• blad nr 1
  • 12-1-2002
  • auteur T. van Haperen 
  • Column

 

De klassenleraar

Vroeger had elke klas een speciale leraar die het wel en wee in de gaten hield, de studievorderingen volgde en de school vertegenwoordigde in het contact met ouders. Deze functie had een hoog ceremonieel gehalte, ook toen kwamen veruit de meeste kinderen hun middelbareschoolperiode schadevrij door. Natuurlijk, soms bleef iemand zitten, maar dat hoort erbij. Het werd vervelend als dat twee keer achter elkaar gebeurde. De zoektocht naar een andere school is een nederlaag waar ouders kriegel op reageren. Maar die stress verdween bij aanvang van de grote vakantie. Eigenlijk had de functie slechts één echt vervelend onderdeel: de ellende in de persoonlijke sfeer... het grote onrecht. Ook bij ziekte en dood werd van de klassenleraar iets verwacht. Wat precies bleef onduidelijk. Eigenlijk weet niemand hoe hij dan doen moet.
Met de komst van de tweede fase moest alles anders en ook de klassenleraar was aan vervanging toe. Hij was ouderwets, verbonden met klassikaal onderwijs, wat toen nog in brede kringen werd gezien als een complot van slechte mensen, enkel en alleen bedoeld ter onderdrukking van het kind. In het studiehuis staan zelfontplooiing, omgaan met verschillen en individualisering van het leertraject centraal. En eerlijk is eerlijk, ouderavonden, eenmaal per jaar met de klas iets eten en soms een begrafenis voegen daar niet veel aan toe. Vandaar de promotie tot mentor. De verschillen zijn niet mis. Elke zichzelf respecterende school heeft een heuse taakomschrijving van de nieuwe functie, beginnend met zinnen als: 'hij/zij bewaakt...' en 'hij/zij draagt zorg voor...'. Dat gaat al gauw een A-viertje lang door. Goed en begrijpend lezen leert dat het verschil met de klassenleraar tweeërlei is: de mentor helpt leerlingen bij het proces van zelfstandig werken naar zelfverantwoordelijk leren en speelt een grote rol bij de oriëntatie op de vervolgopleiding, daarbij aangestuurd door de decaan.
In wezen krijgt de mentor de verantwoordelijkheid voor het welslagen van de tweede fase in zijn schoenen geschoven. De vernieuwing dankt immers haar bestaansrecht aan de slechte aansluiting met vervolgonderwijs, veroorzaakt door onvoldoende vaardigheid in kennisverwerving en ongemotiveerde studiekeuzes. Bij aanvang benoemen veel schooldirecties de nieuwe functionaris dan ook tot spil van de organisatie, beloond met een wekelijks lesuur, waarin met een groepje van tussen de tien en vijftien leerlingen aan vastgelegde zaken wordt gewerkt.
Al spoedig blijkt deze constructie niet te handhaven. Scholen worden in hun organisatie nog steeds bijeengehouden door een rooster, waarbij vanuit budgettair oogpunt tijdens ieder lesuur tegenover één leraar gemiddeld 25 leerlingen staan. Voeg daarbij het gegeven dat onderwijsvernieuwing in Nederland gepaard gaat met een toename van het aantal vakken, en de migraine van de roostermaker is verklaarbaar. Een mentorbegeleidingsuur is hierbij een extra afknapper. Waarna de natuurwet 'spanning wordt verhaald op de laagste in de hiërarchie' in werking treedt. Een leerling die aan het einde van de dag uren op de mentor moet wachten, om eindelijk iets aan loopbaanoriëntatie te doen, is heel normaal. Alleen daardoor al krijgt het samenzijn iets nutteloos. Een gevoel, versterkt door kwaliteit van activiteit en materiaal. Dossiers bijhouden, keuzes motiveren, reflecteren... op zich heel zinnig. Maar op vier-havo prikkelt de methode met invuloefeningen niet echt. Directieleden horen hiervan, ervaren problemen bij de inrichting van hun studiehuis en reageren zoals ze dat al jaren doen: met klassikale oplossingen. Het mentorbegeleidingsuur is een van de eerste zaken die sneuvelen. Eén docent, twaalf leerlingen, dat kost volgens de cao twee lessen. Geklaag van mentoren en leerlingen maakt de beslissing eenvoudig. Dit is natuurlijk de crux van alle studiehuisstress. Ministerie, inspectie en hemelbestormers kunnen het klassikaal onderwijs wel afschaffen, maar dan moeten ze er wel bij zeggen hoe. Dat is nooit gebeurd. Begrijpelijk, want binnen de budgettaire randvoorwaarden kan het namelijk niet. En dan begint het grote liegen. De fraaie taakomschrijving blijft, de mentorgroepen worden jaarlijks groter en het vaste uur is afgeschaft. Ouders begrijpen dit niet. Een school belooft van alles, maar maakt het niet waar. Bij slechte leerresultaten komen de verwijten. Mocht het tot een rechtszaak komen, dan wijst de nieuwe kaste van vrijgestelden, bestaande uit coördinatoren, laagleiders, decanen, conrectoren en rector, naar die ene mentor: het is zijn schuld, hij heeft zijn werk niet goed gedaan. Het lijkt dan ook verstandig om die map met taakomschrijvingen gauw op zolder te verstoppen en de functie van mentor aan te passen aan de werkelijkheid. De titel klassenleraar dekt de inhoud een stuk beter.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.