- blad nr 5
- 1-5-2018
- auteur D. van 't Erve
- Redactioneel
Onder één dak: al wat een kind nodig heeft
Een dreumes gaat helemaal op in de verzorging van haar babypop, terwijl een ander meisje haar hand hoog in de lucht steekt naar voorbijgangers. Als Huub de Haan, algemeen directeur van Kindcentrum Borgele in Deventer, terugzwaait, schatert ze het uit, waarna het vrolijke tafereel zich herhaalt. Dit meisje met het Downsyndroom zit op de reguliere kinderopvang Partou. Als ze vier wordt, is de stap naar school letterlijk gezien niet zo groot. Even de gang oversteken en ze is bij academische basisschool Borgloschool, iets verderop zit ook nog speciaal onderwijs De Linde (voor kinderen met een verstandelijke of een lichamelijke beperking) en orthopedagogisch dagcentrum ‘t Lantaarntje (voor kinderen tot 18 jaar met bijvoorbeeld een stevige verstandelijke beperking of ontwikkelingsachterstand). Vorig jaar was de opening van dit duurzame, met sedum bedekte ‘hoefijzer’: een markant gebouw dat nu al te klein wordt om het groeiende aantal kinderen onder te brengen. “Alles wat een kind nodig heeft, is hier aanwezig”, vertelt directeur De Haan. Hij noemt het een eer om de samenwerking tussen de vier partijen te mogen begeleiden. De combinatie van onderwijs, opvang en zorg is uniek in Nederland. “Over vijf jaar hoop ik dat we een expertisecentrum zijn voor de ontwikkeling van kinderen met een verstandelijke en lichamelijke beperking in een reguliere setting.”
Teleurstellend
‘Zeer teleurstellend’ is het voor hem dan ook dat het woord kindcentrum in het regeerakkoord niet voorkomt. Het betekent dat dit kabinet de ontwikkeling naar inclusieve voorzieningen niet snel eenvoudiger maakt. Onderwijs, kinderopvang en zorg hebben elk te maken met andere regels. Niet alleen voor huisvesting lopen de eisen uiteen, ook het toezicht en de financiering zijn anders. Zo valt het personeel van Kindcentrum Borgele onder drie verschillende cao’s en de Wet passend onderwijs geldt bijvoorbeeld alleen voor schoolgaande kinderen, wat het creëren van één zorgstructuur ingewikkeld maakt. Kindcentra2020, een initiatief van bestuurders uit opvang, onderwijs en gemeenten, pleit al heel lang voor één wettelijk kader. Het idee krijgt bijval uit het hele land. Ook de Onderwijsraad, de Sociaal Economische Raad en het Nederlands Jeugdinstituut zien het liefst een universeel stelsel om leerachterstanden geen kans te geven. Inmiddels is het al ruim een jaar geleden dat de Taskforce Samenwerking Onderwijs en Kinderopvang met concrete adviezen kwam voor verregaande samenwerking en het wegwerken van knelpunten. Ondanks de titel van dat rapport, Tijd om door te pakken, hebben de ministeries hierop nog niet gereageerd. Het blijft dus vooral pionieren.
Winst
Een blauwdruk bestaat niet, ieder kindcentrum zal zijn eigen wiel moeten uitvinden. Net als Mondomijn acht jaar geleden deed. Deze integrale voorziening in Helmond heeft geen klassen, maar vier domijnen. Zo horen alle leerlingen van 3 tot 6 jaar bij Domijn 2, waarvoor een aantal professionals uit onderwijs en opvang samen verantwoordelijk zijn. Ieder kind volgt een programma op maat, waarbij het grotendeels zelf beslist wanneer het wat wil leren. De leerlingen volgen de reguliere vakken in hun eigen tempo, en kunnen daarnaast kiezen voor activiteiten als drumles, voetbal of koken. “Op de werkvloer zelf is de samenwerking niet zo spannend, want we vinden elkaar op de inhoud”, vertelt directeur Joke Tillemans. “Natuurlijk lopen we tegen 101 dingen aan, maar het is mijn taak om die achter de schermen op te lossen. Dat is soms ingewikkeld, maar altijd de moeite waard. De grootste winst is dat we antwoorden bedenken die we in de oude structuur of setting nooit hadden kunnen bedenken, omdat we nu putten uit een groot team van leraren tot logopedisten en kunstenaars.”
Er blijkt volgens haar veel mogelijk, als je maar kunt uitleggen en aantonen dat iets een meerwaarde heeft voor kinderen. “Wat het complex maakt, is dat als we dit vijftig kilometer verderop willen doen, we opnieuw dezelfde gesprekken moeten voeren, met de gemeente, de inspectie en de GGD. Het zou daarom fijn zijn als de regering de wetgeving aanpast. Een belangrijk punt vind ik hierin het vergroten van de toegankelijkheid. Investeren in de ontwikkeling van jonge kinderen is ontzettend belangrijk. Dan is het toch gek dat kinderopvang nu een arbeidsmarktinstrument is, waardoor alleen werkende ouders ervan kunnen profiteren?”
