• blad nr 20
  • 17-12-2016
  • auteur D. van 't Erve 
  • Redactioneel

 

Opstap naar mbo voorkomt uitval

Het aantal vmbo-scholen met een entreetraject voor het mbo daalt, hoewel leerlingen er baat bij hebben. Op de Thorbecke scholengemeenschap in Zwolle bijvoorbeeld. Roc Scalda wil het traject in heel Zeeland uitrollen.

“Daar is nog wel plek”, zegt Julian van Heijningen (16) tegen twee klasgenoten, terwijl hij onverstoorbaar in zijn steelpannetje blijft roeren. Gebonden groentesoep staat er op het menu in deze praktijkles op het vmbo, en dat begint bij het maken van de roux: een mengsel van gesmolten boter met bloem. “Leuk om te doen en niet moeilijk hoor. Soep maak ik wel vaker”, vertelt hij.
Julian volgt een entreetraject op scholengemeenschap Thorbecke in Zwolle. Dit is een mbo niveau 1-opleiding die de school in samenwerking met Roc Deltion College aanbiedt. De opleiding staat open voor leerlingen praktijkonderwijs, zoals Julian, die een mbo-opleiding willen en kunnen volgen en voor leerlingen uit het vmbo die net geen basisdiploma kunnen halen. Thorbecke heeft twee entreeklassen met in totaal 23 leerlingen. Zij volgen samen theorie, lopen twee dagen stage en krijgen twee dagdelen praktijkles in de richting naar keuze. Julian doet horeca en volgt de praktijklessen in de reguliere vmbo-klas. “Het gaat supergoed”, vertelt hij. “Omdat ik moeite heb met rekenen en lezen, heb ik veel meer hulp nodig. Ik ben blij dat ik de entree kan doen, want nu lukt het wel. Dat komt omdat de klas klein is en ik altijd bij de leraren terecht kan. Hierna ga ik naar het mbo. Ik hou van zingen en dansen en wil heel graag naar een theateropleiding.”

Maatwerk
Het aantal vmbo-scholen dat zo’n eenjarig mbo-traject zelf aanbiedt, is flink gedaald sinds de introductie van de entreeopleiding in 2014. De nieuwe opleiding vervangt de assistenten- en de AKA-opleidingen op niveau 1 en moet de kwaliteit verhogen en de hoge uitval tegengaan. De mbo-opleiding is nu uitsluitend bedoeld voor jongeren vanaf zestien jaar zonder diploma, maar vmbo-scholen mogen ‘m in samenwerking met een roc aanbieden. Uit het onderzoeksrapport van ResearchNed uit juni 2016 blijkt dat het aantal leerlingen is gedaald van 800 in schooljaar 2009/2010 naar 461 in 2014/2015. Vorig jaar boden 22 vmbo-vestigingen het mbo-traject aan, tien minder dan in 2014. De redenen die scholen hiervoor noemen, lopen uiteen van onbekendheid en organiseerbaarheid tot bekostiging. De hoofdconclusie van het onderzoek is dat er geen aanwijzingen zijn dat de daling veroorzaakt wordt door een teruglopende behoefte aan deze trajecten: deelnemers zijn er juist bij gebaat. ‘Voor vmbo-basisleerlingen in een kwetsbare positie kan dit type maatwerk het verschil maken tussen wel een startkwalificatie behalen of zonder diploma het onderwijs verlaten.’

Fuikwerking
De verwachting dat meer leerlingen daarom nu een leerwerktraject (lwt) volgen, klopt niet, want ook die deelname is volgens de onderzoekers gedaald. Leerlingen doen in dit maatwerktraject alleen examen in Nederlands en een beroepsgericht vak, waarmee ze een vmbo-basisdiploma met lwt-aantekening behalen. Daar kleeft een risico aan, weet Els Bus, projectleider Pre-mbo bij Scalda, een roc met meerdere locaties in Zeeland. “Er is sprake van een fuikwerking: eenmaal een praktijkrichting gekozen, moeten leerlingen deze op het mbo niveau 2 vervolgen. De leerling die dus op zijn dertiende voor techniek kiest en tijdens een bijbaantje erachter komt dat hij horeca veel leuker vindt, mag in principe in de overgang naar het mbo niet switchen. Dat werkt niet motiverend.”
Voor veel leerlingen is de overgang naar het mbo volgens Bus bovendien vaak te groot. “Op het vmbo worden leerlingen intensief begeleid in een vertrouwde omgeving, terwijl we op het mbo verwachten dat leerlingen zelfstandiger zijn, dat ze kunnen plannen en zich kunnen gedragen als een beroepsbeoefenaar.”

