• blad nr 18
  • 19-11-2016
  • auteur J. van Aken 
  • Aan de telefoon

 

Leraar brandt af op passend onderwijs

Het uitgangspunt blijft prachtig, zoals het is verwoord in het Unesco-verdrag van Salamanca uit 1994: Allen met speciale onderwijsbehoeften moeten toegang hebben tot reguliere scholen.
Maar in de praktijk van alledag knelt het passend onderwijs steeds meer. Dat komt, vertelt pedagoog Peter Mol vanaf pagina 30, doordat het ministerie onverenigbare doelen wil samenbrengen. Een kindgericht pedagogisch klimaat, maar dan zo goedkoop mogelijk. Zo ontaardt passend onderwijs in almaar meer papierwerk in plaats van een onderwijspraktijk die zoveel mogelijk kinderen binnenboord houdt.
Leraren knappen af op passend onderwijs, zegt Peter Mol en dat beeld wordt bevestigd in interviews met leerkrachten, de jongste enquêtes en rapporten. Het Onderwijsblad brengt ze in dit nummer in beeld. “Er zijn geen extra handen en je krijgt de vinger er niet achter waarom niet”, zegt groep 4-leerkracht Wytske Heida in één van de portretten. Leraren willen wel, maar kunnen niet.

Het ‘passend’ onderwijs knelt
De leraar wil wel, maar kan niet. Fatsoenlijk tijd besteden aan zorgleerlingen is er niet bij. En de aandacht die wel naar extra ondersteuning kan, gaat ten koste van de rest van de groep. Bijna 80 procent van het onderwijzend personeel ervaart passend onderwijs, ingevoerd in augustus 2014, als een bezuiniging.
Af en toe duikt in een krant of op de sociale media een bericht op waarin de leraar uitlegt wat passend onderwijs betekent in zijn of haar praktijk. Maar doorgaans is het stil. Diezelfde leraar of onderwijsondersteuner is namelijk razend druk met hoger begaafde leerlingen op niveau bedienen, pdd-nos-ers bij de les houden, ontwikkelingen van zwakke leerlingen toetsen, verplichte teamcursussen over maatwerk volgen, handelingsplannen schrijven, oudergesprekken voeren en ga zo maar door.

Enquête
Recente onderzoeken waarbij de docent rechtstreeks is benaderd bieden geen vrolijk beeld. Vlak voor de zomer kwam DUO Onderwijsonderzoek, niet te verwarren met de uitvoeringsorganisatie DUO van de overheid, met de resultaten van een enquête waarop meer dan duizend leraren reageerden uit primair en voortgezet onderwijs (po en vo). Conclusies:

• Een klas telt in juni 2016 gemiddeld vijf leerlingen ‘met extra ondersteuningsbehoefte’.
• Leraren komen er niet aan toe deze kinderen goed te helpen. Maar liefst 86 procent van de po-leerkrachten en 91 procent van de leraren in het vo zegt daar te weinig tijd voor te hebben.
• Vier op de vijf leraren (78 procent) ervaart passend onderwijs als een ‘verkapte bezuinigingsmaatregel’.
• De ‘gewone’ leerlingen zijn de dupe. Meer dan driekwart van het onderwijzend personeel kan hen nu minder aandacht geven.

