- blad nr 5
- 1-5-2018
- auteur Y. van de Meent
- Redactioneel
Hoger onderwijs hoeft niet in het Engels
Naïeve internationalisering
‘Het Nederlandse hoger onderwijs wordt een internationaal stiltegebied’, foeterde Bert Vroon, collegevoorzitter van de Christelijke Hogeschool Nederland in 2004 in Transfer, het blad van internationaliseringsorganisatie Nuffic. Steen des aanstoots was het plan van toenmalig staatssecretaris Mark Rutte (hoger onderwijs) om een streep te zetten door de bekostiging van studenten die afkomstig zijn uit landen buiten de Europese Unie. ‘Buitenlandse studenten moeten een meerwaarde hebben’, betoogde de huidige premier. ‘Nu worden ze vaak om budgettaire reden geworven. We willen van kwantiteit naar kwaliteit.’
Het was een reactie op de vliegtuigladingen Chinese studenten die rond de eeuwwisseling naar Nederland kwamen omdat studeren hier zo lekker goedkoop was. Terwijl ze in Australië, Engeland of de VS al snel twintigduizend euro per jaar kwijt waren, konden Aziatische studenten hier terecht voor het wettelijk collegegeld van nog geen vijftienhonderd euro. Bestuurders van universiteiten en hogescholen vonden Ruttes maatregelen ‘bekrompen en benepen’ en voorspelden dat buitenlandse studenten Nederland links zouden laten liggen als de bezuinigingen door zouden gaan.
Niets blijkt minder waar. Rutte voerde zijn plannen uit. Sinds 2006 tellen studenten van buiten Europa niet meer mee als bekostigde student en betalen zij minstens zevenduizend euro collegegeld. In de tien jaar daarna verdubbelde het aantal internationale studenten dat een volledige bachelor- of masteropleiding volgt, blijkt uit de mobiliteitsstatistieken die Nuffic begin maart online publiceerde. In 2017 kwamen er meer internationale studenten naar Nederland dan ooit 89.947.
Vooral bij de universiteiten groeit de internationale instroom sterk. Een op de vijf universitaire studenten komt uit het buitenland, bij de masteropleidingen gaat het zelfs om een kwart. Het hbo doet het wat rustiger aan, tussen 2010 en 2016 bleef het aantal internationale studenten er redelijk stabiel. Maar die rust lijkt voorbij. Dit studiejaar groeide de internationale instroom bij hogescholen met 8 procent. Een op de dertien hbo-bachelors komt uit het buitenland. Over het hele hoger onderwijs genomen is nu een van de acht studenten in Nederland een internationale student. Daarmee staat ons land, qua aandeel internationale studenten zesde in de top-10, na Nieuw-Zeeland, Engeland, Zwitserland, Oostenrijk en Australië.
Verengelsing
Het succes lijkt te danken aan de snelle verengelsing van het onderwijsaanbod. Nergens in Europa, behalve in Engeland, kunnen internationale studenten kiezen uit zoveel Engelstalige opleidingen. Bij de universiteiten wordt bijna driekwart van de masters en een kwart van de bachelors in het Engels aangeboden. Hoeveel Engelstalige programma’s hogescholen dit jaar in de aanbieding hebben is nog niet bekend. Vorig jaar ging het om 6 procent van het totaal.
Mede door die verengelsing ligt de internationalisering onder vuur. Onderzoek toont aan dat de kwaliteit van de interactie in de klas eronder lijdt als docenten en studenten in een taal communiceren die niet hun moedertaal is. Docenten geven minder inhoudelijke feedback en studenten stellen minder vragen, zo blijkt bijvoorbeeld uit een studie die Joyce den Heijer in 2015 uitvoerde bij de Haagse Hogeschool. Daardoor kan een college uitlopen op een monoloog van docenten. En de taalvaardigheid in het Nederlands, waarover de afgelopen jaren veel geklaagd is, wordt er ook niet beter op.
De groei van het aantal internationale studenten zorgt bovendien voor een verdunning van de budgetten. Het aantal studenten van buiten de EU dat het volle pond betaalt is de afgelopen tien jaar weliswaar verdubbeld, maar met 70 duizend studenten is de overgrote meerderheid nog altijd Europees. Zij betalen geheel volgens de EU-regels hetzelfde collegegeld als Nederlandse studenten en tellen mee als bekostigde student. Dat maakt de spoeling dunner. Het bedrag dat universiteiten per student krijgen is mede door de uitdijende populatie internationale studenten, gedaald van twintigduizend euro naar veertienduizend euro, stelt de actiegroep Beter Onderwijs Nederland (BON).
