• blad nr 7
  • 1-7-2018
  • auteur M. Lange 
  • Redactioneel

Uitval onder starters hoog 

‘Ik werd er grimmig van’


Van de zevenkoppige studiegroep van Maaike Lange stopten drie kersverse docenten binnen tweeënhalf jaar na het behalen van hun bevoegdheid. Hoe komt dat? En waarom slaagde de rest wel? 

Tweeënhalf jaar geleden rondde ik de Interfacultaire lerarenopleiding (Ilo), de opleiding tot eerstegraadsdocent, af aan de Universiteit van Amsterdam. Intussen heb ik het onderwijs alweer verlaten. Werk is er genoeg, als eerstegraadsdocent Nederlands in Amsterdam ben je een mooi prijsdier, maar jammer genoeg vond ik mijn draai niet in het onderwijs. Ligt dit aan mij? Misschien wel. Maar ook landelijk onderzoek laat zien dat veel nieuwe docenten al snel weer afhaken. Van alle nieuwe leraren in het middelbaar onderwijs overweegt 63 procent binnen vijf jaar te stoppen, meldt een rapport van de Onderwijscoöperatie uit 2015. En uit een recenter onderzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs (Duo) blijkt dat 32 procent van alle (bevoegde) docenten van onder de dertig in het middelbaar onderwijs binnen vijf jaar stopt met lesgeven. De belangrijkste redenen zijn hoge werkdruk en een onzekere aanstelling. Hoe zit het mijn Ilo-studiegroep van de vakgroep Nederlands? Wie zijn er gebleven en wie niet, en waarom? In 2014 startten we met tien studenten, zowel deeltijders als voltijders, in verschillende leeftijdscategorieën, met allemaal dezelfde ambitie, namelijk docent Nederlands worden op een middelbare school. Ook allemaal hadden we de overtuiging hierin te zullen slagen, daarom inveseerden we tijd en geld. Gaandeweg het eerste en tweede semester vielen de eerste studenten af. De opleiding was niet gemakkelijk, dat lag niet zozeer aan de inhoud, maar vooral aan de enorme bulk werk. Voor sommigen bleken opleiding en stage lastig te combineren met thuis of ander werk: drie van de tien stopten. De overige zeven bikkelden voort en haalden hun eerstegraads bevoegdheid. Nu, na tweeënhalf jaar, geven vier docenten les op een middelbare school één ervan in Shanghai en zijn drie van de club van zeven gestopt met lesgeven. Opvallend genoeg stopten van mijn studiegroep alle deeltijdstudenten met lesgeven, onder wie ik zelf. De deeltijdstudenten waren de ‘oudere’ studenten; wij begonnen na ons veertigste aan de opleiding en hadden al een andere carièrre achter de rug. Wilma Groeneweg, vakdidacticus en begeleider van onze studiegroep, denkt dat de uitval van deeltijdstudenten komt omdat zij minder overtuigd zijn van hun kans van slagen dan jongere studenten. “Ook voor jonge docenten zijn de eerste jaren voor de klas niet gemakkelijk, maar zij storten zich er meer in. Jonge docenten hebben vaker bewuster gekozen, want veel jonge mensen willen niet voor de klas omdat hun eigen middelbare school nog te dichtbij is, dus degenen die er wel voor kiezen hebben vaak al lang docent willen worden.” Zoals Yves Otten (zie kader). Zijn vrienden op de middelbare school zagen in hem al een docent. Vakdidacticus Groeneweg is inmiddels met pensioen, zij begeleidde tal van studenten naar het docentschap, en zag ook genoeg deeltijdstudenten wel slagen. Gelukkig, want dan is de volledige uitval van de deeltijders van mijn studiegroep niet exemplarisch. De reden waarom de iets oudere docent juist wel slaagt is omdat hij, volgens Groeneweg, vaak steviger in de schoenen staat vanwege extra levenservaring. “En dat stelt je bijvoorbeeld in staat om sneller een school te kiezen die bij je past.” Het vinden van een passende school verhoogt je kans om te slagen als docent. Janneke van de Griendt, docent Nederlands in Shanghai (zie kader), zegt: “Docenten die geen plezier