• blad nr 15
  • 3-10-2015
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

 

Cijfer voor inzet houdt leerling bij de les

Opletten en goed meedoen tijdens de les bepaalt voor leerlingen op het Tabor College in Hoorn een derde van het eindcijfer.

“Guten Morgen”, heet Monica Wolters haar leerlingen van havo 3 welkom. “Ihr sitzt heute in Dreiergruppen, Handys in die Tasche, bitte.” Wolters heeft haar leerlingen gevraagd om elk een kleine presentatie voor te bereiden. Wie weet waarover dat zou moeten gaan? Vingers gaan omhoog: elke leerling zou iets vertellen over zijn maatschappelijke stage.
Er gaat een envelop met foto’s van de leerlingen rond, en één leerling mag erin grabbelen. Hij trekt de foto van Julian - alweer. Deze schiet uit zijn slof: het is al de derde keer deze maand dat hij een beurt krijgt. Maar Julian gaat er toch voor zitten en begint, in zijn beste Duits, te vertellen. Daarna praten de leerlingen in kleine groepjes over hun eigen stages, Wolters loopt rond en luistert.
De leerlingen doen goed hun best, want ze worden beoordeeld op hun uitspraak en hun inzet in de klas. De vakgroep Duits op het Tabor College, locatie Werenfridus in Hoorn, heeft namelijk in bijna alle klassen het ‘participatiecijfer’ ingevoerd. Alleen de examenklassen doen niet mee. Het meedoen in de les bepaalt nu een derde van het eindcijfer voor het vak Duits.
In Duitsland zelf is zo’n cijfer heel normaal, zegt Kerstin Hämmerling, coördinator bij het Duitsland Instituut. “Als ik daar op een school vertel dat kennis in Nederland bijna alleen schriftelijk wordt getoetst, is iedereen heel verbaasd.”
Het grote voordeel van een participatiecijfer is volgens Hämmerling dat leerlingen meer gedwongen worden mee te doen in de les. “In het verslag van de Onderwijsinspectie stond enkele jaren geleden dat Nederlandse leerlingen in vergelijking met leerlingen in andere Europese landen vaak ongemotiveerd in de banken zitten. En dat is ook logisch. Als ze niet afgerekend worden op hun inzet, werken ze alleen voor het proefwerk of de schriftelijke overhoring.”
“Het is eigenlijk gek dat het in Nederland geen bal uitmaakt wat een leerling in de les doet”, vindt docent Wolters - die zelf overigens in Duitsland op school heeft gezeten. “Zeker bij een vreemde taal, waar spreken net zo belangrijk is als schrijven.”
Voor de pilot met het participatiecijfer lette Wolters natuurlijk ook wel op de uitspraak en spreekvaardigheid van haar leerlingen. Maar hoe beoordeel je dat bij elke leerling, als je dertig leerlingen maar twee of drie uur per week ziet? “En bovendien: als je alle leerlingen een voorleesbeurt zou geven, beoordeel je alleen hun uitspraak. Dat is echt verouderd: een vreemde taal gaat niet alleen om uitspraak, het gaat om communicatie.”
En communiceren, dat doen de leerlingen nu in hun kleine groepjes. Ze geven feedback, stellen vragen en helpen elkaar als ze even niet op een woord kunnen komen. “Was hast du gelernt? Und was ist ein, eh, bedrijf, in Deutsch?” De echt moeilijke woorden die Wolters hoort, noteert ze even op het bord zodat de hele klas ervan kan leren.

