• blad nr 14
  • 17-9-2016
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

 

Onderwijs2032 wekte valse schijn van inspraak

Het belangrijkste onderwijsadvies van het jaar, van Platform Onderwijs2032, is niet de uitkomst van een nationale brainstorm, zoals het ministerie ons wil doen geloven. Dat blijkt uit een reconstructie.

Tekst Johannes Visser Beeld Wim Stevenhagen
De kritiek op het belangrijkste onderwijsadvies van dit jaar is niet mals. Het rapport waarin Platform Onderwijs2032 adviseert wat onze kinderen op school moeten leren, is volgens critici onwetenschappelijk en staat bol van clichés. Voorzitter Paul Schnabel kreeg er van langs.
‘Weg met de Schnabeltjeskrant,' schreef economiedocent Ton van Haperen in de Volkskrant. Hij stelt Schnabel verantwoordelijk voor een ‘gênante verzameling aan holle retoriek’. Arjen Lubach noemde de commissievoorzitter in Zondag met Lubach ‘de koning van het Schnabel-circuit’ en liet een trucagefoto zien van Paul Schnabel en Ryan Babel: Schnabel & Babel.
Serieuzere kritiek was er ook: er zou geen draagvlak zijn onder docenten. Pijnlijk, want Onderwijs2032 is gepresenteerd als een onderwijsvernieuwing die nu eens niet van bovenaf over het onderwijsveld zou worden uitgestort, maar waar
alle Nederlanders aan mee konden doen. ‘Dialoog en draagvlak’ was het adagium. In aanloop naar de presentatie van het advies, begin dit jaar, mocht iedere Nederlander bijdragen aan een drie maanden durende ‘nationale brainstorm’. Er werden 150 brainstormsessies georganiseerd, er verschenen 494 bijdragen op Facebook en er gingen 11.983 tweets de wereld in onder de hashtag #onderwijs2032.
Volgens NRC-journalist Maarten Huygen was het een schijndiscussie waarin de uitkomsten vooraf al vastlagen. NRC-columnist Jan Kuitenbrouwer constateerde: ‘Ondanks al die hippe song and dance was de procedure van Onderwijs2032 dus net zo intransparant als een ouderwetse commissie in een gelambriseerd achterkamertje.’
Lagen de conclusies van het eindadvies van Onderwijs2032 inderdaad al vast, zoals Huygen stelt, en wat gebeurde er in Kuitenbrouwers achterkamertje? In dit stuk laat ik zien dat Platform Onderwijs2032 weliswaar de vrije opdracht kreeg om te
adviseren over de toekomst van het onderwijs, maar dat zijn belangrijkste aanbevelingen al ver voor het bestaan van deze club waren geschetst door adviesorganen van het ministerie van Onderwijs. Met het advies probeert het ministerie de onderwijsinhoud preciezer vast te leggen, terwijl het de verantwoordelijkheid daarvoor afschuift op de commissie-Schnabel. Dat is kwalijk, omdat zo de indruk wordt gewekt dat de regering inderdaad niet verantwoordelijk is voor de inhoud van het onderwijs.

Eerst: wat staat er dan in dat advies? De veranderingen zijn in vijf punten samen te vatten:
¦ Een grotere rol voor Engels op de basisschool.
¦ Een plaats voor digitale geletterdheid in het kerncurriculum.
¦ Een plaats voor burgerschap in het kerncurriculum.
¦ Het overige curriculum moet worden opgedeeld in drie kennisdomeinen: Mens & Maatschappij, Natuur & Technologie en Taal & Cultuur.
¦ Er moet meer aandacht komen voor vakoverstijgende vaardigheden als leervaardigheden, creëren, kritisch denken, probleemoplossend vermogen en samenwerken, de zogenoemde
‘21ste-eeuwse vaardigheden’.

