• blad nr 14
  • 17-9-2016
  • auteur . Overige 
  • Opinie

 

Radicalisering signaleren is geen taak voor de leraar

Steeds vaker wordt erop gewezen dat de leraar een belangrijke rol heeft bij het herkennen en zelfs opsporen van radicalisering. Ten onrechte, vindt Jeroen van Andel, socioloog en Aob-beleidsmedewerker. Leraar blijf bij uw leest.

De overheid en de media wijzen steeds vaker op de belangrijke rol van de leraar bij het bestrijden van radicalisering. Eind vorige maand onderschreef pedagoog Micha de Winter deze visie in het NPO Radio 1-programma ‘de Ochtenden’. Deze oproep aan het onderwijs is begrijpelijk, maar daarbij passen wel de nodige kanttekeningen.
Natuurlijk houdt onderwijs veel meer in dan alleen rekenen, taal en spelling. Goed onderwijs gaat ook over sociale vaardigheden en leren samenleven. Het versterken van sociale cohesie, het bevorderen van een tolerante samenleving en het ontwikkelen van burgerschapsvaardigheden moet een duidelijke en herkenbare plaats krijgen. Niet als vak, maar als taak van de school en daarmee ook van de leraar.
Burgerschapsvorming moet echter wel vorm krijgen binnen de verantwoordelijkheid van de leraar. Die betreft volgens onderwijsrechtskundigen het pedagogisch, didactisch en vakinhoudelijk proces, binnen de kaders van het beleid van de instelling. Het signaleren en zelfs opsporen van radicalisering valt niet binnen deze opdracht en behoort dus geen expliciete taak van de leraar te zijn.
Daar komt bij dat een dergelijke signaleringstaak kan leiden tot ongewenste effecten. Het signaleren van radicalisering vereist kennis en kunde waarover de leraar onvoldoende beschikt. Daarnaast vergroot het de kans op stigmatisering en discriminatie.
Onderzoek van de KPC Groep wijst uit dat het voor leraren moeilijk is om signalen van radicalisering goed te interpreteren, omdat zij vrijwel niets weten over het leven dat jongeren leiden buiten de school. Zonder uitvoerig psychologisch onderzoek kunnen zij niet niet vaststellen of er sprake is van radicalisering of van ‘gewoon’ pubergedrag. Immers, ook ‘gewone’ pubers nemen in de pubertijd vaak zeer extreme standpunten in en laten extreem gedrag zien.
Onderzoek wijst uit dat een poging tot signaleren van radicalisering van jongeren, op basis van onvoldoende kennis en kunde, maar al te vaak leidt tot een vorm van culturalisering. Individuele kenmerken als opvattingen, overtuigingen, gedrag en kleding worden dan verbonden met opvattingen, overtuigingen en handelingen van een tot essentie teruggebrachte groep (‘de geradicaliseerden’).
Zo'n benadering is stigmatiserend en soms ook discriminatoir. Zij zal eerder leiden tot het afstoten van de jongere en kan zelfs aanzetten tot verdere radicalisering. De jongere in kwestie krijgt dan immers het idee dat hij, ondanks alle pogingen, toch wordt gedefinieerd als ‘de ander’ en er daardoor ‘toch niet bij hoort’. Terughoudendheid met het label radicalisering is daarom op zijn plaats. Als leraren in de praktijk toch te maken krijgen met radicale opvattingen, overtuigingen en gedrag, dan is het aan te raden om tijdig contact om te nemen met buurt- en jongerenwerkers of andere professionals.
Onderzoek laat zien dat factoren als geringe binding met gemeenschappen, stigmatisering en relatieve deprivatie, kunnen bijdragen aan radicalisering. Mede daarom kunnen scholen zich beter richten op een inclusieve aanpak, zoals het creëren van een gemeenschapsgevoel door samenwerkend leren en het ontwikkelen van democratische en rechtvaardige gemeenschappen dan de nadruk te leggen op assimilatie en controle. Scholen die willen werken aan sociale binding is het aan te raden dat zij proberen een leefgemeenschap te vormen met respect voor elkaar, sociale binding, hoge verwachtingen van leerlingen en oprechte nieuwsgierigheid naar elkaars achtergronden en overtuigingen.
Een veilig klassenklimaat vormt de belangrijkste basis voor een inclusieve benadering van leerlingen. Dit wil zeggen: een klas waar iedereen deel van uitmaakt, waarin een klimaat wordt gecreëerd van hoor en wederhoor, respect en ruimte om anders te zijn en waarbinnen altijd ruimte is voor een dialoog.
Het investeren in een dergelijk klassenklimaat past wel in de professionele opdracht van leraren, maar het ontbreekt hen aan de daarvoor benodigde tijd en ruimte als zij probleemeigenaar worden gemaakt van een nieuw maatschappelijk vraagstuk.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.