• blad nr 20
  • 12-12-2015
  • auteur . Overige 
  • Opinie

 

Veerkracht vluchtelingenkind is enorm

Als het onderwijs doet waar het goed in is, heeft het grootste deel van de vluchtelingenkinderen geen specialistische hulp nodig, voorspellen Bram Tuk en Bart Looman van expertisecentrum Pharos.

Veel mensen zien kinderen die uit een oorlogssituatie komen als slachtoffers. Voor het leven getekend. Dat laatste is absoluut niet het geval. De veerkracht van kinderen is enorm. Uit onderzoek naar kinderen uit oorlogsgebieden blijkt dat eventuele traumagerelateerde klachten grotendeels zonder professionele hulp verminderen of verdwijnen.
Vluchtelingenkinderen vragen wel specifieke aandacht. Die moet niet gericht zijn op traumaverwerking, maar op het oppakken van een ‘normaal’ kinderleven. Naar school gaan is voor deze kinderen op zich al een helende bezigheid. ‘Het vervelendste van naar school gaan in Nederland is de schoolvakantie’, is een veelgehoorde uitspraak van vluchtelingenkinderen. Zij zijn dolblij om weer naar school te mogen.
De psychische gezondheid van kinderen hangt in sterke mate af van die van hun ouders. Dat geldt ook voor deze gezinnen. Ouders die gevlucht zijn hebben behoefte hun taak als opvoeder weer goed op te kunnen pakken. Kinderen willen niets liever dan dat hun ouders weer ‘gewone’ ouders worden. Omdat vluchtelingenouders onbekend zijn met het Nederlandse onderwijs en de (gezondheids)voorzieningen voor kinderen hebben zij veel behoefte aan informatie over het Nederlandse onderwijssysteem, de gezondheidszorg en wat de Nederlandse samenleving van hen verwacht. Deze informatie kunnen zij krijgen van buren, andere vluchtelingen, de school, vluchtelingenwerk of de huisarts. In de praktijk blijkt dat er eerder te weinig dan te veel wordt uitgelegd.
Voor vluchtelingenkinderen is het nog belangrijker om zich veilig en gewaardeerd te voelen in de klas dan voor andere kinderen. Zij hebben extra veel baat bij een positieve sfeer waarin geen plek is voor pesten en discriminatie. Als leerlingen zich thuis voelen op school, hebben zij een lagere kans op posttraumatische stress, depressie en angsten. Voor docenten betekent dit dat het bereiken van een goede sfeer belangrijker is dan specifiek aandacht hebben voor de nare dingen die de vluchtelingenkinderen hebben meegemaakt. Als kinderen zich thuis voelen willen ze vaak wel vertellen over hun leven ‘voor de oorlog’. Wat de jongeren helpt, zijn maatjesprojecten waarbij bijvoorbeeld iets oudere Nederlandse jongeren hen de weg wijzen naar sport en andere activiteiten.

Kwetsbaar
Uiteraard komt het niet met alle kinderen vanzelf goed. De gezondheid van vluchtelingenkinderen is zeker in de beginperiode kwetsbaar. Er zijn veel kinderen met psychische en lichamelijke klachten. Veel van die klachten horen, hoe belastend ook, bij de normale verwerking. Denk aan bedplassen, enge dromen en verlatingsangst. Als dergelijke klachten lang aanhouden en het dagelijks functioneren van kinderen belemmert, is extra ondersteuning nodig.
De school heeft hierin een belangrijke signalerende functie en kan met tijdig doorverwijzen zorgen dat de reguliere zorg snel wordt opgestart. Door de snelle doorstroom van het asielzoekerscentrum naar de gemeenten of juist de tijdelijke noodopvang verloopt de overdracht naar de lokale professionals nog niet altijd goed. Omdat vluchtelingenkinderen vaak eerder bekend zijn in het onderwijs dan in de zorg, kan de school hierin van grote meerwaarde zijn. Bijvoorbeeld door het leggen van de verbinding met de jeugdgezondheidszorg.
De zorgen om de kinderen wier hachelijke reis we via de voorpagina’s van de krant hebben kunnen volgen, zijn begrijpelijk. Wie zich zorgen maakt over de getraumatiseerde kindvluchtelingen kan wellicht gerustgesteld worden door de analyse van de Engelse psychiater Derek Summerfield. Hij deed jarenlang onderzoek naar de psychische gezondheid van vluchtelingen. Vrij vertaald zegt hij: ‘Wat hun pijn ook moge zijn, het overgrote merendeel van de vluchtelingenkinderen is in staat om zonder instorten of rouw hun verliezen opzij te zetten en zich op een creatieve manier aan te passen aan hun nieuwe omstandigheden.’

Bram Tuk en Bart Looman werken bij expertisecentrum Pharos. Tuk heeft lesmethoden ontwikkeld voor scholen met nieuwkomers

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.