Rompslomp
Ook de AOb vroeg haar leden dit voorjaar naar ervaringen met passend onderwijs. 120 van hen, werkzaam in po, vo en mbo, reageerden. Vooral de toegenomen administratieve rompslomp komt duidelijk naar voren onder AOb-ers. “Het aanvragen van extra ondersteuning voor leerlingen kost zoveel tijd en papierwerk dat ik de studenten meestal in mijn eigen tijd wat extra begeleiding geef”, aldus een docent op een ROC in Midden-Nederland.
Onderzoeksbureau Oberon publiceerde in januari 2015 ‘een globale schets’. In opdracht van het ministerie voerde het bureau gesprekken met onderwijspersoneel in de zogenoemde pioniersregio’s. Dat zijn drie samenwerkingsverbanden die al een jaar eerder in augustus 2013 met passend onderwijs startten. Het rapport van Oberon is gebaseerd op groepsgesprekken met in totaal 41 leraren po en vo, plus aanvullende interviews met drie schoolleiders en vier zorgcoördinatoren.
Oberon somt positieve ervaringen en aandachtspunten op. De optimistische toon in het rapport is opvallend, maar niet te herleiden. Het bureau citeert vrijelijk uit de verzamelde citaten. De onderzoekers geven wel aan dat ‘een aantal leraren’ minder aandacht geeft aan leerlingen zonder ondersteuningsbehoefte naarmate meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte in de klas komen. Ook schrijven ze: ‘Enkele leraren (en zorgcoördinatoren) in het vo ervaren passend onderwijs ook als een bezuiniging. Vaak zijn dit leraren binnen een samenwerkingsverband met een negatieve vereveningsopgave [een samenwerkingsverband dat bezuinigt], maar het heeft ook met negatieve beeldvorming te maken.’

Directeuren positief
In de officiële voortgangsrapportage die OCW zo ongeveer halfjaarlijks uitbrengt, komt de leraar helemaal niet aan bod. De laatste dateert van juni 2016 en telt 25 pagina’s. De beroepsgroep wordt twee keer genoemd. Bij een samenvatting van de tweejaarlijkse JOB-monitor (Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs) geeft 21 procent van de ondervraagde mbo-studenten aan dat docenten onvoldoende rekening met hun beperking houden, aldus het rapport. Verder staan docenten aan de wieg van het onderwijsconcept Eduwiek, waarbij regulier en speciaal voortgezet onderwijs hetzelfde pand delen, aldus een kadertekst.
De voortgangsrapportage van OCW leunt onder meer op een vragenlijst die het Kohnstamm Instituut in 2016 voor de tweede keer uitzette. Het ministerie meldt in haar publicatie het aantal respondenten niet, wel hun functies. Uit het originele onderzoek blijkt dat ongeveer 250 directeuren, coördinatoren en ‘ondersteuningstoewijzers’ van tien samenwerkingsverbanden (svw’s) po en vo reageerden. Gemiddeld is deze groep positief tot zeer positief over de nieuwe situatie. Daar tegenover staat dat bijna tweehonderd intern begeleiders en zorgcoördinatoren uit dezelfde svw’s zich in 2016 juist minder positief tonen over passend onderwijs. Deze maand of in december wordt een nieuwe voortgangsrapportage passend onderwijs verwacht.


{interviews met leraren}

‘Geld is niet gelabeld, dat blijkt nu wel’

Wytske Heida geeft les aan groep 4 op een basisschool in het noorden van Nederland.

“Ik ben aan het re-integreren. Daardoor kan ik op dit moment apart werken met zorgleerlingen, terwijl mijn vervangster de klas doet. Met gedragsproblematiek kunnen we bij ons op school in principe goed uit de voeten. Het komt zelden voor dat we een kind vanwege het gedrag naar speciaal onderwijs moeten verwijzen. Maar passend onderwijs betekent ook: kinderen met leerproblemen. Groep 4 telt dit jaar 29 leerlingen, waarvan vier zwakke rekenaars, zes leerlingen hebben een handelingsplan voor spelling en dan zijn er nog vier zwakke lezers, grotendeels dezelfde kinderen als die met de spellingsproblematiek. Normaal zou ik het zo moeten organiseren dat wanneer de groep aan het werk is, ik tijd heb voor de zorgleerlingen. Maar juist met hele zwakke leerlingen duurt de begeleiding lang. Je moet soms zo ver terug in de instructie. Vanochtend nog, met rekenen, probeerde ik 21+10. Daar komen ze niet uit. Dan probeer je eerst 20+10 goed aan te leren. Af en toe volgen leerlingen ook in een lagere groep instructie. Maar straks in groep 8 kun je hen echt niet meer naar bijvoorbeeld groep 4 sturen voor rekenen. Ouders willen dolgraag dat hun kinderen bij ons op school blijven, maar soms denk ik: is dit echt in het belang van het kind? Ik had gehoopt dat passend onderwijs meer ruimte zou geven, maar ik weet nog dat ik destijds hoorde dat het geld niet gelabeld zou worden. Dat blijkt nu wel. Er zijn geen extra handen en je krijgt de vinger er niet achter waarom niet.”


