• blad nr 2
  • 1-2-2019
  • auteur M. van Nieuwstadt 
  • Redactioneel

 

Keuzestress op de schoolboekenmarkt

Gebrek aan objectieve informatie maakt veranderen van lesmethode voor leraren een hels karwei. “Ik mis vaak een heldere visie op het vak en de manier waarop je kinderen het best kunt laten leren.”

Bij het kiezen van lesmethoden zien docenten soms door de bomen het bos niet meer. “Er is te weinig tijd om het goed te doen”, zegt Youssef el Bouhassani, docent wiskunde aan de Hogeschool van Amsterdam.
De hulp van uitgevers bij het keuzeproces laat te wensen over. “Natuurlijk sturen ze e-mails, maar die zijn puur commercieel. Wij hebben behoefte aan een goed gesprek, waarbij het er niet alleen om gaat de methode te pushen. De uitgever zou een oprechte adviserende rol moeten hebben en sparringpartner kunnen zijn. Maar dan moet hij ook kunnen zeggen: Deze methode is niet geschikt.” Zoveel zelfkritiek is voor een commerciële uitgever te veel gevraagd.
Voor een actueel, volledig en objectief overzicht van methoden die in het primair en voortgezet onderwijs op de markt zijn, konden leraren tot begin 2017 terecht op Leermiddelenplein.nl. Die website is verdwenen. “Het ministerie van Onderwijs vond het niet langer nodig om deze taak met publiek geld te financieren”, zegt José Lodeweges, leerplanontwikkelaar bij SLO, het instituut dat de site onderhield. “Het idee was dat uitgevers en distributeurs die rol zouden overnemen, maar dat is nog niet van de grond gekomen.” Andere websites zoals Edu-K en Wikiwijs bieden voorlopig geen goed alternatief.
Dat leerkrachten en hun leidinggevenden geen overzicht hebben op de markt voor leermiddelen blijkt uit een vorig jaar verschenen rapport in opdracht van werkgeversverenigingen PO- en VO-raad en twee ministeries. ‘De informatie die zij ontvangen ervaren zij als (zeer) gekleurd door een distributeur of uitgever’, luidt de klacht in het rapport Verkenning proces leermiddelenkeuze. ‘Daarnaast missen zij informatie over leerlijnen, leerdoelen, onderzoek over wat werkt en informatie van andere scholen.’

Afvinklijst
Niet alle leraren zijn ontevreden over de informatie van uitgevers. Op basisschool de Cirkel in Assen heeft juf Roelie van der Laan vorig jaar de keuze gemaakt om de methode Veilig leren lezen van uitgever Zwijsen in te ruilen voor Lijn 3 van concurrent Malmberg. Het was een klus. Van der Laan vroeg een zichtzending aan en maakte een afvinklijst: was de methode kindvriendelijk, de bladspiegel niet te druk, hoe was het kleurgebruik en ga zo maar verder. “Wij hadden graag een objectieve sparringpartner gehad, maar ik ben wel te spreken over twee webinars die de uitgevers hebben georganiseerd, waarin je vragen kon stellen en waarin ze dieper zijn ingegaan op hun methoden.”
Ook keuzestress is er niet voor iedereen, want veel leraren blijven hun methode jaren- of zelfs decennialang trouw. Ellen van de Pol, docent Frans op een middelbare school in Almelo gebruikt al meer dan twintig jaar de lesmethode Grandes Lignes van Noordhoff en ze zou niet anders willen. “Twee jaar geleden wilde de directie de methode afschaffen, omdat ze vonden dat we beter ons eigen materiaal konden ontwikkelen. Wij verzetten ons daartegen, maar kregen te horen dat we onprofessioneel waren. Niet van de 21ste eeuw en meer van dat soort prietpraat.”
Gelukkig, zegt Van de Pol, is het feest niet doorgegaan. “Er is een nieuwe bestuurder gekomen en het beleid is gewijzigd. Secties hebben de keuze gekregen om een methode aan te schaffen of zelf te ontwikkelen. Ik heb heus gezocht naar wat er online beschikbaar is en we gebruiken materiaal van Wikiwijs, maar dat staat in geen verhouding tot het uitgebreide en naar niveau gedifferentieerde materiaal van Grandes Lignes.”
Voor Van de Pol is de lesboekenkeuze overzichtelijk. “Eens in de vier, vijf of zes jaar vraag ik proefexemplaren op, maar eigenlijk alleen bij een paar grote uitgevers. De rest bekijken we al niet meer, want er zijn grote verschillen in kwaliteit.”