Kruiwagen
Uit het rugzakje van een jongetje vlakbij de ingang van Kindcentrum Borgele klinkt een indringend alarm. “Even kijken wat er aan de hand is”, zegt Christiaan Meems, leraar speciaal onderwijs op De Linde. In een handomdraai heeft hij de sondevoeding weer aan de praat. “Kijk daar zijn de kinderen van de Borgloschool ook al.” Waar mogelijk spelen de kinderen van alle partijen samen buiten, zoals nu. Op het verkeersplein steekt een jongetje met kruiwagen vol zand de weg over. “Pas op, ik ga lekker door rood”, roept een jongen op een skelter lachend. “Kinderen spelen allemaal door elkaar, dat gaat hartstikke leuk”, vertelt Meems. “Je weet soms niet meer wie bij welke groep hoort. Het is geweldig dat we hier samen kunnen kijken hoe we elk kind verder kunnen helpen. Er is een jongen van ‘t Lantaarntje die nu af en toe meedraait in mijn klas. Er gaat veel tijd zitten in afspraken over begeleiding, zorg en financiën. Maar als je hem hier ziet stralen, dan is dat gewoon zo gaaf.”
“Hoi Diede”, roepen twee leerlingen van de Borgloschool naar een meisje dat van de glijbaan gaat. Ze kennen haar, omdat ze eerder bij hen in de klas zat. Diede heeft het syndroom van Down en is volgens directeur De Haan een mooi voorbeeld van de mogelijkheden die het kindcentrum te bieden heeft. Toen Diede niet meer mee kon komen met gymles, kon ze aansluiten bij de les van De Linde. Voor fysiotherapie kan ze terecht bij het Lantaarntje. “En toen het niveau te hoog werd en ze helemaal overstapte naar De Linde, zeiden haar klasgenoten: ‘Maar waarom dan, er is toch niets met haar aan de hand?’ Zo mooi! Dat verschillen wegvallen, is precies waar we naar streven.”
Alle feesten vieren ze samen, iedereen komt de musical bekijken en ze werken aan hetzelfde thema. “Het is een goede voorbereiding op de maatschappij waar ze elkaar ook tegen zullen komen”, vertelt meester Mark Hutten. “Maar eigenlijk vinden ze het al niet meer zo bijzonder. Als kinderen uit de buurt bij het hek staan te lachen, komen de leerlingen dat verontwaardigd melden.” Juf Kim Slettenhaar knikt bevestigend: “De kinderen groeien hier, maar wij ook. Er is zoveel expertise en de lijntjes zijn kort, waardoor we veel van elkaar leren. Daar wordt het onderwijs alleen maar beter van.”
Beren
“Hé Lieke, woon jij hier?” vraagt Kate (6) aan een meisje dat net uit bed wordt gehaald. Drie leerlingen van de Borgloschool volgen muziekles bij een groep kinderen van rond de dertien jaar met een ernstige ontwikkelingsstoornis op het Lantaarntje. Lieke kan niet praten of schrijven, maar door lang naar het plaatje van de beer te kijken, maakt ze duidelijk dat ze dat liedje wil horen. “Ze kan vertellen met haar ogen, knap hè?”, constateert Kate enthousiast. Als de pianojuf ‘Ik zag twee beren’ inzet, begint Lieke te lachen. Kate vindt het heel leuk dat ze erbij mag zijn. “Nee, ik vind het niet eng hoor. Lieke ken ik al, zij is een keer in onze klas geweest. Dat is zo leuk aan deze school, anders zie je altijd maar alleen dezelfde kinderen.”
De kinderen van de buitenschoolse opvang moeten even wachten tot het klaslokaal klaar is: de kasten moeten eruit, tafels aan de kant en de schoonmaak moet er even door. Het is onhandig, maar niet onoverkomelijk, meent directeur De Haan. Complex wordt het pas echt als je onderwijs wilt regelen voor kinderen van het orthopedagogisch dagcentrum die een onderwijsontheffing hebben. “Er is een meisje dat doof is, zorg nodig heeft, maar ook een onderwijsbehoefte heeft. Je mag kinderen niet inschrijven voor zowel zorg als onderwijs, maar moet je dan zeggen: laat maar zitten? Geef ons gewoon de ruimte om dit mogelijk te maken. Een kind heeft er gewoon recht op en we zien dat het werkt. Ze ontwikkelt zich in drie maanden sneller dan de afgelopen drie jaar. Kun je nagaan wat we haar al die jaren tekort hebben gedaan.”
{Let op hier begint een apart kader}
Geen basisvoorziening voor alle peuters
Het kabinet ziet geen meerwaarde in een basisvoorziening voor alle peuters. In een brief aan de Tweede Kamer schreef minister Arie Slob begin dit jaar: ‘Het ontbreekt aan eenduidig bewijs dat een basisvoorziening meerwaarde heeft voor de ontwikkeling van kinderen.’
Onderzoek heeft volgens Slob wel bewezen kinderen met een verhoogd risico op een onderwijsachterstand hebben baat hebben bij een substantieel aantal uren van goede kwaliteit. Dat
Daarmee blijft wel de tweedeling in stand: kinderopvangtoeslag voor kinderen van werkende ouders en achterstandsgelden voor peuters met een risico op onderwijsachterstand. Het maakt de weg naar een integrale voorziening in een kindcentrum er niet eenvoudiger op.
Het kabinet trekt alleen extra geld uit om het aanbod van vroeg- en voorschoolse educatie uit te breiden van 10 naar minimaal 16 uur per week. Steeds meer gemeenten, waaronder Den Haag en Groningen, willen desondanks een basisvoorziening voor alle peuters aanbieden.
Samen spelen en leren is goed voor hun ontwikkeling en helpt segregatie tegen te gaan, geven zij als reden. In Amsterdam konden daarom tot voor kort peuters gratis naar de peuterspeelzaal, iets wat ruim zesduizend kinderen deden. Sinds januari vallen de peuterspeelzalen onder de kinderopvang en is de bijdrage inkomensafhankelijk geworden. Ouders schrijven hun kinderen massaal uit, omdat ze de eigen bijdrage niet kunnen betalen, zo berichtte Het Parool in januari.