Meer kansen
Om uitval tegen te gaan en leerlingen meer kansen te bieden, kunnen vmbo-scholen in Zeeland nu samen met Roc Scalda de entreeopleiding aanbieden, onder de naam Pre-mbo. Leerlingen die naar verwachting het diploma niet halen, kunnen hieraan in het derde leerjaar beginnen. Ze volgen de lessen op hun eigen school en draaien in het laatste jaar gedeeltelijk mee op het mbo. Ze maken kennis met verschillende beroepen in de Zeeuwse regio en kunnen na afloop doorstromen naar een opleiding naar keuze op het mbo.
Duidelijke afspraken over doorstroming en bekostiging zijn belangrijke succesfactoren, zo blijkt uit het onderzoek. Scalda en de vo-scholen hebben een handboek samengesteld over hoe ze de samenwerking vormgeven: de bekostiging van de praktijklessen en examinering op het mbo, de scholing van vo-docenten tot assessoren en het monitoren van het traject. Bus: “Het handboek gaat bovendien niet alleen over de aansluiting van vakken, maar ook over één lijn in de pedagogische en didactische aanpak: wat heeft een leerling nodig en op welke manier kunnen we hem of haar begeleiden.”
Leerlingen die het niet lukt de opleiding af te ronden, worden begeleid in het vinden van werk. Dat geldt ook voor leerlingen die na de entreeopleiding willen gaan werken. “We hebben vastgelegd dat dit de verantwoordelijkheid is van het roc”, vertelt Bus. “We werken hierin samen met het praktijkonderwijs dat veel ervaring heeft in het begeleiden naar werk. Op deze manier vallen er geen leerlingen tussen de wal en het schip.”
Sinds dit schooljaar volgen dertig leerlingen op de Christelijke Scholengemeenschap Walcheren het pre-mbo-traject. Scalda is bezig het traject ook op middelbare scholen in de andere Zeeuwse regio’s op te zetten. Bus: “Het is mooi dat bij de rectoren het belang van de leerling voorop staat. Dat door dit traject de kwaliteitskaart negatief beïnvloedt wordt omdat de leerling geen vo-diploma behaalt, speelt geen rol. Overigens vragen we hier wel aandacht voor.” Op de kwaliteitskaart houden scholen bij welk percentage leerlingen vanaf het derde leerjaar het diploma behaalt, zonder zittenblijven.

Logisch
“Hoe de inspectie kijkt naar een voortijdige uitstroom als gevolg van dit soort maatwerk, moet zich nog uitwijzen”, zegt Mathieu van Tienhoven, locatiedirecteur vmbo-pro van Thorbecke in Zwolle. “Maar het is niet meer dan logisch dat we samen kijken naar hoe we een leerling verder kunnen helpen. Een enkele keer kan een zestienjarige direct naar de entreeopleiding op het mbo. Voor anderen is die overstap te groot en bieden we dat traject aan binnen de veilige setting op onze school.”
Thorbecke bood voor 2014 ook de niveau 1-opleiding op het vmbo aan, waarbij leerlingen twee dagen les kregen op het roc. Nu bieden ze de opleiding in samenspraak met Deltion geheel aan op de eigen school. Thorbecke betaalt een bijdrage per leerling en de kosten voor het examen dat Deltion afneemt en is tevreden over de samenwerking. “We hebben prachtige praktijklokalen die niet onderdoen voor het roc”, verklaart Theo Jansen, schoolleider bovenbouw van het praktijkonderwijs waar de entreeopleiding is ondergebracht. “In het praktijkonderwijs zijn we gewend leerlingen op werk voor te bereiden. Beroepsvaardigheden als zelfstandig werken maken zij zich vooral ook eigen in de vele uren stage, die ook onderdeel uitmaken van de entreeopleiding. Dit is een groot voordeel ten opzichte van het vmbo waar leerlingen maar maximaal vier weken per jaar stage lopen.”
“Door de stage is het de investering dubbel en dwars waard”, vult Nadine Keurhorst, mentor van de entreeopleiding, aan. “Veel leerlingen hebben een verkeerd beeld van werken. Door zoveel te snuffelen aan de praktijk weten ze wat er van ze verwacht wordt en welk werk er bij ze past of juist niet.”

Sprankelen
Van de eerste lichting van 22 leerlingen vorig jaar, sloten er twintig het entreetraject binnen een jaar af met een mbo-diploma niveau 1. Daarvan gingen drie leerlingen aan het werk en de rest stroomde door naar het mbo. “Ik ben heel tevreden met het resultaat”, vertelt Keurhorst. “De leerlingen op het mbo vinden niveau 2 goed te doen en hebben het naar hun zin. Het is geweldig om leerlingen die vorig jaar nog bang waren niet goed genoeg te zijn, nu te zien sprankelen.”
Een grote zorg noemt schoolleider Jansen de eisen voor taal en rekenen. Nu tellen de cijfers niet mee voor diplomering of doorstroming naar het mbo. “En ik hoop dat dat zo blijft”, verzucht hij. “Voor veel leerlingen is het ongelooflijk lastig om het referentieniveau 2F te halen, terwijl zij ontzettend goed zijn in de praktijk. Zij zijn de beroepskrachten waar in de samenleving behoefte aan is, het zou zonde zijn als de taal hierin een blokkade vormt.”

Kleine stapjes
Met een groot mes snijdt Julian rustig de knolselderij in blokjes: brunoise heet deze snijwijze, weet hij. Als docent Erdo Fidan de klas vraagt bij het fornuis te komen, is Julian er als de kippen bij. “Moet de soep echt wit zijn?”, vraagt een meisje. “Ja, zelfs zo dat er nog scheutje room bij mag”, zegt Fidan terwijl hij al roerend de room toevoegt. De chefkok geeft vanaf dit schooljaar voor het eerst les en dat bevalt hem prima. Dat Julian de lessen volgt, juicht hij alleen maar toe. “Het maakt in de klas geen verschil. Er zijn slimme leerlingen en zwakkere, je moet gewoon zorgen dat iedereen meekomt. Dat lukt door gedifferentieerd te werken en alles in kleine stapjes uit te leggen. Dat gaat heel goed.”
“Nou, nog even alles afsmaken met peper en zout en dat was het dan”, zegt hij. En terwijl de aroma langzaam het lokaal intrekt, gaan alle leerlingen weer aan de slag. Julian vindt de praktijklessen leuk, vooral ook omdat ze na afloop mogen eten wat ze hebben gemaakt. “Maar dat doe ik alleen als het lekker is”, lacht hij

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.