hebben in hun werk, zitten misschien op de verkeerde school.” Politie Ik koos voor een kleine montessorischool in Amsterdam met veel aandacht voor kunst en cultuur en ik wist zeker dat deze school goed bij mij zou passen. Ik had lol in de leerlingen en het lesgeven ging steeds beter. Toch werd mijn jaarcontract niet verlengd. Ik had pech met de moeizame samenwerking met een collega. Allebei nieuw en samen verantwoordelijk voor de onderbouw, met totaal verschillende karakters. Bovendien begeleidde niemand op school ons. Coaching en begeleiding van startende docenten draagt bij aan het slagen van een docent op school. Op mijn school schoot die begeleiding dus tekort, maar van mijn kant was het stom dat ik niet om meer vroeg, ik zou het zelf wel uitzoeken. Dus: wél doen, nieuwe docenten, vraag om coaching en houd contact met teamleiders. Docent Hanneke Hengst (zie kader) geeft aan dat het korte lijntje met de teamleider heeft bijgedragen aan haar slagen voor de klas. Bijna dagelijks is er uitwisseling. “Toen de werkpiek te hoog werd, mocht ik een dag thuisblijven om nakijkwerk in te halen. Een andere keer ging ik op een vrije dag dan wel naar de rapportvergadering.” Dat wederzijdse geven en nemen is belangrijk volgens Hengst, het geeft aan dat de school vertrouwen in haar heeft. Volgens het eerder genoemde rapport van Duo noemen docenten als reden om het onderwijs te verlaten de hoge werkdruk, stress en onzekere contracten. Docent Sophie te Nuijl (zie kader): “Als docent heb je meteen heel veel verantwoordelijkheid. Leerlingen, collega’s, managers en ouders, iedereen verwacht wat van je.” Het werkterrein van een docent is dan ook breed. Pas tijdens het eindgesprek met mijn directeur realiseerde ik me dat we aan het begin van het schooljaar niet hadden afgesproken wat mijn doelen waren voor dat eerste jaar. Waar zou ik, zeg maar, op afgerekend kunnen worden? Ik maakte de inschatting dat de voorbereiding van de lessen en het opbouwen van een band met de klassen vooropstonden. Maar een school kan zomaar ook heel andere wensen hebben. Wellicht is hier verbetering mogelijk: je zou als docent beter moeten weten welke taken je het eerste jaar moet gaan beheersen en tot op welk niveau, welke in het tweede en welke het derde jaar. Natuurlijk speelt verder ook de thuis- of privésituatie een rol in het al dan niet slagen als docent. Anne Schram (zie kader) merkte hoe lastig het onderwijs te combineren is met kinderen. “Als mijn kind ziek was, kon ik niet even tien minuten later op school verschijnen.” Hanneke Hengst maakte juist mee hoe de school meedacht met haar verhuizing. En verder is het gewoon keihard werken. Zoals Te Nuijl zegt: “Vijftig uur draaien per week.” Tot slot vroeg ik onze oud-begeleider Wilma Groeneweg of zij aan het begin van onze studie al had kunnen inschatten wie van onze studiegroep het wel of niet zou gaan redden als docent. Van iedereen die nu nog docent is, had ze dat verwacht. En de uitvallers? Bij mij had ze inderdaad getwijfeld. “Mensen die al werkervaring hebben vinden het creatieve aspect van lesgeven, zoals het maken van goede lessen, heel leuk. De ‘politiekant’ van het werk vinden ze meestal heel vervelend.”

{kadertje 1} Yves Otten Gemeentelijk Gymnasium Hilversum “Mijn vrienden op de middelbare school zeiden al dat ik leraar moest worden. Ik was altijd bezig dingen uit te leggen. Het beroep past bij me. De werkdruk en -last op school is hoog, maar mijn voordeel is mijn manier van lesgeven: ik laat leerlingen zoveel mogelijk zelf uitzoeken, daar leren ze het meest van. Wat je op de lerarenopleiding niet leert, is hoe je om moet gaan met problemen van leerlingen thuis of buiten school. Daar kan ik echt wakker van liggen.”

