• blad nr 6
  • 1-4-2017
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

 

Altijd te laat

Bij overschotten en tekorten aan leraren reageert de overheid altijd te laat. Ze verergert de problemen in plaats van ze op te lossen. Kan dat misschien een keer anders?

Een Randstadprobleem is het lerarentekort allang niet meer, zo blijkt uit de regionale kranten. Bij basisschool de Blauwe Morgenster in Midden Beemster bijvoorbeeld, worden al leerlingen naar huis gestuurd bij gebrek aan invallers. Het tekort nu aan invallers en straks aan vast personeel leidt tot paniek en noodmaatregelen.
Verrassend misschien, want door krimp sluiten nog ieder jaar tientallen basisscholen en ziet het voortgezet onderwijs dit jaar minder brugklassers. Maar ondanks minder kinderen zijn er de komende jaren toch te weinig leerkrachten, door de combinatie van een pensioengolf en te weinig afgestudeerden van de lerarenopleidingen.
Hadden we dat kunnen voorzien? Ja. Hadden we er iets aan kunnen doen? Ja. Waarom gebeurt dat dan niet? Omdat de overheid altijd te laat reageert. En meestal de problemen verergert in plaats van oplost.
Voor de vraag naar leraren is het aantal leerlingen bepalend. Hofleverancier van kinderen in de kleuterklassen is het aantal geboorten en dat schommelt. Meer of minder immigratie telt ook mee, maar is uiteindelijk een rimpeling ten opzichte van het geboortecijfer. Hoe lang jongeren onderwijs volgen is wel een belangrijke factor. Maar inmiddels gaat bijna 100 procent van alle achttienjarigen naar een of andere vorm van onderwijs. Kortom: we weten vrij precies hoeveel kinderen er over vier jaar naar school gaan.
Vervolgens komt bij de vraag naar leraren de overheid om de hoek kijken. Kleinere of grotere klassen, bezuinigingen of investeringen in onderwijs. Betere of slechtere seniorenregelingen, meer of minder inwerksteun voor starters. De overheid draait zelf stevig mee aan de knoppen als het om de vraag naar leraren gaat.
Bij het aanbod aan leraren speelt de aantrekkelijkheid van het beroep een rol. Potentieel genoeg blijkt uit onderzoek, want het is een leuk vak. Maar zetten jongeren die in het onderwijs willen werken die interesse daadwerkelijk om in een aanmelding bij de lerarenopleiding? Is het salaris concurrerend met andere hoger opgeleiden? Ligt de werkdruk niet te hoog? Als het gaat om de aantrekkelijkheid van het beroep is opnieuw de overheid als hoofdsponsor van de scholen uiteindelijk de regisseur.
Zo schaakt de overheid op twee borden tegelijk. Bij de vraag en bij het aanbod. En daar gaat het mis. De overheid draalt voortdurend, reageert te laat en met averechtse oplossingen. Steeds weer, eigenlijk al vanaf de Tweede Wereldoorlog.

{Beeld en tekst: tijdlijn met blokken}
Geboortegrafiek meenemen?


1935-1960 Arbeidsverbod vrouwen
De crisis van de jaren dertig betekent massawerkloosheid. In 1935 wordt in de wet op het lager onderwijs opgenomen: ‘een lerares die in het huwelijk treedt, wordt op die grond ontslagen’. Eervol, dat nog wel, en niet op haar feestelijke trouwdag, de kater van het ontslag komt één dagje later.
Na de Tweede Wereldoorlog barst de babyboom los. Een groot tekort aan onderwijzers en later leraren is het gevolg. Wanhopig pleit het onderwijs voor salarisverhoging, studiebeurzen, vrijstelling van dienstplicht voor leraren. Het helpt allemaal onvoldoende. Het verbod voor getrouwde vrouwen om voor de klas te staan wordt omzeild, tijdelijke banen mogen. Klassen worden volgepropt, er zijn demonstraties van de gezamenlijke onderwijsbonden. Veertig kinderen is normaal. Pas in 1958 verdwijnt het arbeidsverbod voor getrouwde vrouwen uit de onderwijswetten.
Te laat. Voor getrouwde vrouwen die in de jaren vijftig op zoek waren naar werk, had het bedrijfsleven inmiddels meer te bieden dan de overheidssector, constateert het SCP terugblikkend in de studie ‘Verdeelde Tijd’. Daar kregen ze wel een vaste aanstelling en een behoorlijk salaris. De overheid was te laat, veel te laat, en zette het onderwijs op achterstand.

