- blad nr 7
- 1-7-2019
- auteur A. Kersten
- Redactioneel
Overschot schoolspaarpot moet naar de klas
We stappen in de tijdmachine en gaan terug naar het voorjaar van 2008. Het Onderwijsblad publiceerde een artikel over het primair onderwijs met de kop ‘misplaatst armoedegevoel’. Daarin analyseerde onderzoeksjournalist Yvonne van de Meent de financiële positie van de sector in 2006, het het eerste jaar van de lumpsum. Dat is de financiering van het onderwijs met een rijksbijdrage per leerling die schoolbesturen naar eigen inzicht besteden.
De conclusie van toen: schoolbesturen in het primair onderwijs zitten er gemiddeld genomen warmpjes bij. De 1272 besturen voor basis-, speciaal basis- en speciaal onderwijs bleken 2,1 miljard euro aan eigen vermogen te hebben. Ruim 1,5 miljard euro stond op bankrekeningen. De solvabiliteit, een boekhoudkundige indicator voor de relatieve rijkdom van een organisatie, bedroeg zo’n 60 procent. Royaal boven de marges die een gezonde instelling voor de normale bedrijfsvoering nodig heeft. ‘Een gemiddelde solvabiliteit van 60 procent, dat is absurd’, zei een bestuurder van een minder vermogende po-instelling destijds. ‘Als ik zoveel geld op de plank had liggen zou ik onmiddellijk investeren in leermiddelen.’
Politiek
Het verhaal bracht het onderwerp prominent op de politieke agenda. Er werd een officiële commissie ingesteld die aanbevelingen deed om overmatige buffers te signaleren. De Onderwijsinspectie inventariseerde welke besturen in het primair en voortgezet onderwijs er financieel bovenuit sprongen en vroeg iets meer dan honderd instellingen, voornamelijk in het primair onderwijs, om uitleg en onderbouwing.
Maar naarmate de tijd verstreek, verschoof het vizier van de inspectie en de politiek naar de onderkant. Er kwamen steeds meer organisaties in financiële nood. De lijst met onder verscherpt toezicht geplaatste besturen groeide zienderogen. Al viel het aantal op zich nog mee: op het hoogtepunt in 2015 stonden bijna vijftig besturen in primair en voortgezet onderwijs ‘onder curatele’. De maatschappelijke en politieke onrust was er niet minder om. Begrijpelijk, want financiële nood of een dreigend faillissement is een acuter probleem dan een vette bankrekening.
Rode cijfers
Kijk je naar het landelijke beeld, dan valt er iets op. Hoewel de gemiddelde solvabiliteit in het primair onderwijs vanaf 2008 wat afnam, lag ze vanaf 2013 alweer rond de 61 procent. Toenmalig minister Jet Bussemaker zag dat als een goede ontwikkeling voor het funderend onderwijs, schreef ze in 2016 aan de Tweede Kamer. ‘Het is goed om te constateren dat de beide sectoren, mede dankzij de inzet van dit kabinet, konden werken aan hun herstel en dat zij er nu weer goed voor staan.’ En ze schreef: ‘Schoolbesturen hebben te maken met onzekerheid en begroten als gevolg hiervan behoedzaam. Het stemt ons tevreden dat de besturen een prudent begrotingsbeleid voeren.’ Juist dat begrotingsbeleid wordt de afgelopen tijd door de inspectie en besturen zelf gezien als een verklaring voor de oplopende buffers. Inkomsten worden structureel te laag ingeschat. Instellingen spelen op safe en begroten liever een plusje dan dat ze rode cijfers schrijven.
Ook Bussemakers opvolger Arie Slob zag aanvankelijk weinig reden tot zorg. ‘Er zijn geen schoolbesturen die jaar in jaar uit langere tijd geld overhouden’, berichtte hij eind 2017 aan de Tweede Kamer op gezag van de Onderwijsinspectie. Maar die zijn er wel. Onder de politieke radar werd een aantal reeds vermogende schoolbesturen de afgelopen vijf jaar almaar rijker, zo toonde het Onderwijsblad vorig jaar oktober aan. Sommige eenpitters hielden in die periode tussen 2 en 3 miljoen euro over. ‘Ik ben het met iedereen eens die zegt dat we te veel geld op de bank hebben staan’, gaf een van de schoolbestuurders toe. Ook bij samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs bleven de afgelopen jaren vele miljoenen op de plank liggen. Hun gezamenlijke reserves bedroegen eind 2017 een slordige 238 miljoen.
Verkenning
En zo zijn we terug bij het heden. Inmiddels staan de reserves in het onderwijs weer op de politieke agenda, met name in het hoger onderwijs. De inspectie kaartte de groeiende spaarpotten aan in een rapport eind vorig jaar. Minister Slob zette de inspectie aan het werk om indicatoren te ontwikkelen die bij instellingen bovenmatige reserves zouden kunnen signaleren. Bij het afronden van dit stuk lag die ‘verkenning’ bij de minister op het bureau; zodra ze openbaar is berichten we erover op aob.nl.
Die signaleringswaarden zijn een eerste belangrijke stap. Want een oplossing begint met het vaststellen van het probleem: wanneer zit een schoolbestuur er financieel opvallend ruim bij? In de voorbeelden die het Onderwijsblad vorig najaar belichtte was dat evident, maar hoe stel je het vizier in? Dat vraagt om eenduidige en heldere indicatoren, waarmee medezeggenschapsraden en andere belanghebbenden uit de voeten kunnen. Zij zijn de eerste aangewezenen om het bestuur ter verantwoording te roepen en kritische vragen te stellen over de financiële keuzes. Uiteindelijk ligt daar de sleutel: bij de inspraakorganen in de organisatie die de koers van binnenuit kunnen bijsturen. Zeker met het oog op het aangekondigde instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het primair en voortgezet onderwijs, dat over een paar jaar werkelijkheid wordt.
Structurele uitgaven kun je niet aangaan uit een eenmalige reserve, maar er zijn wel allerlei voorstellen denkbaar: professionalisering en nascholing van personeel, het tijdelijk aanvullen van de bijdragen uit het werkdrukakkoord, ondersteuning van zij-instromers of het verbeteren van lesmateriaal en leermiddelen.
En wat als er niks verandert? Tijdens een parlementaire hoorzitting over de onderwijsfinanciering kwam in maart van dit jaar een interessante suggestie ter tafel. Omdat alle schoolbesturen hun eigen spaarpot aanhouden voor eventuele tegenvallers, tellen al die potjes samen al gauw op tot een groot bedrag. Zeker in het primair onderwijs, dat nog altijd een kleine duizend schoolbesturen telt, waarvan zo’n 40 procent eenpitters. Als alle instellingen samen hun risico’s zouden opvangen in een soort overkoepelende collectieve verzekering, kan er per saldo geld vanuit buffers naar de klas. Schoolbesturen zullen dat afwijzen als een aantasting van hun financiële vrijheid. Het valt te bezien of politiek Den Haag zo’n stap aandurft.