• blad nr 18
  • 19-11-2016
  • auteur W. de Lange, de 
  • Column

 

Ingangetjes graven

Kevin is één van de ongeveer 155 leerlingen, die ik elke week zie. Menige collega ziet er nog meer. Sommige leerlingen heb ik drie uur per week in de klas, andere maar één uur. Over al die leerlingen wil ik, zoals elke docent, eigenlijk van alles weten. Waar zit het opwindsleuteltje dat zijn hersens, haar lach, hun geheugen in werking zet? Waarom moet X altijd het etui van een klasgenoot verstoppen, keer op keer op keer op keer? Waarom weigert Y te accepteren dat spiegeltjes, lipgloss en eyeliner niet in de les gebruikt mogen worden, waarom altijd herrie en misbaar daarover, keer op keer op keer op keer? En waarom is Z zo ontzettend eenzaam en stil?
Er zit kinderliefde in de onderzoekende docentenblik, maar vooral eigenbelang. Ik wil dat het loopt, ik wil geen gelazer, ik wil het valse gerucht voeden dat ik een behoorlijke docent geworden ben. Ik ga dat gerucht zelfs geloven, als ik leerlingen een les lang rustig en goed bezig zie zijn. Daarvoor moet ik ingangetjes hebben bij 155 leerlingen. Het is natuurlijk ook een sport, ingangetjes graven.
Kevin leerde ik kennen op kamp, aan het begin van het schooljaar. Daar deed hij zich gelden als een handtastelijk ratje, dat anderen meezoog in nare spelletjes, zoals fikkie stoken in de wc en spullen van anderen kwijtmaken. Hij weigerde klusjes, die alle andere kinderen zonder morren deden, zoals met bagage sjouwen, afwassen, tafel dekken. En als een vrouw hem een corvee oplegde, weigerde hij helemaal, met een strak masker van tekortgedaan-zijn en haat.
Na het kamp, in de gewone lessen, behandelde ik Kevin met nul tolerantie. Ik voelde me ontzettend rustig en reuze onverbiddelijk, een echte docent. En het werkte. Binnen drie weken hadden we zelfs lol samen, Kevin en ik. “Ik heet hou-je- kop, aangenaam”, stelde hij zich grijnzend voor, als ik stond handen te schudden en oogcontact te maken bij de deur van het lokaal. En sindsdien zwaaiden we uit de verte naar elkaar in de kantine: “Hé, hou je kop!”
Waarom moest dat draadje van bijna-sympathie stuk voor een schriftelijke overhoring over welgeteld vijf piepkleine Duitse woordjes? Wo, was, wann, wer en wie? Vijf vraagwoordjes. Uit en te na gelezen, gehoord, mondeling geoefend, schriftelijk geoefend, in een filmpje opgespoord, ja hemel, wat kan je nou nog meer doen met vijf piepkleine woordjes?
De klas dromt opgewekt naar binnen, menigeen lijkt er op te vertrouwen dat deze overhoring een heleboel tienen gaat opleveren. “Kijk nog even naar het rijtje. Neem ik intussen absenten op”, roep ik. Kevin kijkt niet in zijn boek, staart zwart voor zich uit. Tijdens de overhoring schrijft hij niets op. Als ik zijn lege papiertje ophaal, na zeven minuten voor vijf woordjes, wordt hij kwaad: “Ik ben nog niet klaar!” Hij smijt zijn boek op de grond: “Duits is een f…g k.ttaal!” Die taal kan het toch niet helpen, dat jij niet geleerd hebt? zeg ik, boos, ook al snap ik wel dat er iets buiten het Duitse lokaal in Kevins leven gebeurd moet zijn. Hoe dan ook, het oude ingangetje is nou stuk.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.