• blad nr 8
  • 1-9-2018
  • auteur Y. van de Meent 
  • Redactioneel

 

Kansarme kleuters lopen achterstand in

De Rotterdamse wijk Spangen is één van de armste buurten van Nederland. Dat betekent niet dat de kinderen die er wonen, zwakke leerlingen zijn. Dat bewijst de Mariaschool. Aan haar succes dreigt een eind te komen door leegloop bij voorscholen.

Een stralende woensdagochtend. Het is pas kwart over acht, maar op het Taandersplein in de Rotterdamse wijk Spangen zijn de schommels en klimrekken al volop in gebruik. Voor de ingang van de Mariaschool staat een groepje Turkssprekende jongens te trappelen om naar binnen te gaan. Als om tien voor half negen de schoolbel gaat, komen er ineens van alle kanten ouders met kinderen aan gesneld. Even later zwaait de schooldeur open. Directeur Judith van Wijngaarden staat klaar om iedereen welkom te heten.
Vandaag schuiven vier moeders aan bij de kleutergroep 1/2C. Ze krijgen straks een handmassage in de spa, legt Marlène Balai uit als alle kinderen in een kring zitten. De afgelopen zes weken stond het thema verzorgen centraal. In de speelhoeken op de gang zijn tijdelijk een opticien, een kapsalon en een centrum voor jeugd en gezin ingericht. In de kapsalon kunnen kinderen onder de droogkap die de conciërge van een plastic vergiet heeft gemaakt. Bij de opticien kunnen ze hun ogen laten testen: er hangt een poster met steeds kleiner wordende letters. Bij het centrum voor jeugd en gezin kunnen ze een babypop wegen, opmeten, naar het hartje luisteren en een prikje geven.
Aan het eind van de week worden de speelhoeken opnieuw ingericht. Om het thema verzorgen af te sluiten is er in de gang een manicuresalon ingericht, waar de kleuters de handen van hun mama’s mogen verzorgen. Er staan plastic bakken met water die gebruikt kunnen worden als handbassin. Er zijn schone handdoekjes, er ligt een tube met handcrème, er zijn nagelvijlen en verschillende kleuren nagellak.
“We betrekken ouders altijd bij het begin van een nieuw thema en sluiten ook af met een ouderactiviteit”, legt Marlène Balai uit. Voor de moeders onder handen genomen worden, repeteert ze het spelscript. “Waarom krijgen de moeders een handmassage”, vraagt ze als de kleuters in een kring zitten. “Omdat ze pijn in hun handen hebben”, denkt Safa. Marlène laat het zo en haalt de prijslijst van de manicuresalon. “Een handmassage, hoeveel kost dat?” “Drie euro”, weet Ayat.
“En wat kost nagels lakken, Yusuf”, vraagt Balai aan de grote, donkere jongen naast haar die al een paar melktanden kwijt is. “Vijf euro”, roepen een paar kinderen als Yusuf niet snel genoeg met een antwoord komt. “Vijf euro, hoeveel is dat? Kunnen jullie vijf vingers opsteken”, vraagt de juf. Dat kunnen de grotere kinderen wel. Maar Elif-Lina, een klein meisje dat heel eigenwijs een roze zonnebril op haar hoofd draagt, kijkt niet-begrijpend om zich heen. Als ze de andere kinderen een hand op ziet steken, doet ze dat snel na.