BON wil de opmars van Engelstalige onderwijs een halt toeroepen. In de wet staat niet voor niets dat Nederlands de voertaal is in het hoger onderwijs, tenzij er dringende noodzaak is om daarvan af te wijken. Het werven van buitenlandse studenten om de budgetten op peil te houden, hoort daar niet bij, vindt BON. Daarom sleept BON binnenkort een van de universiteiten voor de rechter.
Pleitbezorgers van internationalisering stellen dat Nederlandse studenten profiteren van het internationale klimaat dat ontstaat door de aanwezigheid van buitenlandse studenten. In een international classroom kunnen zij de interculturele competenties opdoen die iedere afgestudeerde tegenwoordig nodig heeft. Internationalisering levert zo een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het onderwijs.
Maar hoe internationaal zijn de klassen eigenlijk? Nuffic meldt dat de internationale populatie steeds diverser wordt. Dankzij de goede reputatie van het Nederlandse hoger onderwijs komt internationaal talent uit 162 verschillende landen hier studeren. Op dat beeld valt wel wat af te dingen.
Thuiskomers
Europese studenten komen steeds vaker uit landen met een guur economisch klimaat waar jongeren weinig ontwikkelingskansen hebben Italië, Griekenland, Bulgarije, Spanje en Roemenië. Jongeren uit die landen zouden vroeger waarschijnlijk de voorkeur hebben gegeven aan studeren in Engeland, maar dat land is door de collegegeldverhoging naar tienduizend euro onbetaalbaar geworden. Ook voor Britse studenten zelf overigens. Nederland is met zijn uitgebreide Engelstalige aanbod en collegegeld van tweeduizend euro een aantrekkelijk alternatief voor deze academische migranten en tuition fee refugees collegegeldvluchtelingen.
Door de groei van de instroom vanuit Zuid- en Midden-Europa zijn er verhoudingsgewijs minder Duitse studenten. Hun aandeel is afgenomen van 40 procent naar een kwart, terwijl het absolute aantal Duitse studenten maar licht is gedaald. Met 22 duizend zijn Duitsers nog steeds veruit de grootste groep internationale studenten in Nederland. Ze wijken uit naar Nederland (en Oostenrijk) omdat veel Duitse opleidingen een instroombeperking hebben en omdat ze in Nederland altijd terechtkunnen. Bij vrijwel alle universiteiten en hogescholen vormen Duitsers de grootste groep internationale studenten. Ze zijn vaak zelfs in de meerderheid bij instellingen in de grensstreek zoals de Radboud Universiteit, de Universiteit Twente, Fontys, Saxion Hogescholen en Van Hall/Larenstein. Geen wonder, want Fontys en Saxion, maar ook de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en de Hanzehogeschool bieden naast Engelstalige opleidingen Duitstalige opleidingen aan zoals Internationale Betriebswirtschaft en Logopädie.
Hoewel er onder de drieduizend internationale studenten van Saxion meer dan tachtig nationaliteiten te vinden zijn, is de populatie eenzijdig, door de aanwezigheid van vijftienhonderd Duitse studenten. Die komen echt niet allemaal af op de Duitstalige variant van social work, verzekert directeur international office Janco Bonnink. Ze volgen steeds vaker Engelstalige opleidingen en zijn ook in de Nederlandse klassen te vinden. Saxion is wel op zoek naar een betere mix. “We willen niet te afhankelijk zijn van de Duitse instroom. Daarom werven we in andere Europese landen zoals Roemenië en Bulgarije waar veel studenten op zoek zijn naar een studie in het buitenland.” Maar Saxion zal altijd veel Duitse studenten blijven trekken, denkt Bonnink. “Enschede ligt nu eenmaal op een steenworp afstand van de grens. Duitsland is een deel van ons voedingsgebied.”
“De diversiteit is in Nederland nog niet heel erg groot”, concludeert Jos Beelen, lector Global Learning bij de Haagse Hogeschool. “Er zijn misschien 162 nationaliteiten, maar de doorsnee internationale student is een Duitser die bij zijn moeder woont.” En die zit in een international classroom dus waarschijnlijk naast een ‘thuiskomende Nederlander’. Dat zijn studenten met een Nederlandse ouder die in het buitenland op de middelbare school hebben gezeten en daarom in de statistieken tot de internationale studenten wordt gerekend. Dit jaar staan er 13.500 van die thuiskomers ingeschreven, 15 procent van het totaal aantal internationale studenten. Als je die niet meetelt, daalt het aantal internationale studenten ineens naar 76.461.