Versnippering
Methodemaker Jip Kruis heeft de markt in de afgelopen jaren versnipperd zien raken: “Er zijn vooral veel nieuwe digitale aanbieders. Vroeger hadden de grote vier Malmberg, Noordhoff, ThiemeMeulenhoff en Zwijsen misschien 80 tot 90 procent van de markt in handen, nu is dat waarschijnlijk veel minder.”
Digitale aanbieders als Gynzy en Snappet hebben een deel van de markt overgenomen, maar er zijn ook leraren die zelf lesmateriaal ontwikkelen. De indruk dat de markt versnipperd raakt, is in het primair onderwijs “waarschijnlijk correct”, zegt José Lodeweges van SLO.
In elk geval zijn er per vakgebied grote verschillen in de wil en wens om te veranderen. In het primair onderwijs ziet Lodweges dat scholen alternatieven zoeken buiten de reguliere methoden voor vakken als aardrijkskunde, geschiedenis en natuur. Maar de methode voor aanvankelijk lezen in groep 3 zullen scholen niet zomaar de deur uit doen.
“Werken zonder methode? Ik zou het wel willen”, zegt Roelie van der Laan van de Cirkel. “Maar ik durf het nog niet goed. De directeur is er ook geen voorstander van. ‘Hoe draag jij je werk dan over als er een collega voor je invalt’, vroeg hij.”
Ook het voortgezet onderwijs kent vakgebieden die zo belangrijk zijn, dat leerkrachten wel drie keer nadenken voordat ze de methode de deur uitdoen. “In de wiskunde heb je twee marktleiders en die laten zich niet zomaar de markt uitdrukken”, zegt Sergej Visser, tot voor kort docent op het Griftland College in Soest. “Getal en ruimte is moeilijk te verslaan.”

Leerplezier
Visser signaleert een gebrek aan vernieuwing in de leermiddelenmarkt op zijn vakgebied. “Er zijn in Nederland misschien wel 30 methoden Engels op de markt, maar daarvan lijken er 28 sterk op elkaar. Ze volgen allemaal hetzelfde recept: een hoofdstuk begint met een leuk tekstje om te lezen en te beluisteren. Daarna een woordenlijstje, basisgrammatica, een stapel oefeningen en, oh ja, er moet ook nog spreek- en luistervaardigheid bij.”
De opbouw van zo’n lesboek mag mooi zijn in theorie, zegt Visser, de praktijk is vaak dat leerlingen de boeken niet gebruiken zoals het zou moeten. “Er is haast geen leerling die eerst de woorden leert en dan de oefening doet. Ze maken de oefening niet echt of schrijven de antwoorden van elkaar over. Daar leren ze dus niks van.”
Het probleem is volgens Visser niet dat uitgevers niet naar leraren luisteren. “Docenten willen dat alles in de methode staat”, zegt hij. “Maar dat alles in de methode staat, wil niet zeggen dat de leerling alles leert.”
“Uitgevers luisteren echt wel naar docenten”, zegt economieleraar Ton van Haperen, columnist van het Onderwijsblad. “Als je een nieuwe methode maakt, dan willen uitgevers als eerste van je weten of je leraren proefmateriaal hebt opgestuurd en of je hun enthousiaste reacties kunt laten zien. Het probleem is: leraren willen maar een paar dingen. Een methode moet er goed uitzien. Alles moet erin staan en ze moeten leerlingen rustig aan het werk kunnen zetten. Daar zijn lesboeken dus op gericht. Maar ik mis vaak een heldere visie op het vak en de manier waarop je kinderen het best kunt laten leren.”
Zolang genoeg leraren tevreden zijn, blijven methoden op de markt, ook als er inhoudelijke argumenten zijn om te twijfelen aan de effectiviteit ervan. Zoals het expliciet aanleren en steeds opnieuw benadrukken van leesstrategieën in methoden voor begrijpend lezen bijvoorbeeld. Dat is een aanpak waarvan wetenschappers vrezen dat hij kinderen afleidt van de inhoud van de tekst. De methoden voorzien blijkbaar in een behoefte, want ze blijven bestaan.

