• blad nr 7
  • 1-7-2019
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

 

Leerplein werkt als team erin gelooft

Meer en meer scholen gaan over van klassikaal onderwijs op werken met leerpleinen. Omdat teams het willen en omdat het soelaas biedt tegen het lerarentekort.

Vlak achter de snel stromende Geul staat basisschool Valkenburg. Krimp maakte in Zuid-Limburg fusie onvermijdelijk. Nu staat er in Valkenburg één school met ruim driehonderd leerlingen. De twee teams gingen samen aan de slag met de vormgeving van de nieuwe school, die nu van kleuters tot aan de bovenbouw is opgebouwd uit combinatiegroepen rondom een gezamenlijk leerplein.
Op het speelleerplein van de kleuters van basisschool Valkenburg zijn twee flinke poppenhoeken, eentje voor groep 1 en eentje voor groep 2. Of samen, als dat zo uitkomt. Het is vrijdagmiddag en dus vrij spelen voor alle kleuters. Een klein gemixt groepje klimt en klautert in de aangrenzende speelzaal. Alle deuren van de drie omliggende klassen staan open, waardoor de drie klassen overal terechtkunnen.
In de klas van Sofie Leenders zitten meisjes van verschillende groepen samen een toren te bouwen of puzzels te maken. Jongens gebruiken alle lego, een aantal doen achter het digibord een letterspel. Leenders houdt een oogje in het zeil, helpt bij het digibord, neemt onderweg een tekening aan en praat daarna met de puzzelaars.
Haar unit omvat twee jaargroepen, drie klassen en wordt bemand door drie leerkrachten en één assistent. Daarnaast zijn er vakleerkrachten, die met groepjes gaan gymen, waardoor er bijvoorbeeld tijd is om tweedegroepers extra aandacht te geven als voorbereiding op groep 3.
Het idee van een leerplein was wennen, zeker, beaamt Leenders. “We waren bang dat het onrust zou veroorzaken als leerlingen met drie leerkrachten te maken zouden krijgen, met steeds wisselende gezichten. Maar voor de kinderen was het bijna vanaf dag één normaal dat ze in de middag iets met een andere juf gingen doen dan in de ochtend.”
Vooral de gedeelde verantwoordelijkheid voor alle kinderen in de onderbouw bevalt haar. “Dat werkt goed, als iets opvalt aan een kind kan je dat snel met collega’s bespreken, die immers alle kinderen ook zien.” De sfeer in de onderbouwgroep is goed, en dat moet ook benadrukt ze. “Jouw unit, dat is je familie. Het moet wel goed klikken, want je hebt iedere week unitoverleg, bespreekt daarin leerlingen en het rooster voor de komende tijd. Meer planning hoort erbij en soms beperkt dat je. Spontaan gitaar spelen past niet altijd meer.”
Het enige echte nadeel dat Sofie Leenders ziet, is dat ze door de intensieve samenwerking met haar onderbouwteam de collega’s van andere units minder ziet.

Experimenteel
In het basisonderwijs werkt 10 procent van de scholen met leerpleinen en nog eens 13 procent is dat in de nabije toekomst van plan, zo blijk uit AOb-onderzoek. Meestal wordt het initiatief in het basisonderwijs door het team en de directie gedragen. Bijna de helft van de mensen die ermee werkt, heeft hierdoor meer plezier in het werk. Al zijn er nadelen. Het vele overleg binnen het team wordt als voornaamste tegenvaller genoemd. Desondanks beveelt een meerderheid deze vorm van onderwijs geven aan voor andere basisscholen. Vooral omdat er pedagogische voordelen zijn, zoals de gedeelde verantwoordelijkheid en gebruik van elkaars sterke punten of expertise.
In het voortgezet onderwijs ligt dat heel anders. Een kwart werkt al met leerpleinen, nog eens een kwart is dat binnenkort van plan. Toch wordt door meer dan de helft van de huidige gebruikers (57 procent) een leerplein niet aanbevolen. De oorzaak kan goed zijn dat in het voortgezet onderwijs het leerplein veel vaker top-down wordt ingevoerd. In de helft van de gevallen ligt het initiatief uitsluitend bij directie of bestuur, slechts bij 38 procent speelt ook het team een rol.
Bert Nelissen, bestuurder van Innovo waar basisschool Valkenburg onder valt, is ervan overtuigd dat je zo’n vernieuwing samen met teams moet vormgeven. “Alleen als het team zegt: We willen die kant op, maken wij het mogelijk. Teams worden begeleid en kunnen de uitkomst ook een eigen kleur geven variërend van meer traditioneel tot experimenteel.”

