maar er zitten ook veel Hollandse jongens en meisjes tussen uit Volendam of Purmerend, weet Fiona Veraa, docent-onderzoeker bij het lectoraat ‘Kansrijke schoolloopbanen in een diverse stad’ van de Hogeschool van Amsterdam (HvA). En vluchtelingstudenten of Surinaamse en Caribisch-Nederlanders die niet in Nederland op de middelbare school hebben gezeten.
Helaas vallen deze pioniers in het hoger onderwijs vaker uit in het eerste jaar en halen ze minder vaak de eindstreep dan hun studiegenoten met hoogopgeleide ouders. “Eerstegeneratiestudenten van nu lopen tegen vergelijkbare belemmering aan als arbeiderskinderen uit de jaren vijftig”, denkt Veraa. “Het zijn nieuwkomers in het hoger onderwijs die een grotere kloof moeten overbruggen dan kinderen uit een academisch milieu.” Om deze studenten op weg te helpen, ontwikkelde Veraa Tune In, een brugprogramma van drie dagen waaraan afgelopen augustus zeventig aankomende HvA-eerstejaars mee konden doen.
Geloof
Universiteiten in de VS hebben al veel ervaring met zomerprogramma’s voor eerstegeneratiestudenten. In Nederland is de aandacht voor het vraagstuk nog pril. De Vrije Universiteit had in 2010 de primeur met de vierdaagse zomercursus Better Prepared. De Erasmus Universiteit volgde in 2013 met het Pre Academic Programme dat warm wordt aanbevolen bij studenten die als eerste in hun familie gaan studeren, maar waar alle andere studenten ook welkom zijn. In de VS is doelgroepenbeleid heel gebruikelijk, maar in Nederland stuit het nog op weerstand, weet Sanne van Herpen, onderwijskundig onderzoeker aan de Erasmus Universiteit. “Alleen eerstegeneratiestudenten werven vonden onze marketingdeskundigen niet gepast”, aldus de onderwijskundige die eind juni promoveerde op onderzoek naar het effect van de zomercursus waaraan dit jaar 220 studenten meededen.
“Uit de wetenschappelijke literatuur is bekend dat studiesucces samenhangt met de kwaliteit van het contact tussen student en docent en studenten onderling, het geloof in eigen kunnen, de inzet voor de studie en het gevoel thuis te horen op de universiteit”, vertelt Van Herpen. “Ons programma is gericht op het versterken van die zaken. We laten studenten nadenken over hun eigen sociaal, intellectueel en cultureel kapitaal en hoe ze dat kunnen inzetten tijdens hun studie. Door ze te laten vertellen over hun studiekeuze, hun familieachtergrond en hun levensloop, zetten we ze aan het denken over hun eigen identiteit. We laten zien dat je met vragen verder komt, dat je je kwetsbaarheid mag tonen. Ook heel belangrijk is om ze te laten voelen dat het niet gek is dat ze de overstap naar de universiteit spannend vinden. Alleen al door mee te doen aan het programma ontdekken ze dat dat bij andere studenten ook zo is.”
Uit Van Herpens onderzoek blijkt dat het werkt. Studenten die het Pre Academic Programme volgden, hebben betere relaties met hun docenten en medestudenten dan de controlegroep en halen op hun allereerste tentamen hogere cijfers. Gemiddeld een 6,4 terwijl de controlegroep op een 5,7 blijft steken.
Mores
“Nieuwkomers in het hoger onderwijs begrijpen vaak niet goed wat er van studenten verwacht wordt”, weet Fiona Veraa. “Ze hebben bijvoorbeeld op een open dag gehoord dat je zelfstandig moet zijn in het hbo. Dan denken ze: ik zal maar geen vragen stellen na de les want ik moet alles zelf uitzoeken.” Daarom wordt er tijdens Tune In stilgestaan bij de mores in het hbo. “We bespreken bijvoorbeeld wat je kunt verwachten als je een docente een mail vol straattaal stuurt met als aanhef ‘Hé juffie’. Als je geluk hebt geeft zij aan waarom zoiets niet kan, maar er zijn ook docenten die zo’n mail niet eens beantwoorden. Dan sta je dus meteen met 1-0 achter.”
Bij Tune In leren eerstegeneratiestudenten wanneer en waar ze hulp moeten zoeken, hoe ze hun boodschap moeten verwoorden, maar het draait vooral om zelfvertrouwen opbouwen en zelfregie versterken. “We werken met levensverhalen van eerstegeneratiestudenten die inmiddels zijn afgestudeerd. Door die verhalen zien ze dat een studie haalbaar is.” Uit hun eigen levensverhaal blijkt vaak dat ze enorm veerkrachtig zijn en een flinke dosis doorzettingsvermogen hebben, vindt Veraa. “Er zitten studerende moeders in de groep. Die combineren meerdere taken en rollen, daardoor hebben ze al heel goed leren plannen en dat kunnen ze ook inzetten bij hun studie. Dat gesprek voeren we. We proberen ze anders naar zichzelf te laten kijken, naar hun capaciteiten in plaats van naar deficiënties. Wij zeggen: petje af dat je ondanks alle belemmeringen zover bent gekomen.”
Het Pre Academic Programme en Tune In bieden eerstegeneratiestudenten het warme onthaal dat Marian van Dijk en haar leeftijdsgenoten misten. Maar een zomercursus van drie of vier dagen is natuurlijk niet genoeg. “Het is een eerste kraal aan een veel langere ketting die moet leiden naar inclusief onderwijs”, stelt Veraa. “Het is belangrijk dat docenten gaan inzien dat een middelbare scholier niet vanaf de eerste dag in het hbo een student is. Het is een socialisatieproces dat tijd nodig heeft en waar docenten een handje bij kunnen helpen. Als een eerstejaars vraagt wanneer een werkstuk ingeleverd moet worden, zeggen veel docenten: ‘kijk maar online’. Ik denk dat studenten in het begin toch wat meer ondersteuning nodig hebben, zeker eerstegeneratiestudenten.”
“Wij bieden eerstegeneratiestudenten een vliegende start, maar om de uitval te verminderen moet er wel iets veranderen in het onderwijs”, vindt ook Sanne van Herpen. “Universitaire docenten zijn sterk gericht op de inhoud, maar ze hebben natuurlijk ook een pedagogische rol en die zou best wat sterker aangezet mogen worden. Nu is het toch vaak: studenten moeten dit kunnen want ze zijn 18 jaar. Het draait bij leren natuurlijk om cognitieve capaciteiten, maar er is nog zoveel meer dat het studiesucces bepaalt. Zoals het gevoel thuis te horen aan de universiteit en het geloof in eigen kunnen. Daar zouden docenten ook een positieve bijdrage aan kunnen leveren.”