- blad nr 6
- 1-4-2017
- auteur D. van 't Erve
- Redactioneel
Wisselen van baan werkt verfrissend
Mobiliteit. Letterlijk betekent het beweeglijkheid. In het human resource management gaat het om de mate waarin mensen van functie, werkgever of beroep veranderen. En die is in het onderwijs laag. Het merendeel van de leraren werkt al jarenlang in dezelfde functie op dezelfde school. Het onderwijs heeft zelfs de laagste mobiliteit van alle sectoren in Nederland. Verreweg de meeste leerkrachten zijn tevreden tot heel tevreden met hun baan. De organisatie, de werkgever en de loopbaanmogelijkheden scoren echter beduidend lager. Toch vertrekken ze niet. Dat komt vooral doordat het onderwijs van oudsher een zeer beschermde werkomgeving is: baan- en werkzekerheid waren een gegeven en de loopbaan voorspelbaar. “Het is simpelweg nooit een gewoonte geweest om verder te kijken, zelfs niet binnen scholen van eenzelfde bestuur”, verklaart AOb-bestuurder Perry van Liempt. “Als leerkrachten het naar hun zin hebben, blijven ze. Daarnaast zijn scholen niet gewend hun personeel te vragen hoe ze hun loopbaan zien.”
Verfrissend
Mobiliteit is geen doel op zich, maar een van de instrumenten om duurzame inzetbaarheid te bevorderen. Want het draait tegenwoordig om employability: de moderne leerkracht moet zich permanent ontwikkelen om goed inzetbaar te blijven, binnen of buiten de eigen school. “Van plek wisselen kan best verfrissend werken”, zegt Van Liempt. “Maar dit vastleggen is een ander verhaal. Ik ken besturen waar directeuren om de vijf jaar van school veranderen. Maar wat nou wanneer je als kartrekker van een innovatie nog niet klaar bent? Als je deze stoelendans collectief gaat vastleggen is er eigenlijk sprake van verplichte mobiliteit en dat mag niet volgens de cao.”
Gedwongen mobiliteit is alleen mogelijk als er sprake is van een conflict of formatietekort. “Maar natuurlijk willen we dat liever voorkomen”, vertelt de AOb-bestuurder. “Dat kan als het bestuur een goed HRM-beleid heeft opgesteld en al veel eerder actief met hun personeel in gesprek gaat over hoe ze zich willen ontwikkelen: waar zie jij jezelf over vijf jaar en wat heb je daarvoor nodig?” Dat komt Van Liempt nog weinig tegen.
De mobiliteit zal de komende jaren naar verwachting toenemen. In veel regio’s daalt namelijk het aantal leerlingen, waardoor scholen moeten bezuinigen. Aan de andere kant is er sprake van een lerarentekort, dat alleen al in het primair onderwijs oploopt van ruim vierduizend fte in 2020 tot tienduizend in 2025. Mobiliteit wordt gezien als een van de oplossingen. Sommige besturen houden open dagen, waar leraren kunnen ‘speed daten’ met de directeur en collega’s van een andere school en als het klikt, kunnen ze er stagelopen. “Hartstikke goed”, noemt Van Liempt dit soort initiatieven. “Daarmee haal je bij mensen hun angst weg en kunnen ze onderzoeken of een overstap iets voor ze is.”
Kans
In steeds meer regio’s richten besturen bovendien samen een personeelscentrum in om boventallig personeel te behouden en starters een kans te geven. Die samenwerking lijkt vruchten af te werpen. Zo zijn met overheidssubsidie tien regionale transfercentra ontstaan die volgens het Arbeidsmarktplatform PO bijna zeshonderd fte voor de sector wisten te behouden. Dat het kan bewijst ook Personeelscluster Oost-Nederland (PON). Dit samenwerkingsverband van 35 schoolbesturen met 115 basisscholen werkt al sinds 1997 actief samen op het gebied van personeelsbeleid. “Ondanks een krimp van 15 procent wisten we gedwongen ontslagen te voorkomen”, vertelt PON-directeur Mini Schouten. “In de afgelopen vijf jaar hebben we zo’n 170 fte aan overformatie weggewerkt.”
Vrijwilligheid is de voorwaarde voor succes, meent Schouten. “Het is voor directeuren het makkelijkst om met de cao in de hand mensen aan te wijzen die moeten vertrekken. Maar dat is niet goed voor het personeel en daarmee ook niet voor het onderwijs.”
