• blad nr 7
  • 2-4-2016
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

 

De schoolschrijver zet aan tot leren

Op de Amsterdamse J.P. Coenschool brengt schoolschrijver en Superjuffie-auteur Janneke Schotveld kinderen tot rust, en aan het schrijven.

“Bent u beroemd”, vraagt een van de leerlingen aan Janneke Schotveld. “Een beetje”, antwoordt ze. “Wist je gisteren wie ik was?”
Een andere leerling vertelt enthousiast dat hij een van haar boeken heeft gelezen. Dit half jaar hebben 45 basisscholen een schoolschrijver te gast via stichting De Schoolschrijver, afgelopen schooljaar waren dit 30 scholen. De kinderboekenschrijvers gaan een half schooljaar wekelijks een dag naar ‘hun’ school om met activiteiten als voorlezen, verhalen vertellen en schrijven bij te dragen aan de woordenschat, het leesplezier en de talentontwikkeling van kinderen. Leerkrachten en ouders worden intensief betrokken bij het traject.

Websitedief
Het is de vierde keer dat de Amsterdamse J.P. Coenschool een schoolschrijver ontvangt. Voor Janneke Schotveld, auteur van onder andere de Superjuffie-boeken, Botje en Oma ontsnapt!, is het de vierde school waar ze te gast is. Tijdens de schoolbrede introductie draagt een van de leerkrachten een heus Superjuffie-pak. De leerlingen zingen een lied, dragen gedichtjes voor en twee leerlingen interviewen Schotveld. “Wat vindt u het leukste boek dat u ooit geschreven heeft”, willen ze weten. “Dat is een gemene vraag, want voor schrijvers zijn boeken net als kindjes en aan ouders vraag je ook niet wie het liefste kind is”, lacht Schotveld. En wanneer is ze begonnen met schrijven? “Zodra ik kon schrijven. Nog geen echte boeken natuurlijk, maar ik denk dat het wel geholpen heeft.” Een meisje leest een zelfverzonnen verhaal voor over een dief die de verhalen van de website van Schotveld had gestolen. “Ze wilde verder gaan met haar verhaal, maar het was er niet meer. Ze huilde tranen met tuiten.”

Ideeënschrift
De komende twaalf weken komt Schotveld op de maandagen lesgeven aan twee groepen 3 en een groep 4 en daarnaast een gastles geven in steeds een andere klas. Na de introductie loopt ze naar het lokaal van groep 3 en passeert daarbij een verkleedhoek waarin een paar kleuters spelen. “Hallo juf”, zegt een van de kleuters. “Hallo dokter”, antwoordt Schotveld. In de gangen staan bakken en vitrines met boeken. “Als ik op een school kom, weet ik binnen vijf minuten of het een leesschool is of niet”, vertelt Schotveld. “Ik zie het aan hoe de boeken erbij staan in de kasten of schoolbibliotheek. En aan de manier waarop ik word binnengehaald, als een verplicht nummer of niet. Dit is een leesschool.”
In de klas hangen de woorden ‘hout’, ‘vuur’, ‘geit’ en ‘duif’ aan de muur. “Wie leest er wel eens een boek”, vraagt Schotveld de leerlingen. Er gaan veel vingers omhoog. “Stel je bent een schrijver en je gaat een boek schrijven, wat heb je dan nodig?” De leerlingen weten dat wel: een potlood, een boek met allemaal lege blaadjes, letters natuurlijk, een gum, een kaft. Maar wat je het allermeeste nodig hebt, is een idee, vertelt ze, en met grote geheimzinnigheid laat ze haar ideeënschrift zien. “Jullie mogen dit zien omdat ik jullie schoolschrijver ben, maar niet doorvertellen, beloven jullie dat?” De leerlingen knikken heftig.
Schotveld vertelt over het proces van boekenschrijven: het typen, overleg met de tekenaar, de eindredactie. “Het hoeft niet in een keer goed, het wordt langzamerhand steeds beter.” Ze laat een deel van de drukproef zien. Daarna deelt ze een ‘weetje’ met de leerlingen. “Kinderen die elke dag een kwartiertje lezen in een boek zijn slimmer. Dus als je van jezelf zo slim bent”, zegt ze, en houdt haar handen iets uit elkaar, “en je leest elke dag een kwartiertje en doet dat een jaar lang, dan rek je je eigen slimheid behoorlijk op.” Ook voorgelezen worden helpt, zegt ze. “En als je nog niet zo’n leuk boek hebt, of het moeilijk vindt om te lezen, dan ga ik je helpen.”
Schotveld gaf jarenlang les aan leerlingen op de zorgboerderij waar ze woont en werkte twee jaar op een school voor speciaal onderwijs. “Het is onomstotelijk bewezen dat leerlingen er veel profijt van hebben als ze met plezier lezen. Toch kom ik op veel scholen waar vanaf groep 4 niet meer wordt voorgelezen.” In deze groep 3 leest de leerkracht in de kleine pauze voor uit een gedichtenbundel of een boek met verhalen.
Toen Schotveld een column las in de Volkskrant over de schoolschrijver, meldde ze zich direct aan. “Ik geef ook workshops op scholen, maar in zo’n traject van een half jaar kun je veel meer doen met een klas.” Via de stichting ontvangen de schrijvers een marktconform honorarium. De deelnemende scholen leveren een eigen bijdrage. De stichting verzorgt ook traningen, maatwerktrajecten en gratis digibordlessen.

