• blad nr 7
  • 1-7-2019
  • auteur L.. van Sadelhoff 
  • Redactioneel

 

Onderwijsassistent stijgt in aanzien

De onderwijsassistent is uit het verdomhoekje gekropen en heeft zich onmisbaar gemaakt in het primair onderwijs. Dat is wenselijk, maar tegelijkertijd risicovol.
‘Een nakijker, een rekenhulp, een naar het museum-lopen-begeleider, een werkdrukverlager, een inspringer, een taalhulp, een voorlezer, een kinderliefhebber, een leuke collega.’
Met die woorden begon een basisschool in Amsterdam onlangs een vacature voor een onderwijsassistent.
Er is op basisscholen in Nederland steeds meer geld om onderwijsondersteuners of -assistenten aan te nemen. Daar heeft het werkdrukakkoord voor het primair onderwijs voor gezorgd: alleen al vorig schooljaar kwamen er 2750 voltijdbanen voor ondersteuners bij. Scholen kiezen collectief voor extra handen in de klas, zo lijkt het.
“Het is iets van de laatste jaren”, beaamt Theo Wubbels, hoogleraar Onderwijskunde aan de Universiteit Utrecht. “Heel lang werd er een beetje lacherig over gedaan. Een dokter, een advocaat: die hebben een assistent. Men heeft nooit aan de mogelijkheid gedacht om een assistent voor een leraar in dienst te nemen. De basisschoolleraar werd altijd gezien als degene die in het basisonderwijs voor alles verantwoordelijk is wat de kinderen betreft. Of het nou opdrachten kopiëren is, veters strikken of gewoon, individuele begeleiding of op een didactische manier klassikaal iets uitleggen.”
Volgens Wubbels beseffen we in Nederland nu steeds meer dat de leraar een hoogopgeleide professional is, die het werk beter kan uitvoeren met een goede assistent aan haar zijde. Aan de ene kant is dat volgens hem een gunstige ontwikkeling. Zowel voor het aanzien van de leraar het vak wordt geprofessionaliseerd als voor de kwaliteit van het onderwijs. “Het geeft de leerkracht de mogelijkheid om zich te concentreren op dat waarvoor hij is opgeleid: kinderen dingen leren, laten groeien.”
Maar Wubbels vreest dat de onderwijsassistent wordt ingezet in plaats van de leraar, als een oplossing voor het lerarentekort. “Dat lijkt me dus geen goed idee. Ze zijn daar simpelweg niet voor opgeleid en dan ontstaat juist het tegenovergestelde: deprofessionalisering van het onderwijs.”

Voor de klas
Onderwijsassistenten nemen klassen over als de leraar ziek is. “Ik snap het wel”, vertelt Amanda Wintershoven, onderwijsassistent op een school in Werkhoven. “Ik ken de ouders en alle kinderen en zij mij. Het is beter om een onderwijsassistent voor de klas te zetten als je ’s ochtends een ziekmelding krijgt, dan de klas naar huis te sturen vanwege een tekort aan vervangers. Maar ja, het is wel een opleidingsniveau hoger dan je gewend bent. Een paar dagen vervangen kan geen kwaad, maar weken achter elkaar? Ik weet het niet. Ik denk dat wij moeten blijven doen waar we goed in zijn en waar we voor zijn aangenomen: stress weghalen bij docenten, kinderen in kleine groepjes begeleiden, dat soort dingen.”

Dunne lijn
Het is een ingewikkelde, dunne lijn waar onderwijsprofessionals op proberen te balanceren, stelt Marco Roelofs. Hij is docent op het Mbo Utrecht en leidt onderwijsassistenten op. In de loop der jaren zag hij de reputatie van de onderwijsassistent veranderen en verbeteren. “Het vak is populair en leerkrachten zien de meerwaarde van de assistent in. We zijn onmisbaarder.”
En dat voelt toch goed, een beetje erkenning voor het vak. “Het is ook terecht. Mijn studenten werken keihard en docenten hebben echt veel aan ze. Ze halen een heleboel werkdruk weg, kinderen krijgen meer individuele aandacht als er een assistent is.” Zijn opleiding zag het aantal aanmeldingen groeien. Eén van de oorzaken daarvan is volgens Roelofs het passend onderwijs: er is daardoor steeds meer vraag naar extra mensen die kinderen individueel kunnen begeleiden.
Maar er is ook een keerzijde, stelt Roelofs voorzichtig: de assistent moet ook weer niet te onmisbaar worden. “Wat ik veel om mij heen hoor, is dat studenten vaak al de klas moeten overnemen. Om de docent te ontlasten, of om een zieke te vervangen.”
Ze doen dan vaak dingen die ze niet mogen als assistent, zoals toetsen afnemen, of lesgeven zonder docent in de buurt. “Ik weet niet of dat een goede ontwikkeling is”, zegt Roelofs. “De opleiding tot onderwijsassistent is toch van een ander niveau. De leerkracht werkt volgens een bepaalde methode. Dat krijgen onze studenten ook wel een beetje mee, maar minder. Het echte didactisch-methodisch werken leer je toch beter op de pabo.”
Eugenie Stolk van de Algemene Onderwijsbond vindt het feit dat er meer onderwijsassistenten worden aangenomen, heuglijk. Maar ze noemt het ‘heel zorgelijk’ dat steeds meer onderwijsassistenten leraren vervangen. “Laatst was ik op een basisschool waar twee assistenten voor de klas stonden. Ik vind dat een onwenselijke situatie. De directeur ook, gelukkig, maar die zag geen andere oplossing en wilde gewoon het schooljaar zonder lesuitval uitzingen, wat op zich begrijpelijk is. Maar de assistent valt onder de verantwoordelijkheid van de leraar, het kan niet zo zijn dat die de klas zelfstandig moet draaien. Een assistent is nu eenmaal geen leraar en kan niet de onderwijskwaliteit bieden die nodig is.”