Krimp
Innovo ging de laatste zeven jaar van 11 duizend leerlingen naar negenduizend, een fusieproces maakte dat er nog 44 scholen over zijn van de 58. Met krimpende leerlingaantallen leek het leerplein een goede oplossing: daar zijn combinatiegroepen het uitgangspunt in plaats van een probleem. En ook voor het fusieproces hielp de gedachte van unitonderwijs. “Samen op weg naar het nieuwe, zodat bij allebei de teams iets verandert, in plaats van dat één team zich moet aanpassen.” De scholen die er mee werken zien de voordelen: de tevredenheid over het werk neemt toe, het ziekteverzuim daalt.
Bert Nelissen ziet als bestuurder grote voordelen. “Het is een oplossing voor het lerarentekort.” Dat tekort manifesteert zich namelijk zelfs in de krimpregio’s Zuid- en Midden-Limburg. “Wij houden tegenwoordig geld over, gewoon omdat we niet voldoende mensen kunnen vinden.”
Van de pabo in Sittard komen misschien vijftig afgestudeerden per jaar af, terwijl Innovo er honderd tot honderdvijftig nodig heeft. “Wij hebben onvoldoende doorgehad dat de instroom op de pabo zo laag was. Dat is deels ook de schuld van besturen zelf, we zijn als werkgevers in het verleden niet goed omgegaan met vervangers.”
Ongeveer de helft van de scholen van Innovo werkt nu met leerpleinen. “Wanneer je met leerpleinen werkt, ben je minder kwetsbaar als er iemand vervangen moet worden. Wat wij doen is de primaire onderwijstaken bij leraren laten en overige taken bij anderen neerleggen. Denk aan een evenementenorganisator, vakleerkrachten gymnastiek en muziek. Ook zetten we onderwijsassistenten en –ondersteuners in.”
Nelissen denkt bij die laatste groep aan een functie die vergelijkbaar is met pedagogisch medewerker kinderopvang op mbo 4-niveau. “Daar zit een duidelijke plus als het gaat om taalniveau en pedagogisch handelen. Een lerarenondersteuner kan dan herhalingsopdrachten doen en toezicht houden, terwijl de leraar zich concentreert op instructie en individuele hulp. We moeten wel kijken naar het functiegebouw, want de inschaling van assistenten en ondersteuners kan misschien wel beter.”
Uiteindelijk wil Nelissen naar wat hij noemt een radicaal lagere groepsgrootte. “Alleen dan kan je passend onderwijs geven, nu is dat bijna onmogelijk. Ik denk dan aan 20 tot 22 leerlingen. Dat is mogelijk omdat we investeren in leraren en ander personeel. Wij hebben besloten om een veel groter deel van ons eigen vermogen in te zetten voor beter onderwijs, vijf ton wordt zo teruggeploegd naar onderwijs.”

{kader 1}
Leerplein invoeren? Juf Sofie Leenders geeft tips

1. De grootte en de indeling van het leerplein en de klassen eromheen is essentieel. Denk daar samen goed over na en ga op andere scholen kijken.
2. Zorg dat externe begeleiders en architecten tijd nemen en een luisterend oor hebben voor opvattingen van leerkrachten. Leenders: “Het is bij ons goed gegaan, al zouden we meer kasten willen, maar we zijn bij andere scholen op bezoek geweest waar echt te weinig plek was om goed met een leerplein te werken.”
3. Durf los te laten en te proberen, werken op een leerplein vraagt meer flexibiliteit.
4. Investeer in goede sfeer en samenwerking in het unitteam.

{kader 2}
Leerplein aanbevolen door gebruikers
In het AOb-onderzoek naar tekorten en leerpleinen van eind 2018, zeggen ruim vijfduizend leden uit het primair onderwijs het volgende over leerpleinen:
• 10 procent werkt of start binnenkort met leerpleinen
• 13 procent is dat de komende jaren van plan
• in 55 procent van de gevallen komt het initiatief van team en directie
• volgens 68 procent vraagt de afstemming met collega’s veel tijd
• 47 procent heeft door het plein meer werkplezier
• 62 procent beveelt het aan bij andere scholen


Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.