Schrijfpapier
De tweede groep 3 staat bekend als niet gemakkelijk. Sinds vandaag staat er een nieuwe meester voor de klas en de groep is onrustig. Een bak met kleurpotloden rolt van een tafeltje over de grond en een leerling staat op en loopt door de klas. Maar als Schotveld een stukje voorleest van Superjuffie die de roep van een dier in nood hoort, een schoolkrijtje eet en het raam uitvliegt om het dier te redden, luisteren de kinderen ademloos. “Bestaat dat echt”, vraagt een van de leerlingen. “Ja”, zegt Schotveld. Aan het einde van de dag voelt ze zich ‘gevloerd’, maar zegt enthousiast: “Ik denk dat er veel uit deze leerlingen te halen valt. Een jongen vroeg al om schrijfpapier.” Haar doel is de verhalen van leerlingen ‘eruit te krijgen’.
“In het eerste jaar was er een meisje dat, met jas en al nog aan, woest binnenkwam na een ruzie met haar broertje. Ik gaf haar een pen en papier en ze schreef een gedicht, ‘Ik ga bij oma wonen’, en het eindigde heel definitief met de zin: ‘Ik neem mijn hamster mee’.”
Met een quiz test Schotveld de verhalenkennis van de leerlingen. “Wie is er supersterk, heeft een eigen paard, een aap...” “Pippi Langkous”, roept een leerling. Schotveld laat een foto zien van het ‘piepkleine wagentje’ in haar tuin waar ze haar boeken schrijft en vertelt over haar vijf poezen. “Ik heb nul poezen”, roept een jongen. “Ik heb één vis”, zegt een ander. Ze maken allemaal een tekening van hun lievelingsdier of zelfverzonnen beestje. Die komt in hun eigen map waar straks ook al hun verhalen bij komen. In een speciale brievenbus kunnen de leerlingen een brief aan de schoolschrijver posten.
“Het is natuurlijk heel bijzonder als je een echte kinderboekenschrijver in huis hebt”, vertelt Berrie Burhenne, taalcoördinator van de school. “Dat spreekt leerlingen aan. In een eerder jaar kwam een leerling die niet zo van lezen hield na een bezoek van Selma Noort enthousiast terug uit de bibliotheek met een van haar boeken.” Maar ook zonder schoolschrijver is er veel te winnen. Schotveld: “Het allerbelangrijkste is dat je als leerkracht zelf ook gaat lezen tijdens het kwartiertje lezen, in plaats van bijvoorbeeld je mail checken. Neem een leuk boek dat dichtbij de leefwereld van de kinderen ligt, leg je benen op tafel en laat merken dat je er plezier in hebt. Dat doet echt wonderen.”

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.