Dilemma
Bovendien, zo stelt Stolk, wordt de meerwaarde van de assistent tenietgedaan als die zieke leraren moet gaan vervangen. “Dan heb je alsnog maar één iemand, die niet bevoegd is, voor de klas en dan is het idee van extra handen in de klas weg. Dat is nou juist net wat we wilden met het inzetten van de assistent, toch?” Wettelijk mag het ook gewoon niet: onderwijsassistenten zijn niet bevoegd om zelfstandig voor de klas te staan. “We hebben dat niet voor niets met elkaar afgesproken.”
Tegelijkertijd ziet Stolk: nood breekt soms wet. "De boel staat onder druk. Het is soms een duivels dilemma: stuur ik kinderen naar huis, of zet ik een assistent voor de klas? De Onderwijsinspectie moet erop toezien dat dat laatste niet gebeurt, maar in de praktijk kun je moeilijk elke dag op elke school gaan controleren.”
Roeloefs vertelt zijn studenten dat ze ‘nee’ mogen zeggen als hen wordt gevraagd om een hele klas over te nemen. “Maar ik weet ook dat velen ambitieus zijn en het best wel zouden kunnen in de praktijk. Tegen hen zeggen we: je kunt het als leermoment zien.” Bovendien: zeg maar eens ‘nee’ als enthousiaste stagiair of afgestudeerde onderwijsassistent.
Maar er zijn ook onderwijsassistenten die niet zitten te wachten op een vervangersrol. “Ik vind het wel fijn dat ik niet de eindverantwoordelijke ben”, vertelt Iris Daanje (18), student-onderwijsassistent op een basisschool in Groningen. “Ik vind mijn stageplek echt fantastisch en zie het onderwijs als mijn roeping, maar in bepaalde situaties kan ik als assistent afstand nemen en heb ik zoiets van: nu is het aan de leraar.” Ze heeft de ambitie om juf te worden, maar “pas in de toekomst”. “Ik wil eerst meer ervaring opdoen, meer kilometers maken met kleine groepen leerlingen. Daarna kan ik altijd nog doorstromen naar de pabo en kijken of ik die studie aankan.”

Bagage
Als basisscholen toch gebruik willen maken van onderwijsassistenten in tijden van ziekte en tekorten, dan zal deze beroepsgroep anders moeten worden uitgerust, stelt docent Roelofs. “Ze moeten dan meer didactische en pedagogische bagage krijgen. Je zou bijvoorbeeld kunnen werken met een soort niveau 5-certificaat tussen mbo en hbo in.”
Ook daar zit een grens aan, benadrukt Roelofs. “Wij zijn nu eenmaal een mbo-opleiding en we mogen ons niveau niet verhogen want dan kunnen we lang niet alle studenten aannemen die we nu aannemen. We kunnen geen bevoegde leraren afleveren vanaf een mbo-opleiding: we komen dan tegen een plafond aan van wat onze studenten kunnen en wat we van ze mogen vragen. We moeten ook rekening houden met kader-studenten.”
Voor de AOb blijft de standaard dat er altijd bevoegd les gegeven moet worden en dus door een leraar die minimaal een pabo-diploma heeft. “Alleen dan kan de kwaliteit van onderwijs gewaarborgd worden”, aldus Stolk.
Wel zouden scholen volgens Roelofs kunnen werken met een onderwijsassistent en een dola, een docent op loopafstand, die dan de eindverantwoordelijkheid heeft. Ook een optie: afspraken maken over hoe lang de vervanging mag duren. “Dan zeg je bijvoorbeeld dat assistenten niet langer dan een werkweek achter elkaar mogen lesgeven. Zodat ze daarna weer die onmisbare extra hand te zijn in de klas die de docent zo hard nodig heeft.”


Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.