1960-1980 Salarisimpuls
De jaren zestig starten met een loonexplosie in het bedrijfsleven, wat werknemers bij het onderwijs echt op achterstand zet ten opzichte van andere hogeropgeleiden. Vanwege het aanhoudende tekort aan leraren nu vooral in het voortgezet en hoger onderwijs komen er in 1964 de Toxopeusrondes, genoemd naar VVD-minister Edzo Toxopeus. Die salarisverhogingen komen er overigens niet vanzelf, maar zijn het resultaat van acties van de gezamenlijke onderwijsbonden.
Een aanlokkelijk salaris vergroot de populariteit van het beroep van leraar enorm. Er is bovendien een blijvend aanbod van banen door de gestage aanwas van de bevolking. Interessante carrièremogelijkheden door de groei van mbo, hbo en universiteit. Met aktes en vervolgopleidingen is het leraarsberoep een aantrekkelijke en gewilde baan, waar je kan opstromen van onderwijzer tot hoogleraar.
De kiem van dat alles werd gelegd door een concurrerend salaris, zeker voor academisch opgeleide leraren. Dat aantrekkelijke salaris kwam laat, maar deed wel zijn werk.

1980–1990 De winter van Deetman
De babyboom is voorbij, dat betekent minder leerlingen, ook al leren ze nog steeds langer door. De overheid snijdt vanwege de economische crisis in onderwijs, ook wel de 'De winter van Deetman' genoemd. Er is minder les aan jonge kinderen. In het voortgezet onderwijs tellen gezakte leerlingen nog maar voor 10 procent mee. Dat kost allemaal banen. Hierdoor loopt de werkloosheid onder docenten verder op. Omdat de wachtgelden van werkloze leraren dan nog voor rekening van de staatskas zijn, schiet het kabinet er niet of nauwelijks iets mee op. Eigenlijk is het snijden in het onderwijsaanbod een zinloze maatregel en verergert het de problemen.
Daar bovenop komt een forse salariskorting. Leraren verdienen genoeg, vindt premier Van Agt. En met hem eigenlijk alle partijen van links tot rechts. Na een reeks van acties en nieuwe kortingsvoorstellen komt er de Herziening Onderwijs Salarisstructuur. Deze verlaagt structureel de lerarensalarissen. En zo de aantrekkelijkheid van het beroep. Koos in de jaren zeventig nog rond de 30 procent van alle jongeren in het hoger onderwijs voor een lerarenopleiding, dat duikelt naar 11 procent in 1989.

1990–2000 Vraagexplosie
In de jaren negentig ontstaat een kentering. Onderwijsbonden willen de ‘verloren generatie’ van jonge leraren aan het werk helpen. Acties, stakingen en lobby leveren werkdrukvermindering voor ouderen op, die hand in hand gaat met herbezetting door jongeren, waardoor duizenden banen ontstaan.
Het Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt ziet vanaf 1993 goede kansen op een baan voor jongeren die starten met een lerarenopleiding. Onderzoeker Andries de Grip licht op het ministerie de oorzaken van de omslag toe. Weinig studenten, veel vertrekkende docenten, een groeiend aantal kinderen door een kleine babyboom. Het werd niet geloofd.
Vervolgens pleit PvdA-fractievoorzitter Jacques Wallage in 1997 met een motie voor ‘aanzienlijke verkleining van de klassen in de onderbouw’ om de kwaliteit van het basisonderwijs te vergroten. Deze wordt met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen. Het arbeidsmarkteffect is enorm: in het basisonderwijs zijn zeker twaalfduizend extra leraren nodig.
Door de mix van arbeidstijdverkorting, meer kinderen en klassenverkleining, stevent het onderwijs af op een tekort. Een voorspelbaar tekort. Desondanks noemt PvdA-staatssecretaris Tineke Netelenbos de eerste signalen invalproblemen in de grote steden een regionaal probleem. Al snel worden klassen naar huis gestuurd of samengevoegd.

2000–2016 Plussen en minnen in salaris
Economische pieken en dalen in combinatie met politieke wispelturigheid kenmerken de start van deze eeuw. Crisis en hoogconjunctuur. In zestien jaar zijn er zeven kabinetten.
Minister Hermans investeert in versterking van het leraarsberoep. De Algemene Onderwijsbond noemt het akkoord van 2,4 miljard gulden van 2001 ‘een zevenklapper voor scholen en salarissen’. Een plus. De inkt van het akkoord is nauwelijks droog of er volgt een recessie. Een nieuw kabinet, Balkenende I, maakt vanaf 2002 meteen pas op de plaats en kort met een nullijn op de salarissen.
De economie groeit vanaf 2006 weer, direct zijn er tekorten aan leraren. Het kabinet Balkenende, inmiddels het vierde, zet de Commissie Leerkracht aan het werk. Voorzitter Alexander Rinnooy Kan waarschuwt voor een dramatisch tekort. De beloning is te laag, het opleidingsniveau moet omhoog.
Interessant is dat Rinnooy Kan constateert dat alle eerdere maatregelen om het tekort te beteugelen niet hebben gewerkt. ‘Toegezegde verbetering van de beloningspositie is wel in gang gezet, maar kreeg geen vervolg.’ Oftewel: de overheid reageert te laat en verkeerd. Minister Plassterk komt in 2008 met een miljard euro voor de salarissen. Het feest duurt niet lang. Er volgt een langdurige recessie.
Het demissionaire kabinet Balkenende IV grijpt eind 2010 naar een vertrouwd instrument: de nullijn. Welke coalitie vervolgens ook aantreedt, de nullijn wordt jarenlang gesteund door links en rechts en verdwijnt pas in 2015. Een bezuiniging van 1,5 miljard op de salarissen. Niet zo gek dat de Onderwijsraad schrijft: ‘In Nederland is de hoogte van het salaris een rem om te kiezen voor het onderwijs.’

