- blad nr 1
- 12-1-2002
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Onderwijsachterstand in Europa nauwelijks te meten
'België heeft een eigenzinnig beleid'
Nergens in Europa kan nog worden aangetoond dat achterstandsbestrijding op scholen blijvende resultaten oplevert. Er zijn wel pogingen gedaan om de kosteneffectiviteit te meten, met name in België en in Zweden. In België werd op grond daarvan het beleid bijgesteld. Helaas werd dus nergens het ei van Columbus uitgevonden en wordt er overal net zo geploeterd en gezucht als in Nederland. De Europese Commissie zette alle verschillende regelingen op een rijtje. Een lijvig boekwerk dat vijfhonderd pagina's telt: "Ik ben waarschijnlijk de enige in Europa die het Eurydice-rapport over de bekostiging van het leerplichtig onderwijs in de Europese Unie heeft gelezen," zegt Dick van Ingen. Mede op grond daarvan schreef hij het rapport Internationale verkenning maatstaven onderwijsachterstanden
voor de Onderwijsraad. Van Ingen is projectleider bij IOO bv, dat gespecialiseerd is in economisch onderzoek voor de publieke sector. Van de regelingen die hij onder ogen kreeg van vijf Europese landen (België, Duitsland, Frankrijk, Engeland en Zweden) vond hij België de meest eigenzinnige. Engeland scoorde het hoogst op chaos.
Vlaams
De Onderwijsraad publiceerde onlangs het advies Wat het zwaarst weegt
over de modernisering van de leerlinggewichten en andere regelingen die de onderwijsachterstanden van leerlingen moeten wegwerken.
In België gebruikt de Vlaamse gemeenschap wel dezelfde terminologie als in Nederland, zoals onderwijsvoorrangsbeleid en zorgverbreding, maar verder houdt iedere vergelijking op.
Voor extra formatie moet de Vlaamse school een projectplan indienen bij de minister van Onderwijs. De formatie wordt dan voor twee jaar vastgesteld. De Vlaamse overheid kent drie verschillende programma's gericht op kinderen van etnische minderheden met moeders die weinig opleiding hebben, anderstalige nieuwkomers en leerlingen uit problematische gezinnen met laagopgeleide ouders. Aan de extra formatie worden een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet het onderwijsvoorrangsbeleid voor de migrantenkinderen aantoonbaar gebruikt worden voor intercultureel onderwijs, taalvaardigheid Nederlands, aandacht voor leer- en ontwikkelingsproblemen en de betrokkenheid van de ouders. Als uit de beoordeling blijkt dat de middelen onvoldoende zijn ingezet en het verslag van inspectie is negatief dan wordt het extra geld stop gezet. Er wordt ook gelet op de kwaliteit van de administratie en in het bijzonder op die van de leerlingregistratie.
Dick van Ingen denkt dat het niet zo'n vaart zal lopen met het intrekken van de subsidie. "Ik vermoed dat de soep niet zo heet gegeten wordt als hij wordt opgediend. De meeste landen hebben, denk ik, net als Nederland, moeite met het meten van de output, oftewel de resultaten die de extra ingezette middelen moeten opleveren. De Belgen zeggen wel dat ze een wetenschappelijk verantwoorde methode hebben, maar zelf heb ik daar zo mijn twijfels bij. Ik denk ook dat de meeste landen terugschrikken voor het meten van de output, omdat het zou betekenen dat bij onvoldoende resultaat er geen extra geld meer gegeven mag worden."
Van Ingen vindt het een fundamentele vraag of je extra geld moet geven uitsluitend op grond van de etnische achtergrond. In zijn advies heeft de Onderwijsraad die kwestie omzeild door de achterstandsituatie en de taalvaardigheid van elkaar te scheiden. De Onderwijsraad stelt voor om bij leerlingen vooral te kijken naar het opleidingsniveau van de ouders en daarnaast de taalvaardigheid van leerlingen te testen.
In sommige landen wordt gewerkt met achterstandsgebieden, wanneer een school niet in zo'n gebied staat is er geen recht op extra formatie.
Engeland kent een woud van regels en indicatoren op grond waarvan extra geld wordt toegekend. Als redenen kunnen worden opgegeven dat een kind uit een eenoudergezin komt, de ouders een uitkering hebben of behoren tot de etnische minderheden. Daarnaast gaat het om leerlingen voor wie Engels de tweede taal is. De Local Education Authority
moet een plan indienen bij het ministerie waarin het doel en de verwachte resultaten uiteen wordt gezet.
De regering Blair heeft daarnaast in de grootstedelijke gebieden de zogenoemde Education Action Zones
aangewezen waarin maatregelen worden genomen tegen spijbelen, jeugdcriminaliteit, zittenblijven en schooluitval. Een zone bestaat doorgaans uit 16 of 17 basisscholen, twee of drie scholen voor secundair onderwijs en een school voor speciaal onderwijs. Er bestaan in Engeland nu 99 zones, daar komen nog eens 88 kleinere zones bij. Belangrijk is dat er in het gebied ook aandacht is voor de kinderopvang, de gezondheidszorg, de sociale dienst en welzijnsdiensten. Om al deze instellingen met elkaar in contact te brengen is er een speciale dienst in het leven geroepen die vanuit het ministerie ervoor zorgt dat er onderlinge contacten zijn en dat de verkokering op de ministeries wordt doorbroken.
Van Ingen denkt dat de situatie in Engeland erg ingewikkeld geworden is. "En het wordt alleen maar erger, want Blair doet er nog een schepje bovenop doordat hij de prestaties wil meten." De onderzoeker vindt het verschil met Duitsland groot waar veel meer generieke maatregelen bestaan.
Over het geheel genomen kan hij niet zeggen dat er nu één land bij zit dat uitzonderlijk goed is. "Ieder land heeft zijn eigen oplossingen gezocht en dat is vanzelfsprekend ook weer erg afhankelijk van de politieke situatie in een land."
Eigen scholen
In Amerika heeft een groep uit de Latijns-Amerikaanse gemeenschap vijftig eigen scholen opgezet voor de Spaanstalige kinderen. De groep wist in de afgelopen twee jaar een bedrag van tien miljoen dollar bij elkaar te krijgen. De zogeheten charterscholen worden wel gefinancierd vanuit de algemene middelen, maar zijn verder onafhankelijk in hun onderwijsprogramma en worden met extra programma's gesteund door de gemeenschap van waaruit ze zijn opgezet. De Latijns-Amerikaanse organisatie heeft in 250 plaatsen speciale steunprogramma's met voor- en naschoolse opvang.
De eigen scholen en de speciale opvang zijn allemaal opgezet vanuit onvrede met het niveau van de openbare scholen.
Volgens de grootste vakbond van onderwijspersoneel NEA (National Education Association) is ook de kwaliteit van de charterscholen erg verschillend, er zijn goede maar er zijn ook hele slechte bij.