Twee adviezen
Het verhaal van Onderwijs2032 begint niet met een nationale brainstorm of de installatie van Platform Onderwijs2032, maar met het aantreden van staatssecretaris Sander Dekker (VVD) bij het ministerie van Onderwijs in november 2012. Wereldwijd waait op dat moment de
vernieuwingswind, die als gemene deler heeft dat er in het onderwijs minder aandacht komt voor cognitie, en meer voor (vakoverstijgende) vaardigheden.
In het invloedrijke rapport Naar een lerende economie schrijft de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) dat verzakelijking van het debat over onderwijsinhoud ook in Nederland geboden is. 'Daarbij past ook een heroriëntatie op het (te) ver doorgevoerde onderscheid tussen onderwijs gericht op vaardigheden en onderwijs gericht op cognitie.'
Dekker besluit het dossier op te pikken. Hij vraagt de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) en de Onderwijsraad advies uit te brengen over hoe het curriculum er in de toekomst uit moeten zien.
Beide instanties komen met een advies. In een verkennende notitie schrijft SLO in maart 2014 dat er de afgelopen jaren al verschillende ontwikkelingen op het gebied van curriculumvernieuwing in gang zijn gezet. ‘Het lijkt een geschikt moment een pas op de plaats te maken en deze ontwikkelingen doelgericht in een samenhangende koers te plaatsen,’ concludeert SLO.
De Onderwijsraad, waar Geert ten Dam op dat moment voorzitter van is, constateert in het adviesrapport Een eigentijds curriculum, dat twee maanden later verschijnt, dat het huidige curriculum 'te onsamenhangend' is. Dat komt volgens de raad doordat curriculumvernieuwing overwegend plaatsvindt binnen vakgebieden. En ‘juist omdat het belang van vakoverstijgende kennis toeneemt, is versnippering in de vakvernieuwing een groeiend probleem.' De raad pleit voor meer aandacht voor ‘21ste-eeuwse vaardigheden’.

In potlood
Wanneer Platform Onderwijs2032 na een nationale brainstorm van drie maanden wordt geïnstalleerd, is het bouwplan van het advies dat ruim een jaar later gepresenteerd zal
worden door SLO en de Onderwijsraad dus al in potlood getekend. Het staat het Platform wel
formeel vrij om die lijnen uit te gummen of na te bouwen.
Maar dat er from scratch wordt begonnen, ligt niet voor de hand. De Onderwijsraad en SLO blijven ook na het uitbrengen van hun rapporten een rol spelen in de totstandkoming van het eindadvies.
Een van de acht platformleden is Geert ten Dam, die het ministerie op verzoek in mei 2014 al adviseerde over het toekomstige curriculum. Haar expertise op het gebied van
curriculumontwikkeling reikt ver uit boven die van de andere platformleden.
Bovendien doet zij als onderwijskundige verbonden aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) al twintig jaar onderzoek naar burgerschap in het onderwijs. Momenteel is zij projectleider van de Nederlandse deelname aan de International Civic and Citizenship Education Study 2016. Als voorzitter van de Onderwijsraad adviseerde zij het ministerie ook al op het gebied van burgerschap. In het rapport Verder met burgerschap in het onderwijs (2012)
geeft de raad drie ‘niveaus van burgerschap’ die behulpzaam kunnen zijn bij het opstellen van een leerlijn burgerschap. Die niveaus lijken sterk op de ‘houvast voor scholen om burgerschapsvorming aan te bieden’, waar in het eindadvies over gesproken wordt.

Achter de schermen
Ook SLO is niet uitgespeeld met het uitbrengen van haar advies. In de zogeheten ‘Startbrief’ die het expertisecentrum ontvangt in mei 2015 (dus: acht maanden voor de presentatie
van het eindadvies), formuleert het ministerie de taakopdracht voor SLO in 2016.
SLO krijgt opdracht de ‘leerplankundige thema’s’ burgerschap, 21ste-eeuwse vaardigheden en doorlopende leerlijnen digitalisering te ontwikkelen. In het primair onderwijs vindt onder andere het project Engels doorgang, en in het voortgezet onderwijs de projecten Natuurwetenschappen & Techniek en Mens & Maatschappij.
SLO ontvangt in 2016 en 2017 9,8 miljoen euro per jaar van het ministerie om zich te buigen over deze curriculumkwesties.
Ook heeft SLO een vinger in de Platform-pap. De acht Platformleden worden ondersteund door een tienkoppig secretariaat. Niet zo gek, want alle acht werken fulltime, naast hun deelname in de adviescommissie. Zo is een van hen leerkracht in het basisonderwijs; een ander is CEO van Siemens.
Het secretariaat ondersteunt het Platform door artikelen aan te leveren voor de driewekelijkse vergaderingen en door analyses te maken van wat er besproken is. Als niet tenminste één van de leden van het Platform op een bijeenkomst rond Onderwijs2032 aanwezig kan zijn, neemt iemand van het secretariaat zijn of haar plek in. En het secretariaat is nauw betrokken bij het opstellen van de tekst van het eindadvies. Wie er in dat secretariaat zitten? Onder anderen twee leden van SLO.