‘Het gemak waarmee taken naar leraren gaan, stoort me enorm’

Joost Deeben is docent op de opleiding Engineering van het Summa College in Eindhoven.

“Mijn groepen tellen niet meer zorgleerlingen dan voor passend onderwijs, maar de ondersteuning wordt steeds minder. We hadden een psycholoog, nu niet meer. En de dame die ondersteuningsplannen maakte en ze deels uitvoerde moest ook weg. Na protest mag ze tot het eind van dit jaar twee dagen in de week blijven. Dat is veel minder dan voorheen en daarna is het waarschijnlijk klaar. Het gemak waarmee vervolgens allerlei taken richting leraren worden geschoven, stoort mij enorm. Het bestuur krijgt geld voor passend onderwijs, maar wij krijgen maar niet in beeld waar dit geld aan wordt besteed. Intussen zit ik bij een gesprek over een jongen die veel moeite heeft met de overgang tussen vmbo en mbo. Conclusie: deze leerling heeft hulp nodig bij het plannen. ’s Avonds zie ik een mailtje met de terechte reactie van onze collega van de ondersteuning dat zij daar binnen haar twee werkdagen geen tijd voor heeft. En dan komt het dus bij mij. Maar het is niet mijn taak. En ik heb er ook geen tijd voor. Op termijn gaat dit gaat echt fout. Leraren raken overbelast en leerlingen krijgen niet de hulp die ze verdienen. Op deze opleiding heb ik vaak met leerlingen met autisme te maken. Met het gros kan ik in de klas prima overweg, maar er zijn specifieke gevallen die grote problemen geven. Als die niet meer door professionals begeleid worden, dan merk je dat in de lessen.”


‘Om mij heen zeggen mensen: de grens is wel bereikt’

Jelle Koopman werkt als gymleraar en leerlingbegeleider op de afdeling vmbo-basis en kader van de school Ubbo Emmius in Stadskanaal.

“Doordat ik in het interne ondersteuningsteam zit, zit ik middenin passend onderwijs. Samen met collega’s begeleid ik leerlingen, en soms ook docenten. Sinds de zorgplicht kun je als school geen leerling weigeren. Dat is goed, maar het betekent in feite dat er geen ondergrens meer is. Een oudere collega zei tegen mij: ‘ik ben meer gedragsspecialist, dan dat ik les geef.’ Die uitspraak snap ik als in je klas drie dyslecten, twee autistische leerlingen, een depressieve leerling en adhd’ers zitten. En als die groep dan nog best groot is. Om mij heen merk ik dat mensen zeggen: de grens is wel bereikt, maar of dit alleen door passend onderwijs komt durf ik niet te zeggen. Docenten moeten zo specialistisch zijn, hebben zoveel verschillende rollen en helaas zie ik dat we door tijdgebrek soms achter de feiten aanlopen. Als een kind de les wordt uitgestuurd, zijn we daar praktisch mee bezig. We hebben dan minder tijd om te bekijken waarom zoiets gebeurt. Bij minder lessen zouden we vaker samen lessen kunnen voorbereiden en kijken wat wel goed gaat, zodat andere collega’s daar profijt van hebben. Passend onderwijs gaat vaak over de ‘speciale’ leerlingen, maar ik denk dat het gaat over hoe je het personeel toerust. Zelf vind ik het bijvoorbeeld leuk om met kinderen te werken die adhd hebben. Ik heb een klik met ze en volg de master Educational Needs zodat ik nog beter onderwijs kan bieden aan onder andere deze prachtige doelgroep.”