Het loopbaancentrum helpt medewerkers die open staan voor een andere baan. Een leerkracht kan bijvoorbeeld met behoud van zijn vaste aanstelling via de flexpool ervaring bij andere scholen opdoen. “Zo kunnen ze op een laagdrempelige manier een nieuwe stap zetten in hun carrière”, legt Schouten uit. “Een leraar die na tien jaar het onderwijs wou verlaten, heeft het hierdoor weer helemaal naar zin.”
Cultuuromslag
Personeel weet het loopbaancentrum zelf steeds beter te vinden. ‘De mobiliteit komt op gang, maar zou verder gestimuleerd kunnen worden’, is een van de bevindingen van PON over de afgelopen vijf jaar. Het vraagt een cultuuromslag, meent Schouten. “Veel leerkrachten hebben zich gewoon nooit afgevraagd of ze iets anders zouden willen en welke mogelijkheden er zijn.”
Mobiliteit kampt bovendien met een negatief imago, als iets dat alleen is voor mensen die niet functioneren. De vervangingspool wordt daarbij volgens Schouten als het afvalputje gezien. In het doorbreken van die cultuur spelen directeuren volgens haar een cruciale rol. “Zij moeten vaak ook een drempel over, omdat ze denken dat hun beste mensen gaan lopen als ze actief mobiliteit stimuleren. Maar ze vergeten dat ze er ook heel goede leerkrachten voor terug kunnen krijgen. Door de deur open te zetten, krijgen bovendien ook starters en zij-instromers meer kans. Zo ontstaat er een andere sfeer en cultuur.”
Blinde vlekken
Maar wat nou als je het al jaren gewoon naar je zin hebt op een school? “Het is goed om je ervan bewust te zijn dat je blinde vlekken ontwikkelt en vaak een bepaalde rol krijgt toebedeeld als je ergens lang werkt”, legt Schouten uit. “Ga eens op onderzoek uit, loop stage op een andere school en overleg met je directeur over de mogelijkheden. Als je je blijft ontwikkelen, dan komt dat jezelf, maar ook het onderwijs ten goede.”
Dat geldt voor jong en oud. “Er zijn kleuterjuffen die dreigden op te branden en nu dolgelukkig als onderwijsassistent aan de slag zijn”, vertelt Schouten. “Een ander mooi voorbeeld is een leraar die wel eens iets anders wilde na 35 jaar klassikaal lesgeven op dezelfde school. Hij kon aan de slag op een Daltonschool, waarvoor hij een tweejarige opleiding volgde. Hij is nu zestig jaar en wil nog lang niet stoppen.”
{Kaders}
‘Je blijft er scherp door’
Paul Berghuis (53), gaf in de afgelopen 28 jaar op vijf scholen les en werkte vijf jaar buiten het onderwijs. Nu werkt hij als docent burgerschap en studieloopbaanbegeleider bij MBO Amersfoort.
“Op mijn eerste school, vernieuwingsschool Echnaton in Almere, kon ik al mijn ideeën kwijt. Ik wist niet dat onderwijs zo leuk kon zijn. Na acht jaar maakte ik de overstap naar een scholengemeenschap in Amersfoort, waar ik inmiddels woonde. De traditionele schoolcultuur paste niet bij mij en ik wilde wel eens totaal wat anders. Ik kon aan de slag voor een uitvoeringsinstantie, compleet met leaseauto en goed salaris, maar dat werk was echt vreselijk saai. Als bemiddelaar in de kinderopvang had ik het vervolgens wel naar mijn zin. Toch miste ik de dynamiek van het onderwijs en ik had zin om juist met vmbo’ers te werken. Op het Wellantcollege in Utrecht mocht ik helpen het concept ‘natuurlijk leren’ in te voeren, dat was fantastisch om te doen. Vervolgens gaf ik les als docent burgerschap binnen vijf teams van ROC ASA, dat nu MBO Amersfoort heet en inmiddels werk ik er alweer acht jaar binnen de opleiding uiterlijke verzorging. Voor ongedurige types zoals ik die regelmatig behoefte hebben aan variatie, is een roc een prettige organisatie omdat er zoveel mogelijk is. Ik vind het goed om van omgeving te wisselen. Je blijft er scherp door, omdat je jezelf toch weer even moet bewijzen. Bovendien is het interessant, elke school is weer anders en je neemt dus veel kennis mee. Financieel gezien is het van baan wisselen niet zo handig, alleen al omdat je te maken krijgt met andere pensioenfondsen. Bovendien had ik de LC-schaal wellicht twaalf jaar geleden al gekregen als ik op één school was gebleven. Een ander nadeel is dat het steeds opnieuw beginnen best veel energie kost, maar uiteindelijk is dat de moeite meer dan waard.”