Spagaat
Hoewel het Platform Onderwijs2032 officieel vrij was de door SLO en de Onderwijsraad geschetste bouwtekeningen voor de onderwijstoekomst uit te gummen, heeft het die met zijn eindadvies secuur nagebouwd. Dat is niet zo gek: architect en metselaar waren deels dezelfde. SLO kreeg bovendien acht maanden voor het eindadvies gepresenteerd werd al de opdracht van het ministerie om enkele van de later gepresenteerde adviezen verder uit te werken.
Waarom is er dan gekozen voor deze opzet, waarbij iedere Nederlander aangespoord wordt mee te denken over de toekomst van het onderwijs? De regering heeft de wettelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het onderwijs en zou op basis daarvan kunnen zeggen: zo gaan we het doen.
Maar dat is niet de gebruikelijke gang van zaken in Nederland. Dat merken SLO en de WRR ook op. SLO schrijft in aanloop naar Onderwijs2032 dat de overheid zich in Nederland van oudsher terughoudend opstelt als het gaat om de inhoud van het onderwijs. En uit het WRR-rapport Naar een lerende economie: 'Nederland kent een lange traditie van onderwijsvrijheid, die als keerzijde heeft dat er nauwelijks een maatschappelijk debat is over wat het onderwijs eigenlijk moet overdragen.' Het gevolg van die terughoudendheid is dat samenleving en onderwijssector algauw op hun achterste benen staan wanneer een minister of staatssecretaris zijn ambities kenbaar maakt via een beoogde onderwijsvernieuwing.
Een tweede gevolg is dat de leerdoelen in het Nederlandse onderwijs zeer globaal geformuleerd zijn. De vrijheid die dat geeft wordt in belangrijke mate ingevuld en ingeperkt door een sterke oriëntatie op lesmethodes. Daarnaast komt de focus te eenzijdig te liggen op onderdelen waar wel precieze voorschriften voor bestaan en die het Cito toetst: taal en rekenen. Daarmee verschraalt het onderwijsaanbod.
Het ministerie bevindt zich dus in een spagaat: het wil de inhoud van het onderwijs specifieker vastleggen om verschraling van het onderwijsaanbod tegen te gaan, maar weet dat meer controle vanuit Den Haag door samenleving en onderwijssector niet getolereerd wordt.

Buiten schot
Met Onderwijs2032 probeert het ministerie uit die spagaat te komen. Achter de schermen legt het de leerdoelen specifieker vast, maar publiekelijk legt het de verantwoordelijkheid bij een samenleving die mee brainstormt en een Platform dat een advies schrijft. Niet voor niets opereerde het secretariaat dat Platform Onderwijs2032 ondersteunde niet vanaf het ministerie, maar vanuit het gebouw van de SER. ‘We hebben dit project nadrukkelijk niet aan het ministerie willen verbinden’, aldus een persvoorlichter van Onderwijs2032, tevens woordvoerder van staatssecretaris Dekker.
Dat heeft gewerkt: critici van het rapport legden de verantwoordelijkheid inderdaad bij Platform Onderwijs2032 en Paul Schnabel in het bijzonder. Het ministerie bleef buiten
schot.
Wel schoot het ministerie zich in eigen voet. Hoewel het de mond vol had van dialoog en draagvlak, vertikte het om in een eerder stadium organisaties die de leraar vertegenwoordigen bij Onderwijs2032 te betrekken. Dat terwijl de commissie-Dijsselbloem in een parlementaire enquête na de vorige grote onderwijsvernieuwing concludeerde dat vakdocenten beter betrokken zouden moeten worden bij de inhoudelijke uitwerking van nieuwe onderwijsprogramma's. De vijf belangrijkste onderwijsorganisaties, samen de Onderwijscoöperatie, besloten hun steun aan Onderwijs2032 na presentatie van het eindadvies dan ook in te trekken. Op 9 maart dienden oppositieleden Michel Rog (CDA) en Paul van Meenen (D66) een motie in waarin zij voorstellen de verdere uitwerking van Onderwijs2032 alsnog in handen van de Onderwijscoöperatie te leggen.
Na anderhalf jaar ‘dialoog en draagvlak’ als adagium kon de regering niet anders dan de motie overnemen, en tot november van dit jaar is de Onderwijscoöperatie aan zet. Tegelijkertijd onderzoekt een speciaal in het leven geroepen ‘regiegroep’ met de voorzitters van de PO-raad, VO-raad, Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS), Onderwijscoöperatie, LAKS en Ouders & Onderwijs wat het advies betekent voor de praktijk.
Ambtenaren op het ministerie waren in rep en roer, vertelt een bron die daar geregeld komt. Want met het onderbrengen van de voortgang van Onderwijs2032 bij de Onderwijscoöperatie, is het project voor het eerst echt uit handen van het ministerie en zijn adviespartners genomen. De schijnwerkelijkheid die Onderwijs2032 anderhalf jaar lang ademde, is daarmee realiteit geworden. De regering gaat niet langer over de inhoud van het onderwijs.

Dit artikel verscheen eerder op het online journalistieke platform De Correspondent. Johannes Visser schrijft voor De Correspondent over onderwijs. Meer lezen? Ga naar www.decorrespondent.nl

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.