- blad nr 1
- 1-1-2019
- auteur A. Kersten
- Redactioneel
Geld voor passend onderwijs blijft onbesteed
Aanvankelijk hield onderwijsminister Arie Slob zich nog op de vlakte. Bij het debat over de onderwijsbegroting in de Tweede Kamer eind oktober vroeg GroenLinks-Kamerlid Lisa Westerveld naar de financiële reserves van samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. Die hielden eind 2017 namelijk samen een kleine 32 miljoen euro over, zo becijferde het Onderwijsblad kort daarvoor op basis van nieuwe jaarcijfers. En dat niet alleen. Het gezamenlijke vermogen van alle 152 samenwerkingsverbanden is sinds de invoering van passend onderwijs in 2014 onafgebroken doorgegroeid naar een slordige 240 miljoen.
Slob wilde wachten op een financiële analyse van de Onderwijsinspectie. Die lag er begin december, naar Haags gebruik vergezeld van een reactie. Die was geformuleerd in voor Slobs doen ongebruikelijk stevige bewoordingen. 'Gezien de belangrijkste taak van de samenwerkingsverbanden, namelijk het bieden van ondersteuning aan kwetsbare leerlingen, is het zorgelijk en onwenselijk dat er zoveel geld niet wordt uitgegeven’, aldus de minister. ‘Het staat ook in schril contrast met de klachten van scholen over te weinig ondersteuning in de klas.'
'Verbazingwekkend' vindt Slob het dat samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs gemiddeld genomen meer vet op de botten hebben dan schoolbesturen. In de praktijk lopen ze namelijk geen grote financiële risico's, omdat de aangesloten schoolbesturen samen garant staan. Maar sommige samenwerkingsverbanden blijken nog altijd druk bezig beleid te maken: ze leggen geld op de plank zonder dat ze weten waar het straks naartoe moet.
Vragen
Noch samenwerkingsverbanden, noch schoolbesturen leggen voldoende verantwoording af over de budgetten voor leerlingondersteuning. Die conclusie trok de Algemene Rekenkamer anderhalf jaar geleden ook al. Een tweede onderzoek van de inspectie illustreert dat in veel gevallen samenwerkingsverbanden zelfs meer reserves hebben opgebouwd dan ze zelf nodig vinden. Het overschot van 32 miljoen bedraagt het veelvoudige van de vooraf begrote plus van 4 miljoen. ‘Dat roept vragen op in hoeverre de samenwerkingsverbanden hun financiële processen weten te beheersen', vindt de Onderwijsinspectie.
Wat alle onderzoeken tot dusver vooral laten zien: de 77 samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs en 75 in het voortgezet onderwijs varen allemaal hun eigen koers. Dat was ook precies de politieke gedachte destijds: alle belangrijke keuzes moeten in de regio zelf gemaakt worden. Daar zijn ze het beste op de hoogte van relevante regionale ontwikkelingen, zoals demografische krimp of de vraag naar leerlingondersteuning.
Daarbij heeft de helft van de regio’s te maken met een bezuinigingsoperatie, opgelegd om het budget voor ondersteuning gelijker te verdelen over het land. Grofweg het oosten en zuiden van het land moeten daardoor stapsgewijs budget inleveren, het westen en noorden krijgen er geld bij. Sommige samenwerkingsverbanden met een negatieve verevening hebben de afgelopen jaren extra geld opzij gezet om zich te weren tegen de teruglopende inkomsten. Dat verklaart waarom ook bezuinigende samenwerkingsverbanden veel geld overhouden, zoals blijkt uit cijfers die het Onderwijsblad analyseerde. Maar ook in regio’s die de inkomsten zien stijgen, blijft geld op de plank liggen.
Geen winstoogmerk
Er zijn ook samenwerkingsverbanden die naar eigen zeggen bewust geen reserves kweken. Zoals het samenwerkingsverband voor voortgezet onderwijs in de regio Apeldoorn. Dat heeft zelfs een negatief eigen vermogen. Dat is geen probleem, zo meldt het bestuur in het jaarverslag. ‘Het beperkte eigen vermogen is geen risico voor de continuïteit, omdat de aangesloten schoolbesturen garant staan voor de exploitatie van het samenwerkingsverband. De coöperatie heeft geen winstoogmerk en heeft geen streven een vermogen op te bouwen.’
Steeds opnieuw blijkt uit peilingen dat passend onderwijs aan alle kanten knelt, zoals eind vorig jaar. Basisschoolleraren oordelen vier jaar na de start van passend onderwijs nog altijd erg kritisch over de uitvoering ervan. Ze ervaren meer werkdruk en kunnen leerlingen niet de aandacht geven die ze nodig hebben. Een minderheid van de leerkrachten heeft nog het vertrouwen dat passend onderwijs binnen twee jaar een succes wordt op hun school. Een grote meerderheid gelooft daar niet in.
De Haagse verontwaardiging ontneemt het zicht op het werkelijke drama. Hoe toeschietelijk of onwrikbaar het samenwerkingsverband is en welke aanspraak je als leerkracht kunt maken op extra ondersteuning in de klas hangt maar net af van de regio waarin je school staat. Een landelijke afspraak over een minimale ondergrens aan basisondersteuning voor leerlingen zou houvast kunnen bieden. Maar dit voorstel hebben de coalitiepartijen, waaronder de ChristenUnie van minister Slob, in de Tweede Kamer al meermalen weggestemd. Voorlopig wordt er niet aan de knoppen gedraaid, het kabinet wil wachten op een finale evaluatie in 2020. En die reserves? Daarover gaat de minister met samenwerkingsverbanden in gesprek.
Hoe rijk is mijn samenwerkingsverband?
Het Onderwijsblad bracht de reserves per samenwerkingsverband in beeld aan de hand van twee kaartjes. Daarin zijn de regionale verschillen goed te zien en zijn gegevens per samenwerkingsverband aanklikbaar. Ga naar aob.nl en zoek op ‘samenwerkingsverband’.