Inhaalslag
De overheid besteedt jaarlijks een half miljard euro aan voor- en vroegschoolse educatie (vve) en daar komt vanaf volgend jaar nog 170 miljoen euro bij. Daarmee moet voorkomen worden dat kansarme peuters en kleuters al met een achterstand aan de basisschool beginnen. Maar of die investeringen het gewenste effect hebben, is lastig aan te tonen.
Uit een grootschalig onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Kohnstamm Instituut waarin bijna drieduizend kinderen van voorschool tot groep 8 worden gevolgd, blijkt dat tweejarigen tijdens de voorschoolse periode de helft van hun achterstand hebben ingelopen. Maar dat effect is niet toe te schrijven aan het educatieve programma dat ze volgen, want achterstandspeuters die naar een gewone crèche gaan, maken dezelfde inhaalslag. De onderzoekers wijten dat aan de uitvoering van de stimuleringsprogramma’s. De educatieve kwaliteit op voorscholen is matig en in kleutergroepen vaak zelfs slecht, blijkt uit hun observaties in de klas. Maar er is hoop, want er zijn ook kleutergroepen met een goed aanbod en hoge educatieve kwaliteit waar kinderen wel vooruitgang boeken.
Als er één gemeente is waar kinderen zo’n school nodig hebben, is het Rotterdam, de stad waar een kwart van de kinderen in armoede opgroeit en waar één op de vijf volwassenen laaggeletterd is. Van alle Nederlandse kinderen lopen Rotterdamse peuters het grootste risico om een taal- en ontwikkelingsachterstand op te lopen.
De wijk Spangen stond vijftien jaar geleden landelijk bekend om z’n drugspanden. Kinderen kwamen naar school met injectiespuiten die ze op straat hadden gevonden. De drugsgebruikers zijn verdreven, de wijk is leefbaarder geworden, maar de armoede is gebleven, weet directeur Judith van Wijngaarden. “Dan heb ik het niet alleen over financiële armoede, maar ook over culturele en sociale armoede. Er wonen hier veel Nederlanders met een andere culturele achtergrond, zoals ik het noem. Veel tweede en derde generatie, maar ook nieuwkomers. We krijgen kinderen van Bulgaarse en Poolse migranten binnen die geen Nederlands spreken.”
Spangen is een achterstandswijk, maar dat betekent niet dat de kinderen die er wonen, zwakke leerlingen zijn, stelt Van Wijngaarden. Het zijn gewone kinderen die bijna allemaal in Nederland geboren zijn. “We gaan ervoor zorgen dat ze met gewone resultaten van school gaan. We hebben hoge verwachtingen en geven deze kinderen geen enkel excuus om onder te presteren.” Daarbij trekt de Mariaschool samen op met de voorschool van Peuter & Co die in hetzelfde pand is ondergebracht. De pedagogisch medewerkers en de leerkrachten van groep 1 en 2 werken inhoudelijk samen om peuters en kleuters een doorlopende voor- en vroegschoolse leerlijn te bieden.

Lesje afdraaien
Vier jaar geleden ging het roer om. “We werkten met het vve-programma Piramide”, vertelt Marlène Balai, die al twintig jaar in dienst is bij de Mariaschool. “Het was erg aanbodgericht, je was bezig met een lesje afdraaien en er was weinig ruimte voor eigen inbreng.” Haar collega Natalie Steentjes vult aan: “Piramide is ook erg gericht op taalactiviteiten. Nu gebruiken we Kijk! als startpunt, daarmee observeren we zeventien ontwikkelingsgebieden. Vier op het gebied van taal, maar bijvoorbeeld ook motoriek, beginnende gecijferdheid en taakgerichtheid.” Kindgericht werken, noemt Van Wijngaarden het. “Niet het vve-programma, maar de ontwikkelingsbehoefte van het kind staat centraal.”
“We observeren waar kinderen in hun ontwikkeling zitten en bepalen aan de hand daarvan aan welke doelen we gaan werken en welke activiteiten daarbij horen”, legt Steentjes uit. “Dat doen we met het hele team.” Het spel van het kind is het uitgangspunt. “We kiezen thema’s waaraan we spelactiviteiten kunnen koppelen die passen in de ontwikkelingslijn”, vult Balai aan.
Het is heel veel werk, bekennen Balai en Steentjes. Maar ze doen het met plezier, want de resultaten mogen er zijn. Voor de invoering van de ontwikkelingsgerichte aanpak, scoorde groep 1 op reken- en taaltoetsen onder het landelijk gemiddelde. Aan het eind van groep 2 zaten de kleuters bij taal tegen het gemiddelde aan en bij rekenen er net boven. Drie jaar later scoort groep 1 al bovengemiddeld op beide toetsen. “Kleuters komen dus met minder achterstand bij ons binnen omdat de voorschool ook met de ontwikkelingsgerichte aanpak werkt”, constateert Van Wijngaarden.
Eenmaal op de basisschool zetten ze hun achterstand om in een voorsprong. Aan het eind van groep 2 liggen de taal- en rekenscores van de kleuters van de Mariaschool 25 procent boven het landelijk gemiddelde. “Dit laat zien dat je met kinderen uit deze wijk bovengemiddelde scores kunt halen als je ontwikkelingsgericht werkt”, vertelt Van Wijngaarden vol trots.

