• blad nr 20
  • 17-12-2016
  • auteur . Overige 
  • Opinie

 

Hoofdrol leraar in Onderwijs2032 vergt nieuw systeem

Voor de discussie over Onderwijs2032 bestaat onder leraren nauwelijks animo, constateert Klaas van Veen. Willen we hen een hoofdrol geven in de ontwikkeling van het nieuwe curriculum, dan moet het onderwijssysteem op de schop.

De Onderwijscoöperatie, lees de onderwijsvakbonden, hebben zich, samen met een regiegroep, uitgesproken over het adviesrapport Onderwijs2032. Het advies: stop met de ingeslagen weg en laat het denken over het curriculum voor 2032 over aan leraren en niet aan een commissie. Dat laatste zou door leraren te veel als van bovenaf opgelegd worden ervaren.
Dit advies en de bijbehorende brief aan de staatssecretaris het lezen waard zijn het resultaat van een dialoog die de Onderwijscoöperatie organiseerde op verzoek van de Tweede Kamer omdat leraren te weinig betrokken zouden zijn bij de ontwikkeling van het curriculum. De dialoog heeft nog niet opgeleverd wat de Tweede Kamer had gevraagd: leraren meer bij de discussie betrekken. Wel geeft het inzicht in hoe een aantal leraren denkt over Onderwijs2032 en de discussie eromheen. Nou ja, denken over is te zwaar uitgedrukt. Het blijkt dat de groep waarmee de Onderwijscoöperatie heeft gepraat nogal verschillend denkt over onderwijsinhoud: ‘Ze wijzen Onderwijs2032 niet af, maar omarmen het advies ook niet.’ Daarbij de opmerking: ‘voor welk probleem is dit eigenlijk een oplossing?’ De discussie rondom Onderwijs2032 leeft voor veel leraren nog niet, laat staan dat de noodzaak duidelijk is.

Animo
Van de gehele beroepsgroep, zo’n 300 duizend leraren, hebben er 1300 gereageerd op de oproep van de Onderwijscoöperatie. Dat is zo’n 0,4 procent; niet zo veel. Het gebrek aan animo is verklaarbaar. Bij landelijke discussies zijn vaak nauwelijks leraren betrokken en het zijn vaak schoolbestuurders en rectoren die samen met politici en ambtenaren naar het buitenland gaan om veelbelovende ontwikkelingen te bekijken terwijl de meeste leraren dag in dag uit lesgeven. Dat laatste vinden de meeste leraren geen probleem. Het geeft hen veel plezier om te werken met kinderen en ze zouden vaak ook niet willen ruilen. Waar veel leraren wel last van hebben is dat zo veel anderen, die niet lesgeven, wel een mening hebben over hun werk en dat vaak die mening doorklinkt in de media en de politiek, waarbij die vele anderen nauwelijks lijken te worden gehinderd door een gebrek aan kennis over hoe er dagelijks in scholen op hoog niveau wordt lesgegeven, geleerd en geleefd.
Zelfs in de Tweede Kamer hoor je soms iemand vertellen over een leraar of een onderwijspraktijk die wel heel traditioneel of slecht was en dat het nu op basis van dat verhaal echt anders moet. Zoals een kleuterjuf het laatst verwoordde: “ik ga elke dag met plezier naar mijn werk, ik geniet enorm van het werken met de kinderen, maar als ik in de krant lees of op tv zie hoe er over ons wordt gepraat door anderen, krijg ik letterlijk buikpijn.”

Pisa
Dus ja, leraren meer bij de discussie betrekken is een goed idee, maar het is de vraag of ze echt mee willen doen. Deze weken is er weer volop discussie over de nieuwste Pisa-resultaten. Nederland komt er goed uit, hoort tot de beste onderwijssystemen van de wereld, maar toch is er een lichte, erg lichte daling. Die moeten we serieus nemen omdat we al eerder zo’n hele lichte daling zagen.
Toch weet iedereen die Pisa kent hoe problematisch dit soort onderzoek is. Niet alleen methodologisch leerlingen uit verschillende landen vergelijken is erg ingewikkeld maar ook inhoudelijk. Hoe leerlingen presteren in school is teruggebracht tot een paar onderdelen (lezen, wiskunde en natuurwetenschappen) alsof de cijfers hierop het enige doel zijn van ons onderwijs.
In het kader van Onderwijs2032, waar veel aandacht is voor soft skills zoals kritisch denken, probleemoplossend vermogen en samenwerken, is dit opvallend. Los daarvan lijkt de culturele achtergrond bij de scores een grote rol te spelen. We moeten dus voorzichtig zijn met conclusies uit het Pisa-onderzoek, maar dit besef lijkt volslagen afwezig in de discussie in de media en de politiek. Het is niet zo raar dat de meeste leraren zich hierin niet herkennen, vooral omdat we het in het Nederlandse onderwijs goed doen.

Hoofdrol
Toch is het zinnig leraren de hoofdrol te geven in de ontwikkeling van het curriculum. In het advies geven de Onderwijscoöperatie en de Regiegroep Onderwijs2032 terecht aan dat leraren ‘tijd, ruimte, verantwoordelijkheid en vertrouwen [moeten] krijgen om hieraan te werken’. Het probleem is dat die tijd en ruimte binnen de huidige organisatie van het onderwijs nauwelijks te vinden is. De afgelopen jaren werden we allemaal geďnspireerd door Finland, het land dat jarenlang de Pisa-top 10 aanvoerde maar nu ook een lichte daling laat zien en is ingehaald door Singapore als nummer 1. Dat laatste zal trouwens vast niet komen doordat Finland recent weer aan het grootschalig innoveren is geslagen en af wil stappen van de afzonderlijke vakken. Hoe dan ook, in Finland hebben de leerlingen les tot ongeveer 1 uur. Vervolgens hebben de leraren de middag de tijd, de ruimte, de verantwoordelijkheid en vertrouwen om te werken aan het curriculum. Om zoiets in Nederland te realiseren, moet het onderwijs grondig anders worden georganiseerd.
Dat zal neerkomen op een structuurwijziging, een gevoelig onderwerp.
Op zich kan het geen kwaad om eens grondig over de huidige organisatie na te denken want de 2032-onderwijsdoelen vragen om andere vormen van toetsing, andere inhouden en een andere inrichting van onderwijs, waarbij scholen zelf nog meer ruimte zouden moeten krijgen. Het kan het einde betekenen van een uniform nationaal eindexamen, van de huidige indeling in vmbo, havo en vwo en van de eindtermen die we nu hanteren.
Oké, misschien moeten we daarmee nog even wachten, maar willen we leraren werkelijk een hoofdrol geven, dan moeten we die rol structureel organiseren. Zo niet, dan zal het aantal leraren dat mee wil praten niet veel hoger liggen dan de 0,4 procent die nu meedoet. Reken maar uit hoeveel leraren dat zijn op een willekeurige school.

Klaas van Veen is hoogleraar Onderwijskunde en directeur van de universitaire lerarenopleiding in Groningen.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.