(interview Peter Mol}
Pedagoog Peter Mol ziet leraren afknappen op passend onderwijs
‘Sta op tegen de protocollen’

Maatwerk leveren, uitgaan van de talenten van leerlingen en dikke rapporten schrijven. Pedagoog Peter Mol vindt het onwerkbare onzin. “Je moet protesteren: ‘Dit doe ik niet. Het is zinloos.”

Maak kennis met de muiter Mol. Een vakgenoot noemt hem ‘uitvinder van de provocatieve pedagogiek’. Zijn voormalige werkgever zegt: ‘een constructieve horzel’. “Eretitels”, glimlacht Peter Mol (62), momenteel directeur van de ondersteuningsdienst Gedragspunt. Het is rustig op de zaak. De meeste collega’s zijn door heel Nederland heen teams aan het helpen bij ‘lastige kinderen’. “Maar dat mag je niet meer zeggen hè? Laatst zette ik de titel van mijn workshop ‘Stoorzenders in de klas’ op Twitter. Nou, meteen twintig moeders er bovenop: ‘Kinderen zijn geen stoorzenders.’ En: ‘Het zijn kinderen met behoeftes.’ Maar de waarheid is: af en toe heb je gewoon een leerling waarbij je denkt: ik plak ‘m achter het behang. Je zegt dat niet, maar je denkt het wel. En dat moet je ook benoemen, want dan ben je je bewust van je emoties en van wat je niet moet doen. Als een kind mij uitscheldt vind ik dat ook niet leuk, maar een directe reactie maakt het soms alleen maar erger. Om professioneel goeie keuzes te maken moet je allereerst je eigen emoties erkennen.”

Overspoeld
Mol signaleert al jaren prietpraat rond passend onderwijs. Leraren worden volgens hem zodanig overspoeld met holle frases in protocollen en processen dat ze het contact met de klas verliezen. “Ik probeer daarom die termen eruit te gooien. ‘Maatwerk’ en ‘aansluiten op de talenten van kinderen’. Het is in de praktijk niet toe te passen. Maatwerk bijvoorbeeld is helemaal niet mogelijk. Je kunt niet voor 25 kinderen 25 programmaatjes maken en dat ook nog eens voor elk vak. En bovendien: wat is dat nou: ‘uitgaan van de belangstelling van het kind’? Kinderen hebben van nature voor sommige dingen helemaal geen belangstelling. Hoeveel leerlingen hebben uit zichzelf behoefte aan wiskunde? Die belangstelling moet je als leraar wekken.”
De grondslag van passend onderwijs neemt Mol ‘wel degelijk bloedserieus’. Maar volgens hem heeft ministerie niet te verenigen doelen voor ogen. Enerzijds het Unesco-verdrag van Salamanca uit 1994 invoeren. Daarin staat dat ‘allen met speciale onderwijsbehoeften toegang moeten hebben tot reguliere scholen welke hen opnemen in een kindgericht pedagogisch klimaat dat in staat is aan hun behoeften tegemoet te komen’. Maar Nederland wil dat tegelijk zo goedkoop mogelijk doen, aldus Mol. Bovendien zijn de Salamanca-afspraken verkeerd vertaald, vindt hij. “Van bovenaf is gezegd: als je een kind hebt dat opvalt, schrijf je een heleboel velletjes vol. Vervolgens gaat een specialist die velletjes bekijken en jou vertellen hoe je apart met die leerling moet werken. Nou, nee dus. Dat is geen passend onderwijs. Je moet je niet willen richten op de allermoeilijkste kinderen, maar juist heel duidelijk zijn voor de middengroep. En je lessen zo geven dat zo min mogelijk kinderen uitvallen.”

