• blad nr 12
  • 17-6-2000
  • auteur . Overige 
  • Het essay

De jaren zeventig waren niet zo jolig 

Begeleiding en shoppen gaan niet samen

ŒMarktconform werken¹ luidt het motto dat een beetje onderwijsbegeleidingsdienst tegenwoordig hanteert. Was er vroeger veel vrijblijvendheid, nu hangt aan iedere dienstverlening een offerte. Aldus de intro van een artikel van Gaby van der Mee in Het Onderwijsblad vorig jaar november over onderwijsbegeleidingsdiensten, in het bijzonder over het Amsterdamse ABC en het Utrechtse SAC.

Daarmee was de toon gezet voor het zoveelste neerbuigende stuk over de vrolijke jaren zeventig. Desgevraagd verklaarden de directieleden van het ABC dat zij de oprichting ervan niet meemaakten maar, zo schrijft Van der Mee, ze worden bij de herinnering aan die lang vervlogen tijd Œeen beetje jolig¹. En wel omdat de mensen toen Œin een ideologisch warm bad en veel geld rondzwommen¹.
Nu hanteerde ik bij de oprichting van het ABC toevallig de voorzittershamer en het lijkt me nuttig wat perspectivische correcties op dit jolige beeld aan te brengen. Het huidige tijdvak heeft zo zijn vijandbeelden nodig en de jaren zeventig zijn dan een dankbare kop van Jut. Strakjes, over pakweg dertig jaar, zullen we ons weer een ongeluk moeten lachen om het marktgerichte denken van nu. Laat ik daarom maar meteen met de deur in huis vallen en vaststellen dat het zittend kader in heel het artikel van Van der Mee niet ook maar één zinnig pedagogisch, didactisch of onderwijskundig argument op tafel weet te leggen voor de noodzaak van marktgericht denken bij de begeleiding en advisering van onderwijs. Wel beluister ik een aanhoudende litanie op overheden die kranen dichtdraaien en derde geldstromen die vanwege concurrerende instanties aan de betreffende begeleidingsdienst dreigen te ontsnappen (waar je volgens een van de zegslieden dan weer niet Œmoeilijk over doen¹ moet, ook dat hoort bij het huidige klimaat).
In werkelijkheid ontstond het Amsterdamse ABC naar analogie van een ontzuilingsmodel dat Van Calcar en ik destijds in Enschede hadden ontwikkeld. Ons argument was dat ons onderwijs een te kostbaar immaterieel belang vertegenwoordigde om in de begeleiding aan fragmentatie en versnippering overgelaten te worden. In Enschede hadden wij aan den lijve ondervonden dat het publieke belang het best gediend is met een overzichtelijke en transparante onderwijssituatie. Als je het hele lokale onderwijsveld in kaart kunt brengen, kun je de zwakke plekken opsporen, de gunstige ontwikkelingen stimuleren, de noden en behoeften peilen en de sterke punten naar elders overplanten, kortom: begeleiden. Maar de toenmalige monopolisten van kennis (de zuilen) wensten hun informatie helemaal niet uit te wisselen. Stel je voor dat het katholieke bestuur inzage zou krijgen in de trubbels van het openbare of protestantse onderwijs. De Amsterdamse scholen werden door vier, vijf of zes diensten bestreken, die in geen enkel opzicht op elkaar waren afgestemd. Wie denkt dat al de toenmalig betrokkenen en met name de vele baasjes onder hen stonden te trappelen om hun rijkjes op te geven en in één gesaneerde dienst op te gaan, vergist zich deerlijk. Omdat ik bij de nieuwe aanpak de verantwoordelijkheid voor het onderwijsveld droeg ­ Van Calcar zou zich met programmering en evaluatie bezighouden ­ viel mij de eer te beurt de hele begeleidingssector te saneren. Gelukkig zaten er destijds zowel bij de protestanten, katholieken als openbaren vooruitziende geesten in de besturen. En inderdaad, met de toenmalige wethouder Van der Velde viel zaken te doen. Zo ontstond het ABC. Maar van ideologische bubbelbaden en rondzwemmen in geld heb ik toen heel weinig gemerkt. Wel van onhandige erfenissen van al die samengevoegde en moeilijk op een lijn te krijgen diensten. En net als bij de huidige achterstandsbegeleidingsprogramma¹s ­ Kaleidoscoop en Piramide ­ kwamen we toen ook eeuwig geld tekort.

