• blad nr 7
  • 2-4-2016
  • auteur . Lachesis 
  • Column

 

Sluipmoordenaar


De herrijzenis van de directe instructie is een zegen. Het slaat veel vliegen in een klap. Directe instructie is namelijk onze core business. Dat is het altijd geweest. Alleen leerkrachten die lesgeven aan getalenteerde leerlingen en ideologen die om geloofsredenen liever niet zien wat pal voor hun neus ligt, gaan uit van het (veelal niet bestaande) vermogen van kinderen om alles tegelijk en het liefst door elkaar heen uitgelegd en verwerkt te krijgen. Directe instructie is niets anders dan klassikaal onderwijs in een nieuw jasje. Het is interactiever, coöperatiever en houdt meer rekening met verschillen, maar de hoofdzaak is: de leraar doet voor, de leerling doet na en vervolgens wordt er een beperkt gedeelte veelvuldig ingeoefend. Vooral dat beperkte gedeelte stemt mij tot vreugde. Ik werd soms zoooo moedeloos van al die realistische rekenmethodes die de lastigste zaken lukraak aanboden, lukraak inoefenden en met de snelheid van het licht toetsten om het vervolgens pas maanden later weer opnieuw aan de orde te stellen. Niet zelden bonkte ik van frustratie met het hoofd tegen het bord als bleek dat in de allereerste rekenles ‘lenen bij de buren’ ook meteen een nul opdook. Er valt helemaal niks te lenen juf, klonk het dan gefrustreerd. Veel sommen hebben meer met begrijpend lezen te maken dan met rekenen en delen is in een realistisch rekenmethode je reinste sisyfusarbeid. Veel van mijn leerlingen kunnen die grote stappen maar niet onder de knie krijgen. Dus houden ze het veilig en trekken er steeds tien keer eraf, en dan nog eens tien keer, en dan nog eens… op deze wijze kan de staart onder aan de deelsom al snel een halve meter lang worden, kijk daar gaat-ie het uitrekenblaadje af, de tafel op, de tafel af, de hoek om. Ergens halverwege wordt een aftrekfout gemaakt… oeps... de som komt niet uit juf. Snik, ik kan dit niet! Directe instructie maakt een eind aan deze wanhoop. Directe instructie is de sluipmoordenaar van het realistische rekenonderwijs. Het is simpelweg niet effectief om alle rekenproblemen die in een taak aan de orde komen ook in de directe instructie van die dag terug te laten komen. Er moeten keuzes gemaakt worden. Het gevaar van die keuze is wel dat je de methodetoets als uitgangspunt neemt en van daaruit je rekenaanbod samenstelt… teaching to the test... maar dat nadeel valt in het niet bij de voordelen die het oplevert: gestructureerd rekenonderwijs, zicht op uitval, oefenen, oefenen, oefenen. En wat mooier is: succeservaringen. Mijn leerlingen vinden rekenen leuk sinds de directe instructie opnieuw haar intrede deed. Maar zoals zo vaak in het leven: hier win je wat, daar verlies je wat. Nu het rekenonderwijs overzichtelijker wordt, wordt het taalonderwijs ingewikkelder. Zo wordt in de taalmethode in groep 4 al het bijvoeglijk naamwoord aangeleerd. Ik ben erg voor uitbreiding van de woordenschat maar het woord ‘bijvoeglijk’ in groep 4 is lariekoek. Dat kan nooit betekenisvol zijn. Het oefenen van zelfstandige naamwoorden in groep 5 is geen probleem, maar laat alsjeblieft minder concrete woorden als bijvoorbeeld ‘de liefde’ en ‘de situatie’ nog even buiten beschouwing. De gekte neemt echter in groep 7 en 8 een hoge vlucht. Het wemelt er van de werkwoordelijke gezegdes, voorzetseluitdrukkingen, bezittelijke voornaamwoorden, zelfstandige werkwoorden, persoonlijke voornaamwoorden met als dieptepunt het omzetten van de bedrijvende zin in de lijdende zin. Waarom, waartoe, waarheen? In groep 7 is het bijvoorbeeld al lastig genoeg om de persoonsvorm (is nooit een persoon, ga er maar aanstaan met je instructie), het onderwerp, het gezegde, alsmede de voorzetsels, zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en hooguit het lijdend voorwerp aan de orde te stellen. Daar heeft iedere leerkracht zijn handen al aan vol. Maar waarom zouden we het in het onderwijs makkelijk maken als het ook moeilijk kan? Gelukkig kan ik de directe instructie ook als sluipmoordenaar inzetten voor deze overdaad.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.