• blad nr 13
  • 3-9-2016
  • auteur J. van Aken 
  • Redactioneel

Veertigurige werkweek vereist omslag in denken 

Durf te kiezen

De veertigurige werkweek in het primair onderwijs draait een jaar na invoering op veel scholen nog niet goed, signaleert de AOb. Wat gaat er mis en hoe kan wel?

Op veel scholen maken leraren nog te veel uren sinds de invoering van de veertigurige werkweek. Besturen en directeuren leggen het model en de taken en uren nog te dwingend op, merken AOb-bestuurders José Muijres en Anton Bodegraven. “Leerkrachten willen of moeten te veel werk doen in te weinig tijd. Ze kunnen taken moeilijk afstoten in het belang van kinderen. Besturen redeneren soms: zolang ze niet piepen, laten we het zo”, weet Muijres.

Bodegraven hoort van leraren dat ze het werk niet in veertig uur kunnen doen. “Dat is verkeerd om redeneren: je moet zoveel taken inplannen dat het in veertig uur past. De veertigurige werkweek is geen tovermiddel dat de werkdruk oplost, maar wel een manier om werkdruk inzichtelijk te maken en te beperken.”

Tip: Ga in gesprek en maak keuzes. “Bespreek de werkdruk en maak keuzes welke taken je als school wel en niet kunt doen. De uitkomst is wellicht dat je sommige zaken overdraagt aan ouders en dat je niet meer alles kunt doen”, zegt Bodegraven.

Opslagfactor
Scholen die werken met het overlegmodel horen met alle teamleden afzonderlijk afspraken te maken over de verdeling van lesuren en andere taken. Bij het overlegmodel hoort de opslagfactor, die bedraagt in overleg 35 tot 45 procent extra tijd bovenop de lesuren voor lesvoorbereiding en nakijken. Muijres ziet dat leidinggevenden regelmatig te veel taken onder de opslagfactor scharen. “Als je van elke taak een kwartiertje afhaalt, kan het op papier kloppen, terwijl het in de praktijk wringt”, zegt ze. Bodegraven vult aan: “Het is belangrijk dat het team en leidinggevenden goede afspraken maken over taken die onder de opslagfactor vallen.” Sommige scholen gebruiken computerprogramma’s als Taakbeleid van Cupella om het jaarrooster en de jaartaak te bepalen. De uitkomsten worden vaak als voldongen feit aan werknemers opgelegd, Cupella’s wil is wet. “Ook hier gebeurt het dat werkgevers getallen invoeren om op papier alles kloppend te maken, terwijl ze niet naar de feitelijke werkzaamheden in een week kijken”, merkt Bodegraven.

Tip: De PMR heeft instemmingsrecht bij de keuze voor het overlegmodel of het basismodel, de opslagfactor en welke taken daaronder vallen.

Verplicht op school
Een aantal werkgevers heeft de veertigurige werkweek aangegrepen om leraren te verplichten elke dag acht uur op school aanwezig te zijn. Dat moet volgens de cao, is hun onjuiste motivatie. Nergens in de cao staat dat leraren alle uren op school moeten zijn. Muijres spreekt daarom bij voorkeur van het veertigurige takenpakket. “Als je uitgaat van taken is het niet zo relevant wanneer en waar je die doet. Een werkweek van maandag en dinsdag negen uur, woensdag zes en donderdag en vrijdag acht uur is ook veertig uur. En incidenteel een week meer dan veertig uur werken kan ook, als dat een andere week maar gecompenseerd wordt.”

Tip: Overwerk mag je compenseren tussen twee vakanties in.
Een veelgehoorde klacht is dat leerkrachten vakantie kwijt zijn geraakt door de nieuwe cao. De werktijd voor een fulltime baan is echter niet veranderd: 1659 uur per jaar. “Vroeger stond in de cao dat leerkrachten vrij waren als de kinderen dat waren. Dat kwam neer op werkweken van 42,5 uur. Met de veertigurige werkweek bouwen leerkrachten nu 428 uur per jaar vakantieverlof op, zo’n 10,7 weken”, legt Bodegraven uit.

{groot kader}
Bij RENN4 doen ze het al lang

Zo’n tien jaar werkt schoolbestuur RENN4, voor speciaal onderwijs in Friesland, Groningen en Drenthe, nu met de veertigurige werkweek. En dat bevalt goed.

RENN4 heeft een eigen ‘normjaartaaktool’ ontwikkeld om de veertigurige werkweek in te delen. “Na invoering van het personeelsnummer, werktijdfactor en schoolrooster wijst de urenverdeling bijna vanzelf”, merkt Nienke van Reeuwijk, voorzitter van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) en leraar speciaal basisonderwijs. “Alleen de opslagfactor (het percentage uren voor voor- en nawerk) moet je toevoegen. De ene leraar heeft 42 en de ander 44 procent, afhankelijk van de zwaarte van de groep”, vult ambtelijk GMR-secretaris en trainer Bernadette Evers aan.

RENN4 werkt met veertig werkweken van veertig uur en daarnaast blijven er 59 uur per jaar buiten de werktijden om over. “Die zijn al gauw gevuld met zaken als ouderavonden en piekbelasting tijdens het schrijven van rapporten en ontwikkelingsperspectieven”, merkt Van Reeuwijk. De aanpak kan per school verschillen. “Teams bespreken de taakverdeling en de normering van taken”, vertelt Evers.

In grote lijnen blijven RENN4-medewerkers op jaarbasis binnen de 1659 uur, denken ze. “Ik werk ook in het weekend en in schoolvakanties, maar globaal blijf ik binnen mijn uren”, zegt Evers. Officieel houdt de werkdag om 16.00 uur op, maar dat redt Van Reeuwijk niet altijd. “Zeker niet als we ontwikkelingsperspectieven opstellen, Cito-toetsen afnemen en oudergesprekken voeren. Werk je een week vijftig uur, dan draai je een week later 35 uur. Zo blijf ik op jaarbasis ongeveer binnen mijn uren.”

Het grote voordeel van de veertigurige werkweek vinden ze dat de werkdruk inzichtelijk en bespreekbaar is. “Doordat je heel duidelijk je uren en taken ziet, ga je met elkaar in gesprek en blijf je daar kritisch op”, merkt Van Reeuwijk. “Hoewel het beleid is dat iedereen in werkgroepen participeert, heb ik afgesproken dat niet te doen omdat ik door mijn (G)MR werk geen uren overhoud.”

Ook leidt de grens van veertig uur ertoe dat scholen keuzes maken. Van Reeuwijk: “Je kunt niet alles in een keer aanpakken. We zijn bezig geweest met het dyslexieprotocol, nu komt begrijpend lezen aan bod. Het ene jaar doen we een winterfair, het andere een zomerfair.” Evers herinnert zich dat de GMR vroeger om de week een dag bij elkaar kwam. “Nu zeggen we: We hebben honderd uur, wat doen wel en wat niet.”

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.