- blad nr 5
- 18-3-2017
- auteur M. van Nieuwstadt
- Commentaar
Beloon de hoofdzaak
Toch spraken het kabinet, werkgevers en de vakbonden in 2008 af dat 40 procent van de juffen en meesters vanaf 2014 in deze schaal LB had moeten zitten. Op de school in Eindhoven ligt dit percentage op 10. Landelijk is het 26.
Dat schiet niet op. Bovendien stellen schooldirecties aan promotie eisen zoals het uitvoeren van managementtaken of het coachen van collega’s. Een spectaculair promotieproject voor de school vergroot blijkbaar ook de kans op een hoger salaris.
Het beoordelen, laat staan belonen van leraren op lesprestaties is een hachelijke zaak. Maar het belonen van bijzaken strookt niet met het idee dat meer waardering voor het beroep nodig is om talent voor het vak te interesseren en te behouden.
Volgens het rapport Education at a Glance (2016) verdienen basisschoolleraren in Nederland gemiddeld 68 procent van het salaris van andere professionals met een vergelijkbaar opleidingsniveau. In het middelbaar onderwijs ligt dat percentage op 85. In geen enkel ander Oeso-land is het salarisverschil tussen lager onderwijs en de onderbouw van het middelbaar onderwijs groter dan hier.
Een logische verklaring is er niet. De levensfase van vier tot twaalf is voor de ontwikkeling van kinderen toch minstens even belangrijk als de latere tienerjaren. De opleidingseisen voor beide sectoren zijn vergelijkbaar. Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker wil zelfs dat een derde van de leraren in het basisonderwijs binnen drie jaar beschikt over een mastertitel. Mooi die upgrade, maar zonder bijpassend salaris maakt die het vak niet aantrekkelijker.
De oplossing? Breng de waardering van leerkrachten in beide sectoren dichter bij elkaar. Afschaffing van de laagste salarisschaal in het basisonderwijs is dan een mooi begin.
Michiel van Nieuwstadt, eindredacteur