Stroop om de mond
We leven nu dankzij een ondoordachte en slaafse bejubeling van het marktmodel in een heel andere monopoliemaatschappij. Niet alleen aan elke dienstverlening hangt een prijskaartje maar ook aan elke overdracht van informatie. Providers weten dat, ze willen alles van hun klanten weten. Het is dan ook uiterst bizar om in zo¹n tijdsbestek te moeten vernemen dat beleidsmakers van begeleidingsdiensten naar een shoppingmodel toewerken en zo de informatie waar ze tot nu toe over konden beschikken uit handen willen geven of willen laten verlopen. Ik zou er misschien heel jolig van moeten worden maar het stemt me treurig. Een zich terugtrekkende overheid ondermijnt het gezag van onze democratie. Ze beschikt niet meer over het geweldsmonopolie. Ze staat vrij machteloos tegenover de ondergang van haar kleinschalige middenstand. Staat ook machteloos bij het wegvloeien van subsidiegelden naar buitenlandse concurrenten (eufemistisch globalisering of amerikanisering genoemd). En staat helemaal machteloos tegenover de ontwikkelingen op internet (porno- en reclamevervuiling). Dit geldt op landelijk zowel als lokaal niveau. Internet, zoveel is duidelijk, ondermijnt op macroniveau de monopoliepositie en de macht van de natiestaat en op microniveau die van lokale diensten. Ik praat hier over de noodzaak van kennisverwerving als een niet in geld uit te drukken (immaterieel) goed, als borgstelling van het publieke belang. Dat is namelijk niet louter een marktbelang. Zoals ook uit het recent verschenen WRR-rapport blijkt ­ dat overigens een vernietigend oordeel over de klakkeloze omhelzing van het marktmechanisme velt ­ is er verschil tussen een marktbelang en een democratisch burgerbelang. De mens is niet alleen consument maar ook een wezen dat zijn kinderen goed opgevoed en geschoold wil zien (volksonderwijs), zich veilig wil voelen (sociale zekerheid) en bij het ouder worden zo lang mogelijk zelfstandig wil blijven (thuiszorg).
Al deze zaken zijn nu door overhaaste en kritiekloze privatiseringen in de soep gelopen en moeten met verlies van miljarden worden teruggedraaid. Diensten die vroeger een publiek belang dienden, werden geprivatiseerd of kwamen in een grijze schemerzone terecht en van al het gesnoef over Œefficiency¹, Œniet moeilijk doen¹ en Œnetwerken¹ zien we niet veel meer dan stress op de werkvloer, geweldsexplosies, megafusies (om concurrentie te ontlopen), fraude en corruptie. Uit onderzoek is trouwens al lang gebleken ­ geen parlementariër die zich er overigens aan stoort ­ dat organisaties die marktgericht denken zich voornamelijk met overlevingsstrategieën bezighouden. Klanten en producten komen op de tweede plaats. En dat is precies wat we op het ogenblik overal meemaken. De klant wordt stroop om de mond gesmeerd, maar op de keper bekeken niet meer dan zo behendig mogelijk zoet gehouden. Voor het geleverde product geldt als enig criterium of het verkoopbaar is.
Dat hier werkelijk sprake is van een fundamenteel probleem dat om een onderwijskundige doordenking vraagt, blijkt alleen al uit zo¹n opmerking terzijde van adjunct-directer Spier ten Doesschate van het SAC dat financiën om een gescheiden organisatie vragen (wie werkt voor de subsidiegever en wie voor de derde geldstroom?), maar dat voor de kwaliteit van de dienstverlening integratie beter is. Er is dan ook op inhoudelijke gronden nog nooit aangetoond dat het marktgerichte denken in de publieke dienstensector tot verbetering of zelfs maar tot kostenbesparing heeft geleid.

Tegen de stroom in
Na tal van no-nonsensekabinetten en almaar meer klantgericht onderwijs is er in de twintig jaar aan de achterstandssituatie van kansarme kinderen geen lor verbeterd. Onlangs trof ik nog een bericht dat alle basisschoolleerlingen nu beroerder rekenen dan vroeger. Dat ligt zeker ook aan de jolige jaren zeventig, dacht ik toen opgewekt.
In een cultuur die er alleen nog in slaagt zichzelf te parodiëren gaat het Œgrote gedogen¹, het Œniet moeilijk doen¹ en de zakelijke opstelling¹ wonderwel samen met het sociaal-liberale model van een zichzelf steeds meer verminkende democratie en een zichzelf steeds machtelozer makende overheid. In een dergelijke cultuur is de gedachte aan controle en ingrijpen niet populair, ik besef het ten volle. Ik vermoed zelfs dat de ambtenaar die de verkeerde of te weinig stringente formuliertjes aan zekere vuurwerkfabriek uitdeelde ook stond te popelen om Œniet moeilijk te doen¹. Ik vermoed maar een eind weg, hoor, maar wat ik zeker weet is dat begeleiden en shoppen niet samengaan.
Bovendien, om te shoppen heb je geld nodig. De P.C. Hooftstraat is niet voor iedere beurs geschikt.
Uit het kortgeleden verschenen Oeso-rapport, gebaseerd op cijfers uit 1997/98, blijkt dat de Nederlandse onderwijsuitgaven relatief dalen. Er blijkt ook dat ons land gemiddeld een stuk minder aan onderwijs uitgeeft dan de andere Oeso-landen. Namijk 5,1 procent van het bruto binnenlands product tegen 6,5 procent voor de rest van de Oeso-landen (Denemarken zelfs acht procent). Ons onderwijs deelt in geen enkel opzicht in onze almaar toenemende welvaart.
In plaats van mee te hollen met het marktconforme denken zouden advies- en begeleidingsdiensten zich eens moeten afvragen hoe ze hun positie als borgstellers van het publieke belang tegen de tijdstroom in het beste kunnen handhaven.

Oscar de Wit, oud-voorzitter Amsterdamse begeleidingsdienst ABC

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.