{kadertje 2} Anne Schram Redacteur en uitgever “Met pijn in het hart heb ik het onderwijs verlaten. Eerder gaf ik Nederlands op een middelbare school in Afrika. Ik werkte volgens het IB-programma en had kleine, heterogene klassen. Ik denk dat ik daar een leuke en goede docent was. Een grote tegenvaller hier was het onderwijssysteem: zo ineffectief. Veel tijd gaat bijvoorbeeld op aan het beoordelen van toetsen met voorgeschreven halve- en kwartpunten. Liever geef ik helemaal geen cijfers en breng ik de voortgang anders in beeld. De starheid van de scholen heeft mij doen afhaken.”

{kadertje 3} Sophie te Nuijl A. Roland Holst College Hilversum “Ik denk dat je talent moet hebben om docent te zijn, het talent om met pubers om te gaan en te weten wat je bijvoorbeeld wel en niet toelaat in de les. Het leukste van mijn vak vind ik het ontwerpen van lessen. Als leerlingen er iets van opsteken, word ik blij. Verder is het gewoon keihard werken. Ik werk vijftig uur per week. Voor sommige jonge docenten is dat schrikken. Als ik leeftijdsgenoten vertel dat ik die extra uren niet krijg uitbetaald, geloven ze me bijna niet.”

{kadertje 4} Hanneke Hengst Kaj Munk College Hoofddorp “Ik begon aan de lerarenopleiding na een intensief selectietraject met sollicitatiegesprekken en proeflessen en daardoor wist ik dat ik de juiste kwaliteiten heb als leraar. Dat heeft mij enorm geholpen, want ook als het zwaar is, weet ik dat ik het wel kan. Een andere succesfactor is dat op mijn school de lijntjes kort zijn, bijna dagelijks heb ik contact met mijn teamleider, ik kan alles bespreken: werkpiek, problemen met een leerling. Ik kom uit het bedrijfsleven, maar het onderwijs geeft mij veel meer voldoening.”

{kadertje 5} Janneke van de Griendt Shanghai Dutch School “Docenten die geen plezier hebben, werken misschien op de verkeerde school. Sinds januari werk ik in Shanghai. Wat ik fijn vind aan het docentschap is de mate van vrijheid, de vrijheid om je lessen in te delen zoals jij dat wilt. En ik vind het heerlijk om de hele dag druk in de weer te zijn. De werkdruk is een nadeel, je werk is nooit af, altijd zijn er lessen die beter kunnen. Maar de werkdruk wordt óók opgeblazen. Schouders eronder en aan het werk.”

{kadertje 6} Jorine Lamsma Redacteur “Het onderwijs heeft me altijd getrokken en mijn omgeving bleef me aanraden voor de klas te gaan staan. Ik heb het na mijn veertigste eindelijk gewaagd. Het was nog veel gaver dan ik dacht: een fantastisch, veelzijdig en enerverend vak, maar ook zwaar en frustrerend. Na drie jaar werd ik er grimmig van. Ik ging minder werken om de balans goed te krijgen, maar toen was het al te laat. Misschien was het wel goed gegaan op een kleinere school met kleinere klassen.”

{kadertje 7, Maaike Lange Freelance journalist (auteur van dit artikel) “Mijn hele leven wilde ik al docent worden, maar ik schoof het steeds vooruit. Misschien heb ik te lang gewacht. De liefde en de lol voor de leerlingen waren er zeker, maar het geduld om te vergaderen of te overleggen heb ik blijkbaar niet genoeg, misschien had ik dat meer toen ik jonger was. Het vak is veel moeilijker dan ik dacht. Op een lesdag heb je soms honderdvijftig leerlingen, plus collega’s, ouders en managers. Dat vond ik veel.”


Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.