‘ Deze school heb ik helpen groeien’
Clarinus Nauta (64), geeft ruim veertig jaar les op CSG Reggesteyn in het Overijsselse Nijverdal. Het aardrijkskundig genootschap Knag riep hem uit tot aardrijkskundedocent van het jaar 2017.
“Je hoeft niet van school te wisselen om fris te blijven, daar kunnen scholing en uitdagingen als werkgroepen en de medezeggenschapsraad ook aan bijdragen. Reflecteren op je eigen handelen is essentieel. Deze school heb ik helpen groeien. Ik heb de leerlingen en het onderwijs zien veranderen en ik veranderde mee. Als je dat niet kunt, red je het gewoon niet voor de klas.
Dat mijn bestuur openstaat voor vernieuwingen en het inspelen op behoeften en mij hiervoor ook tijd en ruimte geeft, vind ik echt een compliment waard. Zo ga ik elk jaar met leerlingen op werkweek naar Sicilië en kunnen zij deelnemen aan de geologieclub die regelmatig op reis gaat. Waar mogelijk probeer ik lesmateriaal en kennis te delen, bijvoorbeeld over het digitaal toetsen of het gebruik van een ‘gesteentekoffer’. We hebben Knag Kring Oost opgericht om het uitwisselen van kennis en ervaring tussen scholen in deze regio mogelijk te maken. Ook hieraan verleent mijn bestuur medewerking.
Eén keer heb ik bij een andere school gesolliciteerd, in Leerdam. Maar ik kwam er al snel achter dat ik helemaal niet weg wilde: hier heb ik mijn kerk, volleybal, bestuurswerk en ik woon schitterend mooi. Ook op school is het perfect voor elkaar. Ik heb een prachtig lokaal met een enorme collectie gesteente, een verzameling kaarten, een digibord; ik zou niet weten wat ik nog meer zou willen. Dat ik uitgeroepen ben tot docent van het jaar, en daarmee door zoveel collega’s en leerlingen gewaardeerd wordt, doet me heel veel. Het leuke is dat ik vaak ook de ouders in de klas heb gehad. 'U bent wel liever geworden’, zei iemand laatst. Dat klopt wel, ik dacht vroeger dat ik heel streng moest zijn maar dat is echt niet nodig.”
‘Nieuwe stap heeft me veel opgeleverd’
Iloeska Kuster (52), leerkracht basisschool Laetare in het Gelderse Kilder. Na 23 jaar op dezelfde school voor speciaal basisonderwijs werkte ze een aantal jaar via de flexpool van Personeelscluster Oost-Nederland (PON).
“Ik was heel nieuwsgierig naar hoe het zou zijn op een basisschool, maar het is best spannend om die stap echt te zetten. Het loopbaancentrum is een uitkomst omdat je via de flexpool op verschillende scholen ervaring op kunt doen. Een gesprek met een coach helpt om erachter te komen wat je graag wilt. Zo gaat mijn voorkeur uit naar jonge kinderen en wil ik graag langdurig ingezet worden. Dat je eerst mag beoordelen of de aangeboden school wel bij je past voordat je ‘ja’ zegt, is belangrijk. Je moet er vol voor kunnen gaan.
Ik heb op vier verschillende scholen gewerkt, de langste periode was een jaar. Hartstikke leuk, al ben ik wel geschrokken van de werkdruk op een basisschool. Er wordt zoveel van leerkrachten verwacht qua administratie, zorgleerlingen en resultaten. Soms vraag ik me af waar de grens ligt. Desondanks heb ik het erg naar mijn zin. Op de school waar ik het langste heb ingevallen, werk ik nu in een reguliere baan: twee dagen bij de kleuters en een dag in groep 5. Deze school past bij me. Het is een kleine school, met een klein team van collega’s waarmee het klikt. Ik vind het leuk om te differentiëren, om uit te werken welke stappen kinderen kunnen zetten en ze vervolgens ook daadwerkelijk te zien vooruitgaan. Daar word ik blij van.
Tegen wie een nieuwe stap overweegt, zou ik zeggen: ‘Doen!’ Het heeft me veel opgeleverd. Ik vind het mooi dat loopbaancentra op deze manier expertise voor het onderwijs weten te behouden en mensen een nieuwe kans geven. Hoe fijn is het dat scholen je met open armen ontvangen? Daar groei je zelf ook van.”