Eigen bijdrage
Maar ontwikkelingen in het achterstandsbeleid dreigen de vooruitgang die is geboekt, weer teniet te doen. In Rotterdam kunnen alle peuters sinds 2016 twee dagdelen naar de voorschool. Kansarme kinderen hebben recht op twee dagdelen extra. Maar alle ouders betalen voor de eerste twee dagdelen een inkomensafhankelijke bijdrage. Als ze werk hebben, kunnen ze bij de Belastingdienst een kinderopvangtoeslag aanvragen. Maar dat blijkt voor veel ouders een brug te ver. “Er zijn zelfs ouders die hun kind van de voorschool hebben gehaald”, weet Van Wijngaarden. “Peuter & Co had bij ons vier groepen, daar zijn er nog maar twee van over. Daardoor komen er weer vierjarigen met een forse achterstand bij ons binnen.”
Daar komt de terugloop van de onderwijsachterstandsmiddelen die de school krijgt, nog bij. “Dat budget holt achteruit. Zes jaar geleden had nog 86 procent van onze kinderen een gewicht, nu is dat nog maar 41 procent”, vertelt de directeur. En dat is niet omdat er minder achterstandsproblemen zijn. Het is een landelijke trend die samenhangt met de stijging van het opleidingsniveau van ouders, het criterium dat gebruikt wordt om het leerling-gewicht vast te stellen.

Grote klassen
De Mariaschool kon de budgetdaling opvangen dankzij een unitstructuur. “We hebben groep 1 en 2 samengevoegd omdat jongere en oudere kleuters van elkaar kunnen leren. Je kunt bijvoorbeeld met binnen- en buitenkringen werken, maar ze leren ook sociaal veel van elkaar”, vertelt de directeur. “Dat is zo goed bevallen dat we afgelopen september de muren tussen de andere klaslokalen ook weg hebben gehaald. We werken nu in de hele school met units.”
In een unitstructuur kun je leerlingen gelijkmatig over stamgroepen verdelen waardoor er minder leerkrachten nodig zijn. “Daardoor zijn de klassen groter geworden, we hebben nu 25 tot 27 kinderen per groep. Alleen de kleutergroepen houden we bewust kleiner omdat uit onderzoek blijkt dat klassenverkleining daar het meeste effect heeft op de leerresultaten. Maar ik heb dus echt minder personeel en dat is wel een punt van zorg.”
Door de introductie van een nieuwe achterstandsindicator waarmee de Tweede Kamer in mei instemde, wordt de afkalving van het achterstandsbudget weliswaar tot staan gebracht, maar ontstaan ook bizarre herverdeeleffecten tussen schoolbesturen en tussen scholen binnen één bestuur (zie artikel ‘Grillige verschuivingen bij achterstandsbudget’ op pagina 36). RVKO, het bestuur waaronder de Mariaschool valt, raakt 13 procent van het achterstandsbudget kwijt, blijkt uit voorlopige berekeningen van de PO-raad. De Mariaschool staat op min 25 procent.
Van Wijngaarden laat zich er niet door uit het veld slaan. “Hoe het geld ook verdeeld wordt, wij gaan door met de ontwikkelingsgerichte aanpak.” Dat er een andere verdeelsleutel wordt gehanteerd, is misschien ook wel terecht. “Ik heb in het verleden best last gehad van het feit dat wij extra leerkrachten hadden terwijl scholen in andere wijken met supergrote klassen zaten. Elke school heeft zijn eigen problematiek. In Vinex-wijken hebben veel ouders ook problematische schulden of te weinig aandacht voor hun kinderen omdat ze in een vechtscheiding zijn verwikkeld. Om die problemen aan te pakken moeten we het onderwijs beter organiseren en meer samenwerken. Natuurlijk moet de overheid investeren in onderwijs en kansengelijkheid. De kloof tussen kansarm en kansrijk wordt steeds groter. Er is veel ambitie nodig om die kloof te dichten en dat lukt alleen als we samenwerken.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.