Hoge hoed
De grote vraag is natuurlijk hoe zo’n participatiecijfer precies tot stand komt. In de eerste plaats heeft elke leerkracht een observatietabel waarop hij de prestaties van de leerlingen bijhoudt. Een collega van Wolters neemt in de personeelskamer zijn tabel even door. Hij heeft er een heel eigen beoordelingssysteem bij bedacht: als een leerling een vraag heeft gesteld tijdens de les, schrijft hij een ‘V’ in de tabel. Als een leerling een antwoord heeft gegeven staat er een ‘A’, met een ‘+’ of ‘-’ erachter om aan te geven of het taalniveau goed of minder goed was. Wie de hele les niets van zich heeft laten horen krijgt een ‘-’. Een ‘W’ staat voor ‘weet niet waar we zijn’, een ‘S’ betekent ‘spullen vergeten’, enzovoort.
Hoe al die letters, plusjes en minnetjes vervolgens moeten worden vertaald in een cijfer, is nog best lastig. De collega komt doorgaans uit tussen een 6 en een 8. Dat participatiecijfer krijgen de leerlingen dan eens in de zes weken, en het telt voor 30 procent mee bij de berekening van hun eindcijfer. “In Duitsland is het vaak 50 procent, maar we wilden ons geluk in deze pilot niet al te zeer op de proef stellen”, zegt Wolters. Het was al uitdagend genoeg om de leerlingen en de ouders de voordelen van het nieuwe cijfer duidelijk te maken.
De berekening leidt gelukkig tot weinig discussies. Wolters: “Je hebt altijd de observatielijst om op terug te vallen. Je kunt leerlingen laten zien dat het cijfer niet uit de hoge hoed komt.”
Een van haar collega’s kreeg laatst een verontwaardigde leerling aan zijn bureau, die vroeg waarom hij maar een 5,5 had gekregen. Het antwoord van haar collega: ‘Beste jongen, zal ik even laten zien hoeveel keer ik je heb moeten vertellen op welke bladzijde we waren?’ Dat was een kort gesprek.
Aan het einde van de zes weken maken de leerlingen ook nog een zelfevaluatie, waarop ze zichzelf punten geven op stellingen als ‘Ich melde mich oft’ en ‘Aussprache, Wortschatz und Grammatik sind gut’. “Er zijn wel eens leerlingen die zichzelf compleet onder- of overschatten”, zegt Wolters’ collega Carmen Becker. “Maar het grootste deel van de leerlingen heeft een goed beeld van de eigen prestaties.”

Bang
Typisch Nederlands, die hang naar objectivering, vindt Hämmerling van het Duitsland Instituut. “Nederlanders zijn heel bang om zaken te toetsen die je niet tot twee cijfers achter de komma kunt uitrekenen.” Maar is alleen een schriftelijke toets, zonder participatiecijfer, wel objectief dan? “Wat als een leerling toevallig niet zo goed in het maken van schriftelijke toetsen is?”
Dat laatste geldt zeker voor havo 3-leerling Rowan van Kanten. Hij vindt het participatiecijfer echt ‘super chill’. “Ik vind woordjes leren lastig: stampen is niet echt mijn sterkste kant. Nu ik ook beoordeeld word op hoe ik meedoe in de les, kan ik mijn cijfer ophalen.” Mede door het participatiecijfer ging hij de afgelopen maanden gemiddeld van een 5,2 naar een 6,5.
Collega-leerling Julian Steur denkt heel anders over het participatiecijfer. “Je krijgt een minpunt als je je spullen niet bij je hebt, en dat was nogal vaak. Eigenlijk vind ik dat participatiecijfer niets toevoegen: ik heb liever gewoon een woordjestoets.”
Maar ja, Julian is ook een leerling die het juist van zijn leerwerk moet hebben, grinnikt Wolters. “Woordjes leren gaat hem goed af, dus voor hem heeft het nieuwe participatiecijfer geen meerwaarde. Maar andere leerlingen kunnen nu juist laten zien wat ze kunnen, zonder voor uitslover te worden uitgemaakt.”
“Als je je vinger opsteekt terwijl je er geen cijfer voor krijgt, word je als nerd gezien”, vertelt docent Becker. “Leerlingen die goed meedoen in de les worden soms ‘s avonds afgemaakt op de sociale media. Want niets doen is stoer. Maar als je een cijfer krijgt om mee te doen, moet je wel.”
En dan is het soms nog leuk ook, zegt Wolters. Bovendien komt het de resultaten ten goede. “Ik zie nu dat er in havo 3 gewoon stevig Duits wordt gepraat. Ook door de leerlingen die het vak gaan laten vallen. Het is voor mij als leraar gewoon een droom.”
Collega Becker had laatst een leerling uit vwo 5 als assistent in haar klas. “Zij vertelde dat veel leerlingen uit vwo 2 nu al beter Duits spreken dan haar medeleerlingen in vwo 5. Het niveau is enorm gestegen.”
En dat kan volgens Wolters en Becker dus bij alle vakken. Niet alleen bij de talen. Goed, het oefenen van de uitspraak is niet nodig bij natuurkunde of geschiedenis. Maar meedoen in de les, antwoord geven op vragen van de leraar, uit jezelf vragen stellen, je spullen meenemen en je huiswerk maken: dat kan je in alle lessen toepassen. Dat doen ze in Duitsland toch ook? Becker: “Dit is geen exotisch idee van de sectie Duits, dit werkt ook bij wiskunde.”

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.