• blad nr 15
  • 1-11-2017
  • auteur M. van Nieuwstadt 
  • Redactioneel

 

Zes principes voor een effectieve les

De Grote Zes. Zo noemt het Amerikaanse Institute of Education Sciences een rijtje instructiemethoden waarvan als een paal boven water staat dat ze werken, bij elk vak en voor leerlingen van elke leeftijd. Opvallend: lang niet iedereen past deze principes toe. In geen enkel van de 288 tekstboeken die het Amerikaanse kwaliteitsinstituut voor leraren NCTC onderzocht, kwamen alle zes de strategieŽn aan bod. De meeste leerboeken besteden er helemaal geen aandacht aan. Het Onderwijsblad

zet de Grote Zes op een rij.

1. Koppel woord en beeld
Kennismaken met een nieuw onderwerp gaat het best met beeld en geluid samen. De leerkracht moet niet inspelen op vermeende leerstijlen door gebruik van het ťťn (plaatjes) of het ander (woord). Die aanpak is achterhaald.

EFFECTIEF: Bij de eerste uitleg over een ecosysteem (de Afrikaanse savanne) bespreekt de leerkracht een stroomdiagram dat laat zien hoe dieren van elkaar afhankelijk zijn (mieren en grassoorten).

BOOT GEMIST: Een leerkracht laat bij de introductie van het onderwerp fotoís zien van organismen die op de savanne leven, bespreekt hoe ze van elkaar afhankelijk zijn en laat kinderen daarna een diagram tekenen.

2. Verbindt abstract concept met concreet voorbeeld
Het verbinden van concrete voorbeelden aan abstracte concepten helpt studenten dat abstracte idee toe te passen in nieuwe situaties. In combinatie met concrete voorbeelden kunnen ook heel jonge kinderen al abstracte ideeŽn begrijpen.

EFECTIEF:
In een introductie over breuken die optellen tot meer dan 1 toont bespreekt leerkracht breuken als pizzapunten (concreet) en zet ze daarna op een breuken- of getallenlijn (abstract).

BOOT GEMIST:
Leerlingen oefenen met de getallenlijn (abstract), zonder dat de link met een concreet voorbeeld expliciet wordt gemaakt.

3. Doorvragen
Studenten versterken hun begrip van een concept als ze vragen moeten beantwoorden, zoals Waarom? Hoe? Of: Noem verschillen en overeenkomsten. Daarvoor is meer nodig dan feitenkennis. Studenten moeten causale verbanden onderzoeken en een standpunt onderbouwen.

EFFECTIEF:
Studenten lezen krantenartikelen uit de tijd van de grote economische depressie in Amerika in de jaren dertig en dagboekfragmenten van een meisje dat opgroeide in die tijd. Dan vraagt de docent: hoe heeft de Grote Depressie het leven op het platteland beÔnvloed?
BOOT GEMIST:
De leerkracht vraagt studenten hoe het meisje zich in de tijd van de Grote Depressie gevoeld kan hebben.

4. Wissel uitgewerkte voorbeelden af met open vragen
Leerkrachten doen de oplossing van een probleem vaak een paar keer voor en laten studenten daarna zelfstandig werken aan vergelijkbare problemen. Dat kan effectiever. Studenten die in een les programmeren om en om een voorbeeld krijgen en een probleem zelf oplossen, leren meer dan studenten die een blok voorbeelden zien en dan zelf aan de slag gaan.

EFFECTIEF:
Kinderen werken in een groepje aan acht problemen. Oneven genummerde opgaven zijn uitgewerkt. De even problemen moeten ze zelf oplossen.

BOOT GEMIST: Een leerkracht doet twee opgaven voor en laat elk samenwerkend groepje zelfstandig 6 opgaven oplossen.

5. Spreidt oefeningen
Iedereen onthoudt informatie beter als de uitleg en oefening in de tijd worden gespreid. Leraren moeten belangrijke stof minstens twee keer uitleggen en reviewsessies plannen na een aantal weken en maanden.

EFFECTIEF: Een geschiedenisleraar die aan het begin van het jaar de Eerste Wereldoorlog behandelt, vraagt leerlingen een maand later, als de Tweede Wereldoorlog aan bod komt, beide oorlogen te vergelijken.

DE BOOT GEMIST: Een geschiedenisleraar vraagt leerlingen aan het einde van de week met open boek vragen te beantwoorden over stof die diezelfde week is behandeld.

6. Tests versterken geheugen
Kennis raakt beter verankerd, elke keer dat iemand die opdiept uit het geheugen.

EFFECTIEF:
Een leerkracht test de rekenkennis van leerlingen wekelijks met een korte quiz en geeft ze feedback op de antwoorden.

BOOT GEMIST:
Een leraar geeft leerlingen aan het einde van de schooldag een kleine huiswerkvraag mee (exit ticket). Bij de beantwoording mogen ze hun aantekeningen raadplegen. De vragen worden nagekeken, maar niet nabesproken in de klas.






© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.