Schreeuwen
Onlangs nog deed de pedagoog een klassenobservatie. De docent kon niet meer overweg met een kind met adhd. “Op een gegeven moment brulde die jongen heel hard door de klas: ‘Ik ben klaar!’ De lerares wees hem terecht, want hij mocht niet schreeuwen. Maar wat was nou het probleem? Zij had niet gezegd wat de leerlingen mochten doen als ze klaar waren.” Mol adviseerde haar om voortaan al bij de instructie aan te geven wat de leerlingen kunnen doen als ze klaar zijn. “En dat geldt dan voor alle leerlingen.” Zijn tip: “Kijk als leraar vooral naar je eigen gedrag en niet naar de afwijkende kindertjes. Natuurlijk, die leerling blijft een adhd-er, maar als je deze aanpassing doet, brult hij niet meer.”
Heel nuchter blijven. Dat is volgens Mol grotendeels het vak van de leerkracht. En dat wordt steeds moeilijker omdat die kern te weinig wordt benadrukt. “Docenten krijgen heel veel opdrachten die gigantisch veel tijd kosten en waar ze met hun hart niet achter staan. Dat ze met passend onderwijs een nieuw systeem invoeren in het onderwijs, oké, maar ik zie leraren er op afknappen. Ze hebben geen tijd meer om de goede dingen te doen, omdat die niet in de boekjes staan. Ib’ers of zorgcoördinatoren horen in die school te lopen, collega’s te helpen en suggesties te geven. Nu zitten ze soms hele dagen administratie bij te werken: in kaart brengen wat het kind allemaal mankeert. Dat vind ik doodzonde en slecht voor het onderwijs.”

Flauwekul
Mol blijft ‘lekker schoppen’, of het nou tijdens lezingen, klussen op scholen, of in boeken is. Om maar tegenwicht te geven aan in zijn ogen onmogelijke ideeën. “Ik bedoel: ‘alles uit het kind halen’. Wat is dat voor flauwekul? ‘Opbrengstgericht leren’, precies hetzelfde. Mijn oom was kippenboer en had kippen in hele kleine hokjes, want dan werd de productie lees: de opbrengst beter. Maar ik wil scharrelkinderen. Of vrije uitloop. Dan leren ze nog meer ook, dat garandeer ik je.” Gelijke kansen is ‘ook zo’n mooie’, vindt Mol. “Niet iedereen is even slim, niet iedereen is even lenig, of muzikaal. Dat moet je gewoon netjes kunnen zeggen. Stel je voor dat mijn blinde darm er ooit uitgepeuterd wordt door een blinde chirurg die een diploma heeft met de aantekening ‘maatwerk i.v.m. ondersteuningsbehoefte’. Dat is echt mijn nachtmerrie.”
Sommige mensen denken dat zijn gedrevenheid voortkomt uit liefde voor kinderen. Maar dat is een vergissing. Mol: “Dan zeggen ze: ‘Peter, jij hebt met zwaargestoorde kinderen gewerkt, in een jeugdgevangenis zelfs. Je moet wel erg veel van kinderen houden.’ Vervolgens vraag ik me af: hou ik nou meer van kinderen dan mijn buurman? Nee. Ik hou van mijn vak. Dat kan ik goed en daar ben ik trots op. Onderwijspersoneel denkt dat ze dingen heel anders moeten doen door passend onderwijs. Maar als jij een ‘oopeepee’ [ontwikkelingsperspectief] moet schrijven van twintig bladzijden, dan moet je daar tegen protesteren. ‘Dit doe ik niet. Het is zinloos.’ Ik hoop dat steeds meer mensen opstaan tegen protocollen, controles en het alsmaar concreet moeten zijn. Mijn doel is dat leraren hun vakmanschap weer oppakken.”

Peter Mol
Peter Mol (62) startte ruim veertig jaar geleden als docent in het cluster-4 onderwijs, is directeur geweest van zmok-scholen, van het voormalige regionaal expertise centrum Noord-Holland en schreef meerdere boeken over passend onderwijs. Tot januari geeft hij leiding aan ondersteuningsdienst Gedragspunt, onderdeel van de Aloysiusstichting. Zijn jongste boek heet Pedagogisch vakmanschap in 55 verhalen – Gereedschap voor passend onderwijs.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.