2000–2016 Gerommel met vraag en aanbod
De minibabyboom die in 2000 zijn hoogtepunt kende, passeert de kleuterklassen. Vanaf 2004 worden de groepen kleiner, eerst in de grensstreken. Die daling heeft nu inmiddels de brugklas bereikt.
Toch kunnen jongeren die het onderwijs in willen optimistisch zijn. Veel leraren staan immers op de drempel van het pensioen. Nadeel is wel dat langer doorwerken binnen en buiten het onderwijs een belangrijk politiek thema wordt. Seniorenregelingen worden versoberd. De aow-leeftijd wordt verschoven, voorlopig naar 67 jaar. De pensioengolf wordt uitgesteld, banen voor jongeren zijn er voorlopig niet.
De werkloosheid onder leraren loopt op, scholen hebben extra kosten aan ww-uitkeringen en moeten daardoor nog meer personeel ontslaan. Scholen besluiten klassen voller te proppen. Het was te veel tegelijk, de effecten van langer doorwerken op vraag en aanbod worden door de verschillende kabinetten grof onderschat.
Bovendien werd er gesneden in de onderwijsuitgaven. Het kabinet Rutte I (CDA, VVD met gedoogsteun van de PVV) zet het mes in het achterstandenbeleid, dat kost zeker vijftienhonderd banen. Daarnaast zet het kabinet een bezuiniging op het speciaal onderwijs op het programma, waardoor ontslag dreigt voor negenduizend mensen. Na massale acties en de val van het kabinet, verdwijnt die bezuiniging.
Het kwaad is al geschied. Door zo hard te willen ingrijpen in het onderwijsbestel maakt het kabinet werken in het onderwijs onaantrekkelijk: je bent je baan er niet zeker. Misschien verklaart dat waarom onderwijsopleidingen niet meeprofiteren van de groei van het totale aantal eerstejaars.

2017 Wat doet de formateur?
De aantrekkelijkheid van werken in het onderwijs is er door bezuinigingen op banen en salarissen de afgelopen jaren niet beter op geworden. Onderzoeksbureau Centerdata voorspelt tekorten in het basisonderwijs en een toenemend aantal vakken in het voortgezet onderwijs. De prognoses van Centerdata worden met iedere update alarmerender. Geen 65 honderd tekort in het basisonderwijs in 2025, maar achtduizend. Geen achtduizend, maar inmiddels tienduizend. Het onderwijs staat er slechter voor dan bij het verschijnen van het rapport LeerKracht! Toen maakte Rinnooy Kan zich druk over tekorten van 45 honderd leraren basisonderwijs.
In de brief van Dekker aan de Tweede Kamer worden weer noodmaatregelen gesuggereerd om meer mensen te interesseren voor het onderwijs. Heel even heeft Dekker het over het salaris. ‘Beloning en perspectief voor professionele ontwikkeling zijn medebepalend voor de status en het imago van het beroep. Voor met name jonge leraren speelt de beloning een rol in de keuze om wel of niet in het onderwijs te blijven werken.’
Die constatering is juist, maar de oplossing ontbreekt. Blijvende aandacht, belooft Dekker, maar zonder de portemonnee te trekken. Te weinig. Te laat. Alweer. Het tekort is groter en structureler dan in 2008. In het basisonderwijs zeker, daar worden leerlingen bij gebrek aan invallers al naar huis gestuurd, zoals bij de Blauwe Morgenster. In het voortgezet onderwijs wordt het in vollere klassen en met onbevoegden weggemoffeld. Zou de formatie een kabinet opleveren met een nieuwe Toxopeus, die na druk van het onderwijsveld serieus werk maakt van een aantrekkelijk beroep?

Dit is een beknopte versie van een uitvoerig overzicht van tekorten en overschotten aan leraren sinds de Tweede Wereldoorlog. Die uitgebreide versie is terug te vinden op AOb.nl/altijdtelaat.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.