Kortom, de werkelijkheid is wat minder groots en divers dan de statistieken op het eerste gezicht doen vermoeden. Wat de vraag oproept of het wel nodig is om het hoger onderwijs op grote schaal te verengelsen.
Misvatting
De Haagse Hogeschool wil in 2020 de meest internationale hogeschool zijn, maar dat betekent niet dat er meer Engelstalige opleidingen bij komen het zijn er nu elf of dat er meer internationale studenten geworven worden dan de huidige drieduizend. “Het is een wijdverbreide misvatting dat internationalisering gelijkstaat aan onderwijs in het Engels aanbieden”, stelt Jos Beelen. “Het is gebaseerd op een soort naïef geloof dat je met Engelstalig onderwijs betere studenten trekt en vanzelf beter onderwijs krijgt.” Maar internationalisering is een middel, geen einddoel, stelt de lector. “Je internationaliseert voor je eigen studenten. Het gaat om de leerdoelen die zij ermee bereiken.”
De Haagse Hogeschool wil studenten opleiden tot wereldburgers, want ze komen stuk voor stuk in een internationaal en multicultureel werkveld terecht. Of het nu voedseltechnologen zijn die bij Unilever gaan werken, bedrijfskundigen die in het Westland aan de slag gaan of pabo-afgestudeerden die voor een multiculturele klas terecht komen. “Afgestudeerden moeten beseffen dat hun focus op de wereld niet de enige is”, aldus de lector.
Studenten doen de gewenste internationale competenties niet automatisch op als ze met een Duitser en een Chinees in de klas zitten. Daar heb je docenten bij nodig die in staat zijn internationale studenten als kennisbron te gebruiken, die interactie tussen studenten uit verschillende culturen uitlokken en zich realiseren dat studenten niet alleen jouw vak aan het leren zijn, maar al lerend ook hun Engels moeten verbeteren, vertelt Marloes Ambagts. Zij is zelf docent bij de opleiding international business en traint Haagse docenten die voor internationale klassen staan. “Dat vraagt een heel andere didactische aanpak. Je kan niet zomaar je Nederlandse lessen in het Engels vertalen.”
Missing link
Een ander misverstand is dat de international classroom een alternatief is voor een studieverblijf in het buitenland, betoogt Beelen. “Van de Nederlandse studenten gaat 22 procent naar het buitenland, 78 procent blijft hier. De thuisblijvers kunnen natuurlijk lang niet allemaal deelnemen aan een international classroom.” Dat hoeft ook helemaal niet, vindt de lector. “In Nederlandse klassen zit al genoeg diversiteit om internationale en interculturele competenties op te doen.” Een op de drie Haagse studenten heeft een migratieachtergrond en 13 procent is volgens de statistieken westers allochtoon. En het onderwijs hoeft ook helemaal niet in het Engels. Natuurlijk moet elke afgestudeerde die taal leren, maar daar zijn meer manieren voor dan onderdompeling in een international classroom.
“Het echte vraagstuk is, hoe krijgen we de curricula internationaal?”, stelt Beelen. “Daarvoor hebben we docenten nodig die weten welke internationale vaardigen in hun werkveld vereist zijn en welke curricula daarbij horen.” Die vaardigheden zijn bij docenten in het hoger onderwijs maar mondjesmaat aanwezig. In de basiscursus didactiek die beginnende hbo-docenten volgen, ontbreekt de aandacht voor internationalisering geheel.
De commotie die is ontstaan over de groei van het Engelstalige onderwijsaanbod en de snelle toename van het aantal internationale studenten, komt daarom eigenlijk wel goed uit. “Dat BON nu een rechtszaak gaat aanspannen over het gebruik van het Engels in het hoger onderwijs, is geweldig”, vindt Ambagts. “Nu wordt er eindelijk eens gediscussieerd over wat internationalisering eigenlijk is en wat het moet opleveren.”
“We kunnen dat debat gebruiken om duidelijk te maken dat het bij internationalisering niet draait om mobiliteit en Engelstalig onderwijs”, hoopt Jos Beelen. “Het draait om leerprocessen. De docent is de sleutel. De discussie zou dus moeten gaan over hoe we de didactische vaardigheden van docenten verbeteren. Dat is de missing link.”