Overdadig
Beoordelen of iets werkt, doen leraren het liefst op basis van ervaringen van andere leraren en scholen, staat in het rapport Verkenning proces leermiddelenkeuze, maar er staat bij: ‘Zij zien ook graag dat wetenschappelijke inzichten hierin worden meegenomen.’ Dat lukt vaak nog niet.
In een onderzoek naar boeken op lerarenopleidingen in Nederland en Vlaanderen concludeerde hoogleraar Paul Kirschner (Open Universiteit) vorig jaar dat effectieve leer- en instructiestrategieën daarin veelal niet of niet helder aan bod komen. Lesmethoden heeft hij niet gedetailleerd bestudeerd, maar hij heeft er genoeg gezien om een oordeel te vormen. “Methoden zijn vaak overdadig geïllustreerd, maar ze presenteren informatie lang niet altijd zoals het volgens wetenschappelijk inzicht zou moeten.”
Uitleg en plaatjes moet je integreren, is zo’n inzicht. Als het plaatje op de ene bladzijde staat en de tekst op een andere, dan gaat er iets niet goed. Kirschner: “Het is zelfs verkeerd als in een wiskundeboek de hoeken A, B en C gemarkeerd staan en de tekst die ernaar verwijst eronder staat. Afbeeldingen en tekst moet je integreren, dat is in onderzoek goed onderbouwd.”
Nog zo’n principe: elke les moet beginnen met een herhaling van de les ervoor. “Het koppelen van nieuwe kennis aan kennis die je daarvoor hebt opgedaan is één van de belangrijkste leerprincipes”, zegt Kirschner. “Elk hoofdstuk moet dus expliciet aansluiten op wat leerlingen eerder hebben geleerd. En daarmee bedoel ik niet alleen dat pagina 8 logisch volgt op pagina 7. Je moet echt herhalen wat er in het vorige hoofdstuk stond.”

Vernieuwing
Sergej Visser vindt dat veel methoden onderwijskundig best goed in elkaar steken. “Het probleem is niet dat de uitgevers beter hun best moeten doen, ze moeten beter met docenten samenwerken en laten zien wat werkt in de praktijk.”
Visser ziet te weinig vernieuwing. “Sommige docenten werken al dertig jaar lang hetzelfde. Als leerlingen niet alle sommen uit de methode maken, krijgen ze straf. Maar hoe zinnig is dat? De methode is immers een middel om een doel te bereiken. Sommige leerlingen hoeven niet al die sommen te maken om de stof te beheersen. Anderen hebben juist niet genoeg aan de sommen. Zij moeten gerichter aan de slag met meer begeleiding.”
Op het Griftland heeft de bovenbouw voor de talen zijn eigen leermateriaal ontwikkeld. De onderbouw werkt nog met methoden die worden aangeschaft. Visser: “Het is niet zo dat je een slechte leraar bent als je werkt vanuit de methode. Een methode helpt, maar je kunt goede lessen geven met een slechte methode en slechte lessen met een goede methode.”
Leerkrachten willen lesmethodes die passen bij hun visie op onderwijs, maar tegelijkertijd valt het niet mee om die scherp te formuleren. Docenten zijn het onderling vaak niet eens. Als methodemaker heeft Jip Kruis de verhitte discussies mogen volgen: op film of live vanachter gespiegeld glas. “Als docenten allemaal mogen zeggen wat ze vinden, hoor je sterk verschillende geluiden.”
Een heldere visie op onderwijs maakt de methodekeuze veel makkelijker. Voor de keuze tussen Veilig leren lezen en Lijn 3 wist Roelie van der Laan heel goed wat ze wilde. “Bij collega’s zie ik dat kinderen in groep 3 vanaf dag één in stoelen en bankjes moeten zitten. Ik denk dat die overgang niet zo abrupt moet zijn, want kinderen van deze leeftijd hebben nog zoveel bewegingsdrang. Ik wilde dus een methode die speels was, binnen de mogelijkheden en op dat vlak heeft Lijn 3 naar mijn idee net wat meer te bieden.”
Maar als de keuzemogelijkheden ruim zijn en het team is groot, dan is gebrek aan tijd een probleem, zegt El Bouhassani. “Het liefst wil je net zo lang overleggen en discussiëren totdat je eruit bent, maar daar is vaak geen tijd voor. ‘Weet je wat’, is dan soms de conclusie, ‘we nemen gewoon het boek dat we altijd al hadden’. Zo